Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0340

Datum uitspraak2001-02-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers97/20244
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mogelijkheid verhaal van saneringskosten brengt mee dat aan de onroerende zaak op sterk vervuilde grond geen negatieve waarde kan worden toegekend.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 16 juli 1997, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 9 juni 1997, betreffende de aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1991. Het beroepschrift is aangevuld bij brieven van 11 oktober 1997 en 23 januari 1998. De aanslag ad ¦ 2.752, berekend naar een belastbaar vermogen van ¦ 553.000, is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en conclu-deert tot - naar het Hof begrijpt - vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot ƒ 1.542, overeenkomstig de ambtshalve verleende vermindering van 13 maart 1998, waarbij het belastbaar vermogen is vastgesteld op ƒ 439.000 en een volgens de evenredigheidsmethode berekende aftrek elders belast is verleend voor ƒ 71.000 onder handhaving van de overige elementen van de aanslag. Ter zitting van 3 december 1998 zijn belanghebbende en de inspecteur verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft afschriften overgelegd van uitspraken van de Vierde Meervoudige Belastingkamer van dit Hof, kenmerknummers 96/3242 en 96/3280, alsmede van evengenoemde ambtshalve genomen verminderingsbeschikking. Alle overgelegde stukken worden tot de gedingstukken gerekend. Ter zitting is gelijktijdig behandeld het door belanghebbende ingestelde beroep inzake de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, welk beroep bij het Hof is geadministreerd onder kenmerknummer 97/20237. Na de zitting heeft tussen Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14 en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een verzoek in te dienen voor een tweede mondelinge behandeling van het beroep. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende had in het onderhavige jaar het genot krachtens eigendom en het feitelijke gebruik van het pand A-straat 1 te Q. Sinds 1970 was de moeder eveneens genothebbende krachtens eigendom van het naastgelegen pand A-straat 2. 2.1.2. In het pand A-straat 1 zijn door de moeder tot 1979 kamers verhuurd. Het pand A-straat 2 werd tot medio 1978 gemeubileerd verhuurd. Na de verhuur werd het pand enige tijd door krakers bewoond. Beide panden grenzen aan het perceel A-straat 3-4 alwaar een garagebedrijf wordt geëxploiteerd. 2.1.3. In 1992 hebben twee ambtenaren van de Belastingdienst het pand A-straat 2 bezocht. Hun bevindingen hebben zij schriftelijk meegedeeld aan belanghebbende. Eveneens in dat jaar heeft de moeder aan de inspecteur meegedeeld dat haar zoon als bewoner van het pand A-straat 2 is ingeschreven. In 1993 heeft een door de Belastingdienst Registratie en Successie verrichte taxatie plaatsgevonden van de onroerende zaken A-straat 1 en 2. 2.1.4. De onder 1 vermelde uitspraken van het Hof betreffen de voor de heffing van onroerende-zaakbelastingen in aanmerking te nemen waarde van de panden A-straat 1 en 2 op de waardepeildatum 1 januari 1991, welke bij deze uitspraken is gesteld op respectievelijk ¦ 118.000 en ¦ 93.000. Tot de gedingstukken in die procedures behoort een in opdracht van het Hof door A, makelaar in en taxateur van onroerende zaken te R, uitgebracht schriftelijk verslag omtrent de waarde van voornoemde panden. De door belanghebbende tegen deze uitspraken ingestelde beroepen in cassatie zijn door de Hoge Raad bij arresten van 25 juli 2000 ongegrond verklaard. 2.2.1. Bij het regelen van de aanslag heeft de inspecteur de waarde van de onroerende zaken A-straat 1 en 2 in vrij opleverbare staat gesteld op respectievelijk ƒ 90.000 en ƒ 60.000. 2.3.1. Bij brief van 7 november 1997 heeft de inspecteur belanghebbende nader bericht gestuurd inzake de bezwaarschriften 1990 e.v., ten name van de moeder. In deze brief heeft de inspecteur op bladzijde 3, tweede alinea het volgende geschreven: “U beroept zich op de omstandigheid dat voor de vermogensbelasting 1994 en 1995 wel rekening is gehouden met de aftrek elders belast. Bij u zou het vertrouwen gewekt zijn dat dit ook zou moeten gebeuren met de inkomsten- en vermogensbelasting over 1990 tot en met 1993. Ik ben het niet helemaal met u eens. Toch zal ik aan uw wensen tegemoet komen.”