Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0357

Datum uitspraak2001-02-19
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers99/00565
Statusgepubliceerd


Indicatie

De vrijstelling van omzetbelasting bij invoer voor een terugkerend goed, in casu een zeewaardig jacht, is onder het tot 1 juni 1996 geldende regime van de Regeling vrijstellingen bij invoer onverkort van toepassing, ook wanneer de facto geen omzetbelasting op het terugkerende goed heeft gedrukt


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Tweede Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z (België), belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Douane district P, de inspecteur. 1. Loop van het geding De gemachtigde van belanghebbende … heeft op 18 februari 1999 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur gedagtekend 18 januari 1999, betreffende de aan belanghebbende gerichte uitnodiging tot betaling van omzetbelasting, gedagtekend op 14 augustus 1995. De gemachtigde heeft het beroepschrift aangevuld bij brief van 21 april 1999. De inspecteur heeft ter zake van de invoer van een plezierjacht het bedrag van de verschuldigde belasting vastgesteld op f 148.750,- op basis van een douanewaarde van f 850.000,-. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de uitnodiging tot betaling gehandhaafd. De gemachtigde concludeert tot vernietiging van de uitspraak en voorts primair tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling en subsidiair tot berekening van de belasting over een douanewaarde van f 750.000,-. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en hierin concludeert hij tot bevestiging van de uitspraak. De gemachtigde heeft met toestemming van de voorzitter een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend. Ter zitting van 20 juni 2000 zijn verschenen belanghebbende en de genoemde gemachtigde, tot bijstand vergezeld van mr. A, alsmede namens de inspecteur mr. B, tot bijstand vergezeld van C. Beide partijen hebben een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd van weke stukken de inhoud als hier ingelast geldt. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. In december 1988 heeft belanghebbende aan een Nederlandse werf opdracht gegeven voor de bouw van een plezierjacht (een Nordia 57 cruiser) ten behoeve van D Limited (D), gevestigd op Jersey. Het jacht is in mei 1990 aan D Ltd geleverd voor een totaal bedrag van f 1.769.547,- (exclusief omzetbelasting). A-A, aandeelhoudster van D Ltd en echtgenote van belanghebbende, heeft het aan de werf te betalen bedrag renteloos aan D Ltd geleend zonder aflossingsverplichting. Belanghebbende was de enige gebruiker van het jacht. 2.2. Op 15 september 1994 heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde aan belanghebbende, toen nog woonachtig in Nederland, een stappenplan toegestuurd "ten einde gebruik te kunnen maken van de vrijstellingsregeling voor terugkerende goederen". De brief bevat nog de volgende passages: "Als al eerder vermeld in mijn schrijven … is deze oplossing een oplossing van alles of niets. Vast staat dat deze situatie in strijd is met de gedachte achter de EG en de interne markt. Dit is dan ook de reden dat wij van oordeel zijn, dat niet zeker is dat een beroep op deze vrijstellingsregeling zal slagen." 2.3. D Ltd heeft op 8 oktober 1994 in Terneuzen aangifte ten invoer gedaan van het jacht en op diezelfde dag aangifte ten uitvoer met als bestemming Jersey. D Ltd heeft bij deze handelingen gebruik gemaakt van het BTW-codenummer van E B.V. te Q, optredend als fiscaal vertegenwoordiger van D Ltd. 2.4. Op 12 oktober 1994 heeft D Ltd het jacht voor f 750.000,- in eigendom overgedragen aan de echtgenote van belanghebbende. 2.5. Op 2 november 1994 heeft belanghebbende in IJmuiden voor het jacht aangifte ten invoer gedaan en daarbij heeft hij zich beroepen op de artikelen 59 en 106 (terugkerende goederen) van de Regeling vrijstellingen bij invoer (RVBI). 2.6. Een expert van de ANWB heeft de waarde van het jacht in april 1995 geschat op f 850.000,-. Op basis van deze waarde heeft de inspecteur bij de uitnodiging tot betaling het bedrag van de omzetbelasting berekend. 2.7. In september 1999 was het jacht via een makelaardij te koop voor f 1.400.000,-. 3. Geschil In geschil is de vraag of de inspecteur terecht en naar het juiste bedrag de uitnodiging tot betaling heeft vastgesteld. 4. Standpunten van partijen 4.1. Voor de standpunten wordt verwezen naar de gedingstukken. 