
Jurisprudentie
AB0351
Datum uitspraak2001-01-22
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/68143, 00/68144
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/68143, 00/68144
Statusgepubliceerd
Indicatie
Dublinclaim / Portugal / artikel 3 EVRM.
De vraag ligt voor of bij de overdracht van verzoekster aan de Portugese autoriteiten (juiste) toepassing van artikel 3 EVRM gewaarborgd is, zulks in het licht van de uitspraak van het EHRM van 7 maart 2000. De president beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst daarbij naar de inhoud van een door verweerder overgelegde brief van de Portugese autoriteiten.
Dat de Portugese autoriteiten aan asielzoekers afkomstig uit Rwanda niet, net als hier te lande, een vvtv verlenen, leidt niet tot een ander oordeel, nu aan de verlening door verweerder van vvtv's aan vreemdelingen afkomstig uit Rwanda niet ten grondslag ligt dat die vreemdelingen bij terugkeer naar Rwanda in alle gevallen het risico lopen te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Voor zover verzoekster bedoelt te betogen dat verweerder niet redelijk handelt door de behandeling van verzoeksters asielaanvraag niet op de voet van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin (OvD) aan zich te trekken, verwerpt de president dit betoog, nu zulks een ernstige doorkruising van de bevoegdheidsverdeling van de OvD zou meebrengen.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
fungerend president
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
U I T S P R A A K
artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr: AWB 00/68143 VRWET H (voorlopige voorziening)
AWB 00/68144 VRWET H (beroepszaak)
inzake: A, geboren op [...] 1970, van Rwandese nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoekster,
gemachtigde: mr. R.L. Braakman, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. S.A. van Dijk, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.
1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING
1.1 Op 24 september 2000 is verzoekster, samen met haar twee minderjarige kinderen, vanuit Abidjan (Ivoorkust) naar Nederland gereisd met in haar bezit een Rwandees paspoort voorzien van een Schengenvisum afgegeven door de
Portugese autoriteiten in Abidjan op 9 augustus 2000 en geldig vanaf 8 september 2000 tot 30 september 2000. Bij aankomst op de luchthaven Schiphol is verzoekster ex artikel 6 Vw de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten
aanzien van verzoekster is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw toegepast.
1.2 Op 25 september 2000 heeft verzoekster, mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op diezelfde datum, na een eerste gehoor van verzoekster, heeft verweerder
verzoekster bericht voornemens te zijn haar in het kader van de Overeenkomst van Dublin (OvD) te gaan claimen op Portugal. Op 26 september 2000 is verzoekster in verband met dit voornemen van verweerder (nader) gehoord. Op 27
september 2000 heeft verweerder verzoekster bericht dat er geen aanleiding bestaat om af te zien van de claimprocedure. Op 3 oktober 2000 is met betrekking tot verzoekster daadwerkelijk een Dublinclaim bij Portugal gelegd.
1.3 Op 12 oktober 2000 hebben de Portugese autoriteiten verweerder bericht dat zij op grond van de bepalingen van de OvD verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekster.
1.4 Bij beslissing van 16 oktober 2000, aan verzoekster uitgereikt op 18 oktober 2000, heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van verweerder strekt
tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard en tot voortzetting van de aan verzoekster opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Bij genoemde beslissing heeft verweerder
verzoekster voorts medegedeeld dat uitzetting gedurende de periode dat een eventueel in te dienen beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven.
1.5 Bij kennisgeving ex artikel 7a, zesde lid, Vw van 21 oktober 2000 heeft verweerder de rechtbank bericht dat verzoekster sedert ongeveer vier weken in een beveiligde ruimte of plaats verblijft zonder dat zij beroep tegen de
vrijheidsontnememde maatregel heeft ingesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid, Vw.
1.6 Bij beroepschrift van 31 oktober 2000 heeft verzoekster tegen het besluit van verweerder van 16 oktober 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoekster de president van deze
rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep van 31 oktober 2000 is beslist.
1.7 Bij (mondelinge) uitspraak van 2 november 2000 (geregistreerd onder nummer AWB 00/66851 VRWET J) heeft de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep van verzoekster tegen
de jegens haar ten uitvoer gelegde vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.
1.8 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 24 november 2000. Daarbij hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoekster ter zitting
gehoord.
1.9 Op 28 november 2000 heeft de president het onderzoek in de onderhavige zaak heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een zestal bij de president gerezen vragen te beantwoorden over -kort gezegd- de
toepassing van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de Portugese autoriteiten.