. Aan het slot van deze brief is het volgende opgenomen: “Samenvattend kom ik tot het volgende: Voor de inkomstenbelasting is over 1990 t/m 1992 aan uw moeder een aftrek elders belast toegezegd door mw. B. Voor de vermogensbelasting zal ik alsnog de gevraagde aftrek elders belast op het buitenlands vermogen voor de jaren 1991 t/m 1993 toestaan. Tevens zeg ik u toe dat ik de gevraagde aftrek elders belast op het vermogen ook toe zal staan voor de vermogensbelasting 1996. De afschrijving op de inboedel van het pand A-straat 2 sta ik niet toe. De waarde in het economisch verkeer van de panden A-straat 1 en 2 stel ik vast op nihil. Vanaf 1 januari 1997 zal de waarde van beide panden worden bepaald door de WOZ-beschikking die u van de gemeente ontvangt.”. Bij brief van 22 januari 1998 heeft de inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende meegedeeld: “.(...) Vermogensbelasting. Door de nihilstelling van de waarde van de panden worden de vermogens van 1991 t/m 1995 verlaagd. Voor de jaren 1991 t/m 1993 wordt aftrek elders belast toegepast: -1991 vermogen vastgesteld op ƒ 439.729, aftrek elders belast voor ƒ 71.280; ...”. 2.3.3. Bij brief van 22 december 1998 heeft de inspecteur aan het Hof onder meer het volgende bericht: “Op 5 december heeft de eerste zitting (...) plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft belanghebbende protest aangetekend tegen de ambtshalve vermindering VB 1991. (...) Belanghebbende is van mening dat de aftrekmethode toegepast dient te worden, i.p.v. de toegepaste evenredigheidsmethode. (...). Hoewel in principe de evenredigheidsmethode van toepassing is, zal alsnog de aftrekmethode toegepast worden ten aanzien van de vermindering VB in bovengenoemde jaren.”. 3. Geschil Tussen partijen is in geschil de waarde van de onroerende zaken A-straat 1 en 2. 4. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld. Ter zitting is daaraan nog toegevoegd door en/of namens belanghebbende: Ik kan alleen maar het standpunt innemen dat ik het bezwaarschrift heb ingediend te zamen met het bezwaarschrift inzake de inkomstenbelasting. Nu de belastingdienst zelf zegt dat ik dit tijdig heb gedaan, zie ik niet waarom ik moet aantonen dat ik het bezwaarschrift tijdig heb verzonden. de inspecteur: Ik heb geen exemplaar van het oorspronkelijke bezwaarschrift. Het is waarschijnlijk tegelijk met het bezwaarschrift voor de inkomstenbelasting binnengekomen. De huidige eigenaar is onschuldig eigenaar omdat de kosten verhaalbaar zijn. Ook al is het huis onverkoopbaar, een negatieve waarde heeft het niet. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Nu partijen zich gezamenlijk op het standpunt stellen dat tegen de onderhavige aanslag tijdig bezwaar is gemaakt, acht het Hof de enkele omstandigheid dat het daarop betrekking hebbende geschrift niet tot de gedingstukken behoort, onvoldoende voor een ander oordeel. 5.2. Belanghebbende stelt dat de waarde van de onroerende zaken A-straat 1 en 2 negatief is. Hij voert daartoe aan de eigenaar van deze panden aansprakelijk is voor de kosten van de sanering. De inspecteur heeft dit betwist en gesteld dat belanghebbende als eigenaar de kosten van de sanering kan verhalen. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de panden nihil is, omdat voor een nieuwe eigenaar dit verhaalsrecht niet geldt en de panden derhalve onverkoopbaar zijn. Het Hof acht belanghebbende tegenover deze gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de panden een negatieve waarde in het economische verkeer hebben. Het gelijk is op dit punt mitsdien aan de inspecteur. 5.3. In zijn brief van 22 december 1998 concludeert de inspecteur tot het alsnog toepassen van de aftrekmethode met betrekking tot het buitenlandse vermogen. Het Hof heeft geen reden de inspecteur hierin niet te volgen en beslist dienovereenkomstig. 5.4. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het bij de ambtshalve verminderingsbeschikking vastgestelde vermogen ad ƒ 439.000 moet worden verminderd met ƒ 71.000 tot ƒ 368.000. 6. Proceskosten Nu de inspecteur in de procedure met kenmerk 97/20237 reeds is veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten ten behoeve van het bijwonen van de mondelinge behandeling, en overige kosten gelet op het bepaalde in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures niet voor vergoeding in aanmerking komen, laat het Hof een veroordeling tot vergoeding van reis- en verletkosten ten behoeve van dezelfde mondelinge behandeling in het onderhavige geval achterwege. 7. Beslissing Het Hof -verklaart het beroep gegrond, -vernietigt de uitspraak, -vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 368.000 en -gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad ƒ 80 aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is vastgesteld op 23 februari 2001 door mr. Onnes, lid van de Belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Beroep in cassatie Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener; b) de dagtekening; c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.