
Jurisprudentie
AB0330
Datum uitspraak2000-12-12
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/72530 VRONTO J
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/72530 VRONTO J
Statusgepubliceerd
Indicatie
Artikel 7a Vw / criminele antecedenten.
Blijkens de tekst en de systematiek van hoofdstuk B7/14 van de Vc-1994 - en dan met name het vierde gedachtestreepje - wordt bij toepassing dan wel voortzetting van de maatregel ex artikel 7a Vw door verweerder gedacht aan een situatie waarin overduidelijk is dat de aanvraag om toelating als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk kan worden afgedaan. Dit hoofdstuk is kennelijk niet geschreven voor een asielzoeker als de onderhavige, waarbij criminele antecedenten mogelijk aan de orde zijn en nader onderzoek daarnaar moet plaatsvinden. Niet in te zien valt, en door verweerder is dit ook met zoveel woorden erkend, wat de toegevoegde waarde is van de resultaten van dat onderzoek bij de bepaling of sprake is van een kennelijk ongegronde of niet-ontvankelijke aanvraag. Geoordeeld wordt dan ook dat hoofdstuk B7/14, vierde gedachtestreepje, Vc-1994, geen grondslag biedt voor het nadere onderzoek naar de criminele antecedenten van de vreemdeling. Door verweerder is ontoereikend gemotiveerd waarom van het gevoerde beleid is afgeweken.
Volgt gegrondverklaring van het beroep tegen de voortzetting van de maatregel ex artikel 7a Vw en toekenning van het verzoek om schadevergoeding.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
U I T S P R A A K
ex artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr: AWB 00/72530 VRONTO J
inzake: A, geboren op [...]1971, van Turkse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.
Zitting: 7 december 2000.
De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. P.C. Maes.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 Op 25 november 2000 is de vreemdeling ex artikel 6 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a,
tweede en derde lid, Vw toegepast.
1.2 Op 27 november 2000 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij brief van 27 november 2000 heeft verweerder aangegeven aanleiding te zien de maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw
voort te zetten op grond van de Vreemdelingencirculaire (Vc) B 7/14, vierde gedachtestreepje.
1.3 Bij beroepschrift van 28 november 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot het toekennen
van schadevergoeding.
1.4 Nadat het onderzoek ter zitting op 7 december 2000 was gesloten, heeft de rechtbank op diezelfde datum het onderzoek heropend en verweerder verzocht zich uit te laten over een aantal vragen. Verweerder heeft op 8 december
2000 op dit verzoek gereageerd, waarop de gemachtigde van de vreemdeling op 11 december 2000 zijn reactie op het schrijven van verweerder heeft gegeven. Het onderzoek is met instemming van partijen zonder nadere zitting gesloten.
2. Overwegingen
2.1 De rechtbank gaat voor de beoordeling van dit geschil uit van de volgende feiten. De vreemdeling is op 25 november 2000 op Schiphol aangekomen zonder in het bezit te zijn van een geldig paspoort. Om die reden is hem de
verdere toegang tot Nederland geweigerd en heeft verweerder ten aanzien van hem de maatregel ex 7a Vw toegepast. De vreemdeling heeft te kennen gegeven asiel aan te vragen in Nederland. Daartoe is op 26 november 2000 een eerste
gehoor van hem afgenomen. Om de vreemdeling in staat te stellen met een rechtshulpverlener te spreken is het eerste gehoor onderbroken en op 27 november 2000 afgerond. Op 27 november 2000 heeft verweerder de ten aanzien van de
vreemdeling op 25 november 2000 opgelegde maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw voortgezet en de vreemdeling geplaatst in het Grenshospitium. Verweerder heeft de voortzetting van de maatregel gemotiveerd onder verwijzing
naar hoofdstuk B7/14 Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), vierde gedachtestreepje. Op grond van het aldaar vermelde criterium kan de vrijheidsontnemende maatregel worden voortgezet in het geval "ten aanzien van de asielzoeker, zijn
identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten nader onderzoek of analyse noodzakelijk is, teneinde te bepalen of sprake is van een kennelijk ongegronde of niet-onvankelijke aanvraag".
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat nader onderzoek door verweerder gericht is op het verkrijgen van informatie over criminele antecedenten van de vreemdeling in Duitsland naar
aanleiding van de signalering van de vreemdeling door Duitsland in het Nationaal Schengen Informatie Systeem (NSIS).
2.2 Het vorenstaande is voor de rechtbank aanleiding geweest om verweerder, bij schrijven van 7 december 2000, te verzoeken:
- gemotiveerd aan te geven waarom het onderzoek naar de criminele antecedenten van de vreemdeling begrepen moet worden onder het onderzoek als bedoeld onder het vierde gedachtestreepje van hoofdstuk B7/14 Vc,
en voorts
- wat de eventueel uit Duitsland te verkrijgen informatie toevoegt ter bepaling of er sprake is van een kennelijk ongegronde of niet ontvankelijke aanvraag als bedoeld in het vierde gedachtestreepje in Vc B7/14.