1.10 Bij faxbericht van 19 december 2000 heeft verweerder bedoelde vragen van de president beantwoord. Na ontvangst van de reactie van verzoekster op deze beantwoording (op 23 december 2000) heeft de president het onderzoek
gesloten en uitspraak bepaald op heden.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 15b, eerste lid, onder a, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan indien een ander land, Partij bij het Verdrag van Genève
betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1996, 197) ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, tenzij deze
berust op relevante feiten die bij de beslissing door de autoriteiten van dat land geen rol hebben kunnen spelen.
2.4 De onderhavige bestreden beslissing strekt tot niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling van verzoekster wegens de niet-ontvankelijkheid ervan, nu Portugal op grond van de bepaling van de OvD
verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoekster, nu zij bij aankomst in Nederland in het bezit was van een Rwandees paspoort voorzien van een door de Portugese autoriteiten afgegeven Schengenvisum.
2.5 Tussen partijen is uitsluitend in geschil of bij de overdracht van verzoekster aan de Portugese autoriteiten (juiste) toepassing van artikel 3 EVRM gewaarborgd is. Dienaangaande overweegt de president als volgt.
2.6 Bij de heropening van het onderzoek in de onderhavige zaak heeft de president verweerder de volgende vragen voorgelegd, zulks naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7
maart 2000 (gepubliceerd in -onder meer- JV 00/06-36):
1. Welk criterium hanteert de Portugese rechter om vast te stellen of in een concreet geval van (voorgenomen) uitzetting van een vreemdeling sprake kan zijn van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM?
2. Wijkt dit criterium af, en zo ja in hoeverre, van de maatstaf die het EHRM heeft geformuleerd in de arresten Soering en Vilvarajah?
3. Zijn er verschillen tussen de toetsing door de Nederlandse rechter aan artikel 3 EVRM en de Portugese rechter?
3. Is het onder Portugees recht mogelijk dat uitzetting van een vreemdeling plaatsvindt zonder dat door de autoriteiten of de rechter inhoudelijk is beslist ten aanzien van een beroep van de vreemdeling op schending van
artikel 3 EVRM? Zo ja, in welke gevallen?
3a. Zijn er zaken betreffende een (vermeende) schending van artikel 3 EVRM door de Portugese autoriteiten voorgelegd aan het EHRM dan wel de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens?
3b. Zo ja, kunt u dan aangeven wat de stand van zaken of de uitkomst is van de betreffende zaken?
4. Worden momenteel (afgewezen) asielzoekers uit Rwanda door de Portugese autoriteiten verwijderd naar het land van herkomst? Zo ja, wordt daarbij nog een onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen (afgewezen)
asielzoekers?
5. Op welke wijze heeft verweerder uitvoering gegeven aan de uitspraak van deze recht-
bank van 24 mei 2000 in de zaak met kenmerk AWB 00/4623 (zie ook NAV 2000/214)?
2.7 Verweerder heeft bedoelde vragen van de president bij faxbericht van 19 december 2000 beantwoord en ten aanzien van de vragen 1, 2, 3, 3, 3a en 4 verwezen naar een brief van de Portugese autoriteiten, in welke brief -voor
zover hier van belang- het volgende wordt vermeld:
"(...)
Questions 1 and 2
The European Convention on Human Rights is in force under the Portugese legal system under Article 8(2) of the Constitution, which is why Article 3 of the ECHR forms an integral part of Portugese legislation.
Moreover, under Article 63 of Act 15/98 of 26 March 1998, the Asylum Act is interpreted and integrated in accordance with the ECHR.
Portugese legislation also provides for the granting of additional protection arrangements for aliens and stateless persons who "are prevented or feel unable to return to the country of which they are nationals or their
country of habitual residence, for reasons of serious insecurity due (...) to the systematic violation of human rights that occurs there" (Article 8 of Act 15/98 of 26 March 1998). This possibility is based on Article 3 of the ECHR.
Compliance with Article 3 of the ECHR is examined on the basis of application of the criteria laid down for the additional protection arrangements referred to above.
The examination is based on the criterion of real risk. In accordance with the decisions of the Supremo Tribunal Administrativo, in examining the applicability of the arrangements provided for in Article 8 of Act 15/98 of 26
March 1998, account must be taken of the specific case, i.e. examine the extent to which the alien or stateless person can rightly argue that he cannot return to his country of origin or residence owing to a situation of systematic
violation of human rights. This feeling of insecurity must be based on objective facts which are sufficiently serious to endanger life, physical integrity or the personal freedom of the person concerned. Furthermore, they must be
facts concerning the person, judged by an average man's standards and not by the subjective criteria of the person concerned.
Question 3
Article 105 of Law Decree 244/98 states that "expulsion cannot proceed to any country in which the alien might be persecuted based on reasons that, according to the law, justifies the granting of asylum". If he claims to the
Court that his life might be in danger, the expulsion procedure is suspended and an asylum procedure must be started to verify if the Portugese asylum law is applicable, in order to grant him asylum statute or subsidiary protection
(article 8 of asylum law, which is inspired on article 3 of the ECHR).