4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde in aanvulling op de pleitnotitie nog verklaard dat hij niet precies weet waarom zijn kantoorgenoot zulke voorzichtige bewoordingen in de brief van 15 september 1994 heeft opgenomen; dat de inspecteur eerder wel vrijstelling heeft verleend; dat een ambtgenoot van de inspecteur zulks al vier maal heeft gedaan en dat hij daarom aanneemt dat er sprake is van landelijk beleid; dat hij aan schending van het zorgvuldigheidsbeginsel verder geen consequenties verbindt; dat de waarde van het schip niet goed is te vergelijken met die van andere schepen; dat hij de waarde juist heeft berekend op f 750.000,-, wat er zij van het hanteren van onjuiste uitgangspunten; dat de echtgenote van belanghebbende en D Ltd verbonden personen zijn in de zin van artikel 29 van het Communautair douanewetboek. Belanghebbende heeft nog verklaard dat zijn echtgenote de gehele koopsom van f 1.769.000,- renteloos aan D Ltd geleend heeft; dat het gebruik door belanghebbende de tegenprestatie van D Ltd was voor het renteloos kunnen beschikken over de geldsom; dat het jacht in het najaar van 1999 verkocht is; dat de koper ongeveer f 600.000,- heeft betaald en een ander schip heeft ingeruild, welk schip hij, belanghebbende, uiteindelijk in 2000 voor ongeveer f 400.000,- heeft verkocht. 4.3. De inspecteur heeft nog verklaard dat het jacht voor het invoerrecht in ieder geval onder de vrijstelling valt; dat je de invoer op 8 oktober 1994 eigenlijk moet negeren; dat hij zijn beroep op de schijnhandeling laat vallen; dat artikel 100 van de Douaneregeling in feite een verduidelijking is van de destijds al bestaande regeling; dat hij één keer eerder de vrijstelling in een vergelijkbaar geval heeft verleend maar dat op dit punt zeker geen tegemoetkomend beleid bestaat; dat de trage afhandeling van het bezwaarschrift te wijten is aan de beperkte personele bezetting en aan pogingen nog meer stukken boven water te krijgen. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Ingevolge artikel 21, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1994, hierna: de Wet) wordt vrijstelling van omzetbelasting verleend voor de invoer van goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling van invoerrecht bestaat. De vrijstelling van invoerrecht voor terugkerende goederen berustte op de Verordening (EEG) nr. 754/76 van 25 maart 1976 (Pb EG L 89) en berust sedert 1 januari 1994 op de artikelen 185 en 186 van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van 12 oktober 1992 (Communautair douanewetboek). 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van de terugkeer van het jacht in Nederland de vrijstelling van invoerrecht van toepassing is. Niet gebleken is dat partijen zich hierbij op een onjuist juridisch onjuist standpunt hebben gesteld. 5.3. Artikel 21 van de Wet bepaalt dat de vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend bij ministeriële regeling. In artikel 106, eerste lid, van de Regeling vrijstellingen bij invoer (RVBI) is bepaald dat op de omzetbelasting de verordening 754/76, alsmede artikel 59 van de RVBI van overeenkomstige toepassing is. Daaruit volgt naar 's Hofs oordeel dat in geval van vrijstelling van invoerrecht ook een vrijstelling van omzetbelasting geldt tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. De stellingen van de inspecteur, die erop neer komen dat voor de vrijstelling van omzetbelasting andere criteria gelden dan wel aan dezelfde criteria een andere betekenis moet worden toegekend, acht het Hof ongegrond. Voor een dergelijke stelling zijn noch in de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 21 van de Wet aanknopingspunten te vinden. In dit verband merkt het Hof op dat de staatssecretaris van Financiën in paragraaf 6 van de Leidraad Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer er kennelijk zonder meer van uitgaat dat het van overeenkomstige toepassing verklaren aldus moet worden opgevat dat de voor het invoerrecht geldende vrijstellingen ook voor de omzetbelasting gelden. 5.4. In artikel 106, tweede lid, van de RVBI is een beperking van de vrijstelling van omzetbelasting opgenomen in een geval dat zich te dezen niet voordoet. Ook overigens zijn in de RVBI geen beperkingen ten aanzien van de onderhavige vrijstelling van omzetbelasting opgenomen. De stelling van de inspecteur dat het bepaalde in artikel 100, tweede lid, van de Douaneregeling, welke bepaling vanaf 1 juni 1996 geldt, ook reeds voor deze datum dient te worden toegepast, acht het Hof ongegrond. 5.5. Gelet op al het vorenoverwogene is, uitgaande van de vrijstelling van invoerrecht, in het onderhavige geval ook een vrijstelling van omzetbelasting van toepassing. Het gelijk is dus aan belanghebbende. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel kan gelet op het voorgaande buiten behandeling blijven, evenals het geschil omtrent de waarde van het jacht. 6. Proceskosten Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en wel tot een bedrag van f 3.550,-, zijnde 2,5 (proceshandelingen) x f 710,- x 2 (gewicht van de zaak). 7. Beslissing Het Hof - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de inspecteur en de uitnodiging tot betaling; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van f 3.550,-, te vergoeden door de Staat en - gelast de Staat het griffierecht ad f 85,- aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 19 februari 2001 door mr. Bijl, Boersma en Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van mr. Van Aalst als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste: a- de naam en het adres van de indiener; b- een dagtekening; c- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d- de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.