
Jurisprudentie
AB0338
Datum uitspraak2001-02-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/71
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/71
Statusgepubliceerd
Indicatie
Belanghebbende ontkent een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd met een persoon die stond ingeschreven op hetzelfde adres als belanghebbende. Het ligt vervolgens op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat hiervan wel sprake is.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Eerste Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P (hierna: de inspecteur), gedagtekend 20 december 1999, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997.
Het beroep is behandeld ter zitting van 7 februari 2001.
Beslissing
Het Hof
verklaart het beroep gegrond
vernietigt de bestreden uitspraak
vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 35.431 met toepassing van tariefgroep 5
gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden, en
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 1.420 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.
Gronden
1. Belanghebbende, geboren in 1970, heeft over het jaar 1997 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ¦ 32.743.
2. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen verhoogd met een bedrag van ¦ 2.688. Tevens heeft de inspecteur belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 2 in plaats van in tariefgroep 5 zoals door belanghebbende was aangegeven. Belanghebbende maakt bezwaar tegen de correctie inzake de tariefgroep.
3. De inspecteur stelt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan om in tariefgroep 5 te kunnen worden ingedeeld. De inspecteur voert aan dat belanghebbende volgens de gegevens ontleend aan het bestand Beheer van Relaties (hierna: het Bestand) met meerdere personen stond ingeschreven op achtereenvolgens twee adressen gedurende geheel 1997.
De inspecteur vermoedt dat belanghebbende een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met A, die ook stond ingeschreven op beide adressen waar belanghebbende achtereenvolgens woonde in 1997 volgens de gegevens uit het Bestand. Belanghebbende stelt dat zij moet worden ingedeeld in tariefgroep 5. Belanghebbende wijst erop dat zij een huurovereenkomst heeft gesloten met A en dat van een gezamenlijke huishouding tussen hen beide geen sprake is.
4. Op grond van artikel 54, onderdeel e juncto artikel 55, vijfde en zesde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997) kan een belastingplichtige in tariefgroep 5 worden ingedeeld indien hij, ongehuwd zijnde, in het kalender jaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met een kind of pleegkind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden, en hij deze huishouding gedurende die tijd heeft gevoerd met geen ander dan kinderen of pleegkinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt, en hij bovendien werkzaamheden buiten zijn huishouden heeft verricht en in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een kind heeft behoord dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt.
5. Vaststaat dat belanghebbende in 1996 met haar dochter, geboren in 1994, duurzaam gescheiden is gaan leven van haar echtgenoot XY, van wie zij op 15 mei 1997 is gescheiden, dat zij huisvesting heeft gevonden op achtereenvolgens vier verschillende adressen in Amsterdam en dat op twee daarvan behalve belanghebbende en haar dochter ten minste nog twee dezelfde personen waren ingeschreven. Het ligt alsdan op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende met één van die andere personen, te weten A een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Hiervoor is niet toereikend het enkele gegeven dat belanghebbende volgens het bestand stond ingeschreven op achtereenvolgens twee adressen, alwaar A eveneens stond ingeschreven.
6. Nu de inspecteur geen verdere gegevens heeft aangedragen en belanghebbende ontkent dat zij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met in het bijzonder A, acht het Hof de inspecteur niet geslaagd in het bewijs dat belanghebbende met A een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
7. Gezien het hiervoor overwogene is het gelijk aan belanghebbende.
Proceskosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten gesteld op ¦ 1.420, te weten ¦ 710 x 2 (voor proceshandelingen) x 1 (voor gewicht).
De uitspraak is gedaan op 20 februari 2001 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.