At the first stage of the asylum procedure (admissibility procedure) the decision is taken by the Director of the Immigration Board. If the claim is not admitted, there is a right of appeal to the National Commissioner for
Refugees (with suspensive effects). If this appeal board decides it negatively, there is still an appeal to the Administrative Court, with no suspensive effects. At the time of this second appeal, that person can be expelled,
because these second appeal hass no suspensive effects.
Although the appeal to the Administrative Court doesn't have suspensive effects, the asylum seeker might ask the Court to suspend that negative decision. If this request is conceded by the Court, the expulsion cannot proceed
and we will have to wait the final decision of the Court. But if the asylum seeker doesn't ask the Court tot suspend the negative decision, he can be expelled pending his appeal to the Court.
Question 3a
We have no registration of cases presented against the Portuguese State, based on violation of article 3 of the ECHR.
Question 4
There's no registration of expulsion of rejected asylum seekers of Rwanda nationality. To most of the asylum seekers who is proved to be of Rwandan nationality a residence permit on humanitarian grounds (article 8 of Law
15/98) is granted".
2.8 De vragen 3b en 5 van de president heeft verweerder in het faxbericht van 19 december 2000 als volgt beantwoord:
(...)
3b) Gezien het antwoord op vraag 3a kan ik deze vraag niet beantwoorden.
5) Het bezwaar in deze zaak is -nadat de betrokken vreemdeling en zijn gemachtigde in de gelegenheid waren gesteld om hun standpunt ten overstaan van een ambtelijke commissie toe te lichten- bij beschikking van 16
oktober 2000 ongegrond verklaard (...).
2.9 De president stelt voorop dat uit het hiervoor aangehaalde arrest van het EHRM van 7 maart 2000 voortvloeit dat in het geval van uitzetting op grond van de OvD voor de vraag of er mogelijk sprake is van (indirect)
refoulement niet langer kan worden verwezen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar zelfstandig dient te worden beoordeeld of door het land waarheen wordt uitgezet toepassing wordt gegeven aan artikel 3 EVRM. Hierbij wijst
de president op de volgende overwegingen van het Europees Hof:
"(...) The Court finds that the indirect removal in this case to an intermediary country, which is also a Contracting State, does not affect the responsibility of the United Kingdom to ensure that the apllicant is not, as a
result of its decision to expel, exposed to treatment contrary to Article 3 of the Convention. Nor can the United Kingdom rely automatically in that context on the arrangements made in the Dublin Convention concerning the
attribution of responsibility between European countries for deciding asylum claims. Where States establish international organisations, or mutatis mutandis international agreements, to pursue co-operation in certain fields of
activities, there may be implications for the protection of fundamental rights. It would be incompatible with the purpose and object of the Convention if Contracting States were thereby absolved from their responsibility under the
Convention in relation to the field of activity covered by such attribution..".
2.10 Uit deze overwegingen vloeit voort dat de overdragende Staat zich er altijd van moet vergewissen dat een vreemdeling niet als gevolg van het besluit hem over te dragen aan een derde land op grond van artikel 15b, eerste lid,
sub a, Vw wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Daarbij is naar het oordeel van de president op zichzelf niet van belang of de vreemdeling in het overnemende land reeds is
uitgeprocedeerd of niet. De zelfstandige toets kan derhalve niet achterwege blijven in het geval er sprake is van een eerste asielaanvraag waarop nog niet onherroepelijk is beslist. In een situatie dat de asielaanvraag van de
vreemdeling in het overnemende land nog in het geheel niet is onderzocht, zal die toetsing met name betrekking moeten hebben op de procedurele waarborgen voor toepassing van artikel 3 EVRM bij de beoordeling van de aanvraag van de
vreemdeling om toelating. Voorts kan van belang zijn het antwoord op de vraag of het betreffende land op grond van artikel 3 EVRM een minder vergaande bescherming biedt dan blijkens de uitleg van dat artikel door het EHRM ten minste
moet worden gegeven. Hoe ver een dergelijke toetsing overigens moet gaan zal uiteraard verder afhangen van hetgeen bekend is over de concrete casus en de -onderbouwing van de- stellingname van de vreemdeling terzake.
2.11 De president is, gezien de inhoud van de door verweerder overgelegde brief van de Portugese autoriteiten, van oordeel dat niet is gebleken dat overdracht van verzoekster aan de Portugese autoriteiten (mogelijk) in strijd is
met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Hierbij heeft de president het navolgende in aanmerking genomen.
