Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0342

Datum uitspraak2000-10-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers99/2828
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij een aanslag afvalstoffenheffing doen het elders deponeren van het weinige afval en het niet beschikken over een eigen vuilcontainer niet af aan het voldoen aan het belastbare feit: het feitelijk gebruik maken van een perceel.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Dertiende Enkelvoudigde Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te P , belanghebbende, tegen een uitspraak van het hoofd van de afdeling Heffingen en invordering van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 1 september 1999, ingediend door A. als gemachtigde en aangevuld bij brief van 11 oktober 1999. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, verzonden 19 augustus 1999, betreffende de aanslag in de afvalstoffenheffing voor het jaar 1999. Aan belanghebbende was een aanslag opgelegd tot een bedrag van f 423. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en van de bestreden belastingaanslag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert uiteindelijk tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de bestreden aanslag tot een bedrag van f 384. Ter zitting van 20 juli 2000 zijn verschenen belanghebbende en diens gemachtigde, alsmede namens verweerder mr. P., tot bijstand vergezeld van M. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en (met 1 bijlage) overgelegd. Verweerder heeft van de bijlage kennis kunnen nemen en heeft zich erover kunnen uitlaten. De pleitnota en de bijlagen worden tot de gedingstukken gerekend. Op 3 augustus 2000 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 4 augustus 2000 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij fax van 23 augustus 2000 heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht is op 20 september 2000 op de rekening van het Hof bijgeschreven. 2. Tussen partijen vaststaande feiten Belanghebbende maakte in het onderhavige jaar feitelijk gebruik van het perceel a-straat 1 te P. Ten aanzien van dit perceel was de gemeente verplicht tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Belanghebbende beschikt niet over een vuilcontainer. In 1993 is de afvalemmer weggehaald. 3. Geschil Tussen partijen is in geschil of de aanslag afvalstoffenheffing voor het onderhavige jaar terecht aan belanghebbende is opgelegd. Voorts is in geschil of belanghebbende aan een mededeling van de gemeente het in rechte te honoreren vertrouwen mag ontlenen dat hem geen aanslag zou worden opgelegd. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Ter zitting heeft de gemachtigde alsnog verklaard: Telkens als er een aanslag werd opgelegd en belanghebbende bezwaar maakte, werd de aanslag vernietigd. Ter zitting heeft verweerder alsnog verklaard: De heffing is afhankelijk van de grootte van de container. Als er geen container aanwezig is, wordt geheven naar het laagste tarief. Er is geen sprake van differentiatie naar de samenstelling van een huishouden. Er zijn alleen groene of grijze containers. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende kan zich met de hem opgelegde aanslag niet verenigen en verzoekt - naar het Hof begrijpt - de uitspraak en de aanslag te vernietigen omdat hij geen gebruik maakt van de gemeentelijke diensten tot het ophalen van afval. Belanghebbende, die zelf niet beschikt over een vuilcontainer, deponeert - naar hij stelt - het weinige afval dat hij heeft ofwel in een vuilcontainer van een buurman danwel in een container van een horecagelegenheid. 5.2. Gelet op artikel 2 van de Verordening op afvalstoffenheffing 1999 (hierna: de Verordening) wordt de onderhavige belasting geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijk afvalstoffen geldt. 5.3. Nu niet in geschil is dat belanghebbende feitelijk gebruiker is van het perceel a-straat 1 te P, ten aanzien van welk perceel een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijk afvalstoffen bestaat is de bestreden aanslag dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. De stelling van belanghebbende, dat hij zijn weinige afval elders deponeert en dat hij niet over een eigen vuilcontainer beschikt, doet daaraan niet af. 5.4. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat hij - gelet op de mededeling van de gemeente na het weghalen van de afvalemmer in 1993 - erop mocht vertrouwen dat hem geen aanslag zou worden opgelegd, baat die stelling belanghebbende niet. In het onderhavige geval gaat het immers om een andere belasting met een ander belastbaar feit dan in de jaren dat aan belanghebbende een aanslag reinigingsrecht werd opgelegd. 5.5. Het gelijk is derhalve aan verweerder met dien verstande evenwel dat de aanslag, overeenkomstig de conclusie van verweerder, dient te worden verminderd tot een bedrag van f 384 als bedoeld in artikel 1.1.van de Tarieventabel behorende bij voormelde Verordening. 6. Proceskosten Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures komen in het onderhavige geval hiervoor in aanmerking: 2x f 710 (voor proceshandelingen) en 0,25 (voor gewicht van de zaak =) f 355. 7. Beslissing Het Hof: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de bestreden uitspraak; vermindert de aanslag tot een bedrag van f 384; gelast verweerder het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden en veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 355 en wijst de gemeente Haarlemmermeer aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen. Aldus is de uitspraak schriftelijk vastgesteld op 27 oktober 2000 ter vervanging van de mondelinge uitspraak, gedaan door mr. Kwantes , in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.