2.3 Verweerder heeft in zijn schrijven van 8 december 2000 in herinnering gebracht dat de vreemdeling zich bij de Nederlandse autoriteiten op de luchthaven Schiphol als asielzoeker heeft gemeld zonder over enige documenten te
beschikken waaruit zijn nationaliteit en identiteit blijkt. Voorts heeft verweerder niet kunnen vaststellen welke reisroute de vreemdeling heeft afgelegd omdat deze bij herhaling heeft geweigerd informatie hierover te verstrekken
met als gevolg dat hij daarmee onderzoek naar de vaststelling of Nederland verantwoordelijk is voor behandeling van zijn asielaanvraag onmogelijk heeft gemaakt. Nu de vreemdeling heeft verklaard A te zijn en in Duitsland als
asielzoeker en strafrechtelijk vervolgde bekend is, is het Nationaal Schengen Informatie Systeem (NSIS) het enige aanknopingspunt om informatie omtrent zijn nationaliteit en identiteit te verkrijgen. Op grond van deze informatie
heeft verweerder dan ook besloten met onderzoek naar de signalering en mogelijke antecedenten van de vreemdeling klaarheid te krijgen over de relatie tussen hem en de door hem gevoerde personalia. De toegangsweigering in combinatie
met de maatregel als bedoeld in artikel 7a, tweede en derde lid, Vw is dan ook terecht gehandhaafd. Overigens zijn, aldus verweerder, criminele antecedenten op zichzelf geen reden om een aanvraag als kennelijk ongegrond of niet
ontvankelijk aan te merken.
2.4 De gemachtigde heeft in zijn reactie bij schrijven van 11 december 2000 aangevoerd dat het bedoelde vierde gedachtestreepje in hoofdstuk B7/14 Vc zich richt op nader onderzoek van identiteit, nationaliteit, asielrelaas of
overgelegde documenten ten einde te bepalen of sprake is van een kennelijk ongegronde of niet ontvankelijke aanvraag. Het nader onderzoek naar criminele antecedenten in Duitsland zal niet tot meer informatie omtrent dit oordeel
kunnen leiden aangezien de vreemdeling zelf al heeft aangegeven in Duitsland veroordeeld te zijn. Voorts constateert verweerder in zijn reactie eveneens dat criminele antecedenten op zich zelf geen reden zijn een aanvraag af te
wijzen op grond van kennelijke ongegrondheid of niet ontvankelijkheid. Derhalve is de 7a-maatregel onterecht toegepast en dient opgeheven te worden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
2.5 Gesteld noch gebleken is dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw onrechtmatig is. De te beantwoorden vraag is of verweerder de vrijheidsbenemende maatregel terecht heeft
voortgezet op grond van het bepaalde in hoofdstuk B7/14, vierde gedachtestreepje, van de Vc. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
2.6 Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen in de uitspraken van 28 april 2000 (AWB 00/3259) en 1 augustus 2000 (AWB 00/6096) houden de in hoofdstuk B7/14 Vc gegeven criteria, waaronder het criterium van
het vierde gedachtestreepje, een inperking in van de bevoegdheid van verweerder om de maatregel ex artikel 7a Vw op te leggen. Blijkens de tekst en de systematiek van hoofdstuk B7/14 Vc - en dan met name het vierde gedachtestreepje
- wordt bij toepassing dan wel voortzetting van de maatregel ex 7a Vw door verweerder gedacht aan een situatie waarin overduidelijk is dat de aanvraag om toelating als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk kan worden afgedaan.
Dit hoofdstuk is kennelijk niet geschreven voor een asielzoeker als de onderhavige, waarbij criminele antecedenten mogelijk aan de orde zijn en nader onderzoek daarnaar moet plaatsvinden. Niet in te zien valt, en door verweerder is
dit ook met zoveel woorden in de brief van 8 december 2000 erkend, wat de toegevoegde waarde is van de resultaten van dat onderzoek bij de bepaling of sprake is van een kennelijk ongegronde of niet-ontvankelijke aanvraag. Geoordeeld
wordt dan ook dat hoofdstuk B7/14, vierde gedachtestreepje, geen grondslag biedt voor het nadere onderzoek naar de criminele antecedenten van de vreemdeling.
2.7 Het vorenstaande betekent niet dat verweerder in zeer bijzondere gevallen niet kan afwijken van het door hem gevoerde beleid, neergelegd in hoofdstuk B7/14 Vc en terugvallen op zijn algemene bevoegdheid ex artikel 7a Vw. De
rechtbank overweegt hierbij dat het belang van verweerder in verband met aspecten van openbare orde en criminele antecedenten zeer zwaarwegend kunnen zijn. Wel dient dan toereikend gemotiveerd te worden waarom er afgeweken dient te
worden van het algemene uitgangspunt dat ten aanzien van asielzoekers geen maatregel ex artikel 7a Vw opgelegd wordt behoudens in de gevallen als neergelegd in hoofdstuk B7/14 Vc. In casu zijn zodanige zeer bijzondere omstandigheden
door verweerder niet gesteld.
2.8 Voor zover verweerders stelling aldus begrepen moet worden dat onderzoek in Duitsland klaarheid moet brengen omtrent de identiteit van de vreemdeling merkt de rechtbank op niet in te kunnen zien wat op dit punt nog dient te
worden onderzocht. De vreemdeling heeft immers allerlei persoonlijke gegevens verschaft, die bovendien overeenkomen met de gegevens uit het NSIS. Voorts heeft hij aangegeven dat het Rode Kruis en zijn broer over meer informatie
beschikken en heeft hij zich uitdrukkelijk bereid verklaard de desbetreffende stukken bij zijn broer op te vragen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de vreemdeling bereid is - ook - zijn identiteit nader te onderbouwen, waarmee hij
geen andere positie inneemt dan andere vreemdelingen in de asielprocedure.
2.9 Al het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat de voortzetting van de maatregel ex 7a Vw met ingang van 27 november 2000 niet langer gerechtvaardigd is.
2.10 Gelet op het voorgaande is de opgelegde maatregel ex artikel 7a Vw onrechtmatig. De maatregel zal worden opgeheven met ingang van 12 december 2000.
2.11 Omtrent het verzoek om schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
2.12 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de
vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de ten aanzien van de vreemdeling opgelegde maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw met ingang van 12 december 2000;
3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. drs. I. Boland als griffier.
afschrift verzonden op: 21 december 2000
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.