Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0349

Datum uitspraak2000-12-22
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/72940, 00/72923
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv-vereiste / tewerkstellingsvergunning. Nu verzoeker reeds per 15 december 2000 zijn werkzaamheden bij referent had kunnen aanvangen en hiervoor een tewerkstellingsvergunning is verleend, is de spoedeisendheid van het verzoek een gegeven. Met betrekking tot de vraag of verweerder gerechtigd is om, voordat tot afgifte van de verzochte mvv’s wordt overgegaan, te verlangen dat verzoeker, die in het bezit is van een geldig nationaal paspoort, een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte overlegt aan de Nederlandse vertegenwoordiging te New Delhi, overweegt de president als volgt. Onder verwijzing naar de uitspraak AWB 00/63991 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 8 december 2000, oordeelt de president dat een dergelijk vereiste niet kan worden gebaseerd op enige wettelijke bepaling noch op enige kenbare beleidsregel, zodat reeds daarom de weigering om de verzochte mvv’s te verlenen berust op een ondeugdelijke motivering. Daarnaast is niet gebleken van enige concrete aanwijzing op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de identiteit van verzoeker, die zou nopen tot nader onderzoek. Dit klemt temeer nu verzoeker, alsmede zijn echtgenote en hun beider kind, van 1997 tot en met 1999 ook verblijf in Nederland heeft gehad voor werkzaamheden van verzoeker bij hetzelfde bedrijf als thans aan de orde. Voorts is van belang dat verzoekers in die periode opgenomen zijn geweest in de GBA. Toewijzing verzoeken.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht president Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 22 december 2000 artikel 8:84, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg. nr.: AWB 00/72940 MVV & AWB 00/72923 OVERIO inzake: A, geboren op [...] 1967, van Indiase nationaliteit, B, geboren op [...] 1973, van Indiase nationaliteit en C, geboren op [...] 1998, van Indiase nationaliteit, wonende te New Delhi, verzoekers, gemachtigde: mr. M. Tjebbes, advocaat te Amsterdam, tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde: drs. J. de Boer, ambtenaar bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. I. PROCESVERLOOP 1. ISIT ICT Services B.V., verder te noemen referent, heeft op 19 september 2000 bij de korpschef van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek verzocht om een ambtshalve advies omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van verzoekers. De korpschef heeft op 6 november 2000 een positief advies afgegeven aan de Visadienst. De Visadienst heeft dit advies op 16 november 2000 overgenomen. Bij brief van dezelfde datum heeft de Visadienst aan referent, alsmede aan de Nederlandse vertegenwoordiging te New Delhi, India, medegedeeld dat er geen bezwaar bestaat tegen de afgifte van de mvv, tenzij nader bekend geworden feiten en omstandigheden hieraan in de weg staan. Bij brief van 30 november 2000 heeft verweerder te kennen gegeven dat niet wordt overgegaan tot afgifte van de mvv dan nadat verzoeker een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte heeft overgelegd. Tegen deze beslissing is namens verzoekers bij bezwaarschrift van 1 december 2000 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn verder aangevuld bij brief van 8 december 2000. 2. Bij verzoekschrift van 1 december 2000 is namens verzoekers verzocht een onverwijlde voorziening te treffen in die zin dat wordt verzocht om verzoekers te behandelen als waren zij in het bezit van de gevraagde mvv. Op 8 december 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 14 december 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Verzoekers hebben hun standpunt nog nader onderbouwd bij brieven van 14 december 2000 en 18 december 2000. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2000. Verzoekers zijn aldaar vertegenwoordigd door mr. M. Tjebbes. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. II. STANDPUNTEN PARTIJEN 1. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij het verkrijgen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek niet ontvankelijk behoort te worden verklaard. Hetgeen verzoekers middels de voorlopige voorzieningsprocedure beogen te verkrijgen, dient immers middels een (versnelde) bodemprocedure bij de rechtbank verkregen te worden. Verweerder acht de handelwijze van verzoekers dan ook in strijd met het systeem van de wet. Dit klemt te meer nu de beslistermijn in bezwaar nog niet is verstreken. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat van verzoekers niet kan worden verlangd het namens hen ingediende bezwaar in het land van herkomst af te wachten. Verweerder merkt voorts op dat de naar voren gebrachte belangen niet als belangen van verzoekers aangemerkt kunnen worden. Het betreft hier namelijk belangen van een derde, te weten ISIT ICT Services, referent in de onderhavige procedure. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat niet valt in te zien waarom de Nederlandse vertegenwoordiging in New Delhi niet de eis zou kunnen stellen dat verzoeker een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte dient over te leggen. Bij een mvv-verlening mag immers geen twijfel bestaan over de identiteit van de aanvrager. In dit verband dient altijd het zogenaamde brondocument, in casu de geboorteakte, als uitgangspunt te dienen. Aangezien India door verweerder is gekwalificeerd als „probleemland“ op het gebied van schriftelijk bewijs dient een geboorteakte inhoudelijk geverifieerd te worden. Voor zover door de Visadienst in de referentenprocedure wordt medegedeeld dat geen bezwaar bestaat tegen de afgifte van een mvv is dat altijd onder het voorbehoud dat na indiening van de feitelijke aanvraag van een mvv bij de Nederlandse vertegenwoordiging, de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld en dat er geen sprake is van nader bekend geworden feiten of omstandigheden, die tot een ander oordeel leiden. Dat verzoekers eerder tot Nederland zijn toegelaten, leidt in dit verband niet tot een ander oordeel, nu het in casu een nieuwe aanvraag om afgifte van een mvv betreft. De door verzoekers aangehaalde uitspraak van de president van deze rechtbank, zittinghoudende te ’s Hertogenbosch van 8 december 2000 (AWB 00/63991 S1813) kan niet worden gevolgd nu het vast beleid is van verweerder dat in probleemlanden paspoorten niet kunnen worden gebruikt om de identiteit van de persoon in kwestie vast te stellen. Voorts kan in dit specifieke geval niet gesteld worden dat het verificatie- en legalisatiebeleid voor verzoekers niet kenbaar was nu in het kader van hun eerdere verblijfsaanvraag een geboorteakte en een huwelijksakte ter legalisatie aan de ambassade zijn aangeboden. 2. Verzoekers menen dat verweerder ten onrechte de gevraagde mvv heeft geweigerd. Daartoe stellen verzoekers zich op het standpunt dat verweerder die aanvraag middels zijn brief van 30 november 2000 alsnog niet heeft ingewilligd. Verzoekers hebben een groot spoedeisend belang bij een spoedige overkomst en derhalve bij de onderhavige voorlopige voorziening. Verzoeker is per 15 december 2000 gedetacheerd bij het bedrijf D Technologies te E. Ten behoeve van verzoeker is een tewerkstellingsvergunning afgegeven. Indien referent zijn verplichtingen ten opzichte van D niet kan nakomen zal dit tot een winstderving van f 300.000,- kunnen leiden. Voorts zou het onthouden van een mvv tot gevolg kunnen hebben dat verzoekers arbeidsplaats niet langer voor hem kan worden opengehouden. Met betrekking tot het bestreden besluit zijn verzoekers van mening dat voor de door verweerder gestelde eis van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte geen wettelijke grondslag bestaat en deze eis evenmin berust op enige beleidsregel. De legalisatiecirculaire van 12 januari 2000 heeft uitsluitend betrekking op de noodzaak van legalisatie en verificatie ten aanzien van de staat van personen, het betreft geenszins een toelatingsvoorwaarde. In de bundel Consulaire Voorschriften 2000 kan ook niets met betrekking tot een dergelijk eis worden teruggevonden. Het argument van verweerder dat verzoekers identiteit vast moet staan alvorens tot mvv-afgifte kan worden overgegaan, snijdt geen hout nu verzoekers paspoort hiertoe voldoende kan worden geacht. Verzoekers verwijzen hierbij naar een uitspraak van de president van deze rechtbank, zittinghoudende te ’s Hertogenbosch van 8 december 2000 waarin is bepaald dat er geen sprake is van kenbaar beleid voor zover de eis wordt gesteld dat verzoeker een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte dient over te leggen, naast een geldig paspoort. III. OVERWEGINGEN 1. Ingevolge artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. 2. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. In artikel 8:81 Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. De president stelt vast, hetgeen ook niet door verweerder is bestreden, dat verzoekers voldoen aan alle voorwaarden tot toelating tot Nederland. 4. Gezien het feit dat verzoeker per 15 december 2000 zijn werkzaamheden bij referent had kunnen aanvangen, voor die werkzaamheden een tewerkstellingsvergunning is verleend, en verzoeker ontegenzeggelijk belang heeft bij het alsnog kunnen aanvangen van die werkzaamheden, is naar het oordeel van de president reeds daarmee, wat er verder ook zij van de belangen van referent in deze, de spoedeisendheid van het verzoek gegeven. 5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder gerechtigd is om, voordat tot afgifte van de verzochte mvv's wordt overgegaan, te verlangen dat verzoeker, die in het bezit is van een geldig nationaal paspoort, een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte overlegt aan de Nederlandse vertegenwoordiging te New Delhi. 6. De president is van oordeel, waarbij wordt verwezen naar de uitspraak van de president van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 december 2000 (AWB 00/63991 S1813), dat een dergelijke vereiste niet kan worden gebaseerd op enige wettelijke bepaling noch op enige kenbare beleidsregel, zodat reeds daarom de weigering om de verzochte mvv's te verlenen, berust op een ondeugdelijke motivering. Daarnaast is niet gebleken van enige concrete aanwijzing op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de identiteit van verzoeker, die zou nopen tot nader onderzoek naar die identiteit. Dit klemt temeer nu verzoeker in het recente verleden, namelijk van 1997 tot en met 1999, ook verblijf in Nederland heeft gehad voor werkzaamheden bij hetzelfde bedrijf als thans aan de orde, en dat in die periode verzoekster, alsmede hun beider kind, tot Nederland zijn toegelaten, waarbij aan alle formaliteiten is voldaan, waaronder het overleggen van geboorteakten en een huwelijksakte, welke tevens hebben geleid tot inschrijving in de GBA. 7. Gezien het voorgaande is de president van oordeel dat in het kader van de belangenafweging aan het spoedeisend belang van verzoekers tot het treffen van een voorlopige voorziening meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van verweerder bij afwijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden toegewezen. 8. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand. 9. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president. IV BESLISSING De president 1. wijst de verzoeken toe in die zin dat verweerder verzoekers dient te behandelen als waren zij in het bezit gesteld van een mvv; 2. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoekers; 3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoekers betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderdenvijfentwintig gulden). mr. C. de Man mr. J.P. Smit griffier fungerend president Afschrift verzonden op: 15 januari 2001 Conc.: JPS/CM Coll: Bp: - D:B