Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0358

Datum uitspraak2001-01-29
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200005233/1 en 200005233/2.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200005233/1 en 200005233/2. Datum uitspraak: 29 januari 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening en, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, op het hoger beroep van: de vereniging "Vereniging Leefbaarheid Bokhamer", zetelend te Tilburg, appellante, tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Breda van 31 oktober 2000 in het geding tussen: appellante en burgemeester en wethouders van Tilburg. 1 . Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: burgemeester en wethouders) aan de Turkse islamitische culturele vereniging vergunning verleend voor de bouw van een Turks islamitisch centrum aan de Wandelboslaan te Tilburg. Bij besluit van 18 september 2000 hebben zij het daartegen door appellante gemaakte, bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 31 oktober 2000, verzonden op 31 oktober 2000, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de president) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Tevens heeft zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door H.J.J.M. Balsters, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.W.M. Pulskens en ir. P.J. de Vries, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De president heeft terecht overwogen dat het betoog van appellante dat burgemeester en wethouders ten onrechte bouwvergunning hebben verleend, reeds omdat een toezegging was gedaan dat niet op de aanvraag zou worden beslist, voordat de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak zou hebben gedaan op het beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Moskee Wandelboslaan", niet kan slagen. Dat een zodanige toezegging is gedaan, heeft appellante in het licht van de gemotiveerde betwisting van die stelling niet aannemelijk gemaakt. Bovendien waren burgemeester en wethouders ingevolge artikel 46 van de Woningwet gehouden om binnen de daar gestelde termijn op de aanvraag te beslissen. 2.2. De president heeft evenzeer met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders de aanvraag terecht aan voormeld bestemmingsplan hebben getoetst. Dit plan was op dat moment in werking getreden, omdat appellante haar verzoek om terzake een voorlopige voorziening te treffen had ingetrokken. 2.3. Het bouwplan voorziet in de bouw van een moskee met onder meer een ruimte voor de uitoefening van detailhandel en een overnachtingsmogelijkheid. Dat in de bouwvergunning 'Turks islamitisch centrum' staat vermeld in plaats van 'moskee' maakt dit niet anders. De president heeft het bouwplan terecht niet strijdig met de in artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde omschrijving van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" geacht. Voorts heeft hij terecht evenmin strijd met de op die bestemming betrekking hebbende bouwvoorschriften of enig andere bepaling van het plan, waaronder die van artikel 7, die ziet op waardevolle bomen, aanwezig geacht. De president heeft in dat verband met juistheid overwogen dat een deel van de bezwaren van appellante tegen het bouwplan, waaronder dat betreffende de afstand tot de bestaande woningen, zich richt tegen het bestemmingsplan en om die reden niet kan leiden tot het in deze procedure beoogde doel. 2.4. Tot slot heeft de president terecht en op goede gronden overwogen dat burgemeester en wethouders de beroepsgronden van appellante, gericht tegen de gevolgde procedure, hebben weerlegd. 2.5. De conclusie is dat de president het beroep tegen het besluit van 18 september 2000 terecht ongegrond heeft verklaard. 2.6. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.8. Gelet hierop, dient het verzoek te worden afgewezen. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2001 201. Verzonden: 29 januari 2001 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,