2.12 Uit bedoelde brief van de Portugese autoriteiten blijkt dat artikel 3 EVRM met artikel 8(2) van de Portugese Grondwet in de Portugese (nationale) wetgeving is geïncorporeerd. Tevens blijkt uit deze brief dat de Portugese
asielwetgeving wordt geïnterpreteerd in overeenstemming met het EVRM en die wetgeving (ook) bescherming biedt aan vreemdelingen en staatlozen die niet kunnen of willen terugkeren naar hun land van herkomst of hun land van bestendig
verblijf vanwege de onveilige situatie in dat land, welke situatie is ontstaan als gevolg van een systematische schending van mensenrechten.
2.13 Uit genoemde brief van de Portugese autoriteiten kan voorts worden afgeleid dat het criterium dat de Portugese rechter hanteert om vast te stellen of in een concreet geval van (voorgenomen) uitzetting van een vreemdeling
sprake kan zijn van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM overeenkomt met het criterium zoals het EHRM dat heeft geformuleerd in -onder meer- de arresten in de zaken Soering en Vilvarajah en zoals dat ook in de Nederlandse
rechtspraak wordt toegepast. Voorts blijkt uit de door de Portugese autoriteiten verstrekte informatie dat na indiening van een asielaanvraag door een vreemdeling op deze aanvraag een beslissing wordt genomen door de Directeur van
de Immigratiedienst. Tegen een negatieve beslissing van de Directeur kan beroep worden aangetekend bij de "National Commissioner for Refugees", welk beroep schorsende werking heeft. Beslist de "National Commissioner" eveneens in
voor de vreemdeling negatieve zin, dan heeft de vreemdeling nog de mogelijkheid beroep aan te tekenen bij de "Administrative Court". Dit beroep heeft, blijkens de brief van de Portugese autoriteiten, weliswaar in principe geen
schorsende werking, doch de mogelijkheid bestaat om bij de "Administrative Court" een verzoek met die strekking in te dienen. De president trekt hieruit de conclusie dat de Portugese wetgeving procedurele waarborgen bevat voor een
inhoudelijk oordeel door de rechter over de vraag of uitzetting naar het land van herkomst strijd oplevert met het bepaalde in artikel 3 EVRM.
2.14 De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat de Portugese autoriteiten aan asielzoekers afkomstig uit Rwanda niet, net als hier te lande, een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verlenen, leidt voorts niet
tot een ander oordeel. Hierbij is in aanmerking genomen dat aan de verlening door verweerder van vvtv's aan vreemdelingen afkomstig uit Rwanda niet ten grondslag ligt dat die vreemdelingen bij terugkeer naar Rwanda in alle gevallen
het risico lopen te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Indien van dit laatste sprake zou zijn, dan zou verweerder aan vreemdelingen afkomstig uit Rwanda (in ieder geval) een vergunning tot
verblijf wegens het bestaan van klemmende redenen van humanitaire aard dienen te verlenen en niet "slechts" over kunnen gaan tot verlening van een vvtv. Dat de Portugese autoriteiten uitgeprocedeerde vreemdelingen afkomstig uit
Rwanda (mogelijk) terugsturen naar dat land betekent derhalve niet zonder meer dat die autoriteiten daarmee handelen in strijd met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Voorzover verzoekster bedoelt te betogen dat verweerder niet redelijk
handelt door de behandeling van verzoeksters asielaanvraag niet op de voet van artikel 3, vierde lid, OvD aan zich te trekken, nu overdracht van verzoekster aan de Portugese autoriteiten niet uitsluit dat verzoekster wordt
teruggestuurd naar Rwanda, een land waarvoor verweerder zelf, gelet op de algehele situatie aldaar, een vvtv-beleid voert, verwerpt de president dit betoog. Indien een dergelijke verplichting voor verweerder uit artikel 3, vierde
lid, OvD zou voortvloeien, zou dit een ernstige doorkruising van de bevoegdheidsverdeling van de OvD meebrengen. Het ligt dan ook niet voor de hand dat de verdragsluitende Staten de bedoeling hebben gehad met artikel 3, vierde lid,
OvD in een situatie als de onderhavige een verplichting tot het inbehandeling nemen van een asielaanvraag te creëren.
2.15 Op grond van het voorgaande stelt de president vast dat er geen aanwijzingen zijn dat de in de Portugese wetgeving geboden bescherming tegen een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM niet voldoet aan de eisen die daaraan
in het kader van het EVRM kunnen en moeten worden gesteld. Het is dan ook niet aanemelijk geworden dat er een reëel risico bestaat dat de Portugese autoriteiten vreemdelingen in strijd met artikel 3 EVRM zullen behandelen of
verwijderen.
2.16 Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De president ziet derhalve aanleiding om
met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Dit brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.
2.17 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.
3. BESLISSING
De fungerend president:
3.1 verklaart het beroep ongegrond;
3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bierling als
griffier.
afschrift verzonden op: 23 januari 2001
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.