Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0329

Datum uitspraak2001-01-23
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/377
Statusgepubliceerd


Indicatie

AC-procedure / Sudan / Nuba / vvtv-beleid. De president is van oordeel dat de beleidswijziging - inhoudende het niet langer verstrekken van een vvtv aan de personen die behoren tot de Zuid-Sudanese, niet-Arabische bevolkingsgroepen of de Nuba-bevolkingsgroepen en die minstens een half jaar probleemloos in Noord-Sudan hebben verbleven - niet glashelder is. Daartoe heeft zij overwogen dat het begrip probleemloos onvoldoende is bepaald en voorts dat op grond van de ambtsberichten van 22 december 1999 en 21 juni 2000 moet worden aangenomen dat zelfs indien een hier bedoelde persoon probleemloos in Noord-Sudan heeft verbleven, hij bij terugkeer kans loopt op ernstige problemen omdat hij op grond van zijn afkomst wordt verdacht van SPLA activiteiten, zij het dat die kans gering geacht wordt. Gezien deze onduidelijkheden met betrekking tot het begrip probleemloos en de kans die iemand loopt om bij terugkeer problemen van de autoriteiten te ondervinden, is de president van oordeel dat de aanvraag niet in het AC had mogen worden afgehandeld en dat doorzending naar het OC had moeten plaatsvinden. Het verzoek wordt toegewezen.


Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a en 33b Vreemdelingenwet Reg.nr.: AWB 01/377 VRWET Inzake: A, verzoeker, gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.L. de Mik. 1. ZITTING Datum: 19 januari 2001. Zitting hebben: mr. E.S.G. Jongeneel, president, mr. M. van Loon, griffier. Ter zitting zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde. Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen medegedeeld dat op dinsdag 23 januari 2001 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld. 2. OVERWEGINGEN 1. In geschil is de niet-inwilliging d.d. 4 januari 2001 van de aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar hier te lande niet mag worden afgewacht. 2. Verzoeker, van Sudanese nationaliteit, heeft aan zijn asielverzoek het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker stelt dat hij, ondanks zijn desinteresse in politieke activiteiten, is benaderd door zijn buurman B om voor de El Kawami partij geheime documenten te vervoeren in de vrachtwagen van zijn vader. Hij geeft aan dat hij de dood van zijn vader, welke hij wijt aan het optreden van de Sudanese autoriteiten, en zijn (gedwongen) afgebroken studie wilde wreken. Na zijn derde rit waarbij hij documenten had afgeleverd heeft verzoeker vernomen dat B was gearresteerd. Verzoeker werd tijdens een rit naar de markt van Rabak gestopt door een kleine auto. Hem werd gevraagd naar zijn papieren die hij vervolgens niet meer terug kreeg. Om zijn papieren terug te krijgen is hij naar de veiligheidsdienst gegaan. Verzoeker kreeg te horen dat de veiligheidsdienst naar hem op zoek was en hij werd gearresteerd. Verzoeker werd gevraagd naar zijn relatie met zijn buurman. Na zeven dagen werd hij vrijgelaten. In augustus 2000 kwam B opnieuw vragen om verzoekers hulp. Verzoeker moest een aantal keer een jerrycan olie en een envelop brengen naar een handelaar die lid was van de Democratische Unie. Op 12 november 2000 heeft verzoeker vernomen dat B was opgepakt en dat ook verzoekers huis is onderzocht. Verzoeker is vervolgens ondergedoken bij een vriend en heeft aldaar van zijn zwager vernomen dat B was vermoord. Verzoeker heeft vervolgens het land verlaten. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat de onderhavige zaak zich niet leent voor afdoening in het AC. Dienaangaande wordt opgemerkt dat verzoeker tot de Nuba-bevolkingsgroep behoort. Tot voor kort gold ten aanzien van deze bevolkingsgroep dat zij die er deel van uitmaken in aanmerking komen voor een vvtv. De beleidswijziging, waarbij probleemloos verblijf in Noord-Sudan gedurende minstens 6 maanden als contra-indicatie wordt aangemerkt, dient conform gemaakte afspraken van 8 juni 1999 niet in het AC-verband te worden afgedaan voordat de Rechtseenheidskamer of de meervoudige kamer van de rechtbank zich daarover hebben uitgelaten, nu deze vvtv-beleidswijzing niet glashelder is. 3. De president overweegt in deze als volgt. In de brief van 14 juni 1999 aan de Voorzitters van de Stichtingen Rechtsbijstand Asiel, de Nederlandse Orde van Advocaten en VluchtelingenWerk Nederland aangaande de op 8 juni 1999 gemaakte afspraken is neergelegd dat in beginsel wijzigingen in het vvtv-beleid niet in het AC worden geïmplementeerd tenzij de beleidswijziging glashelder is. De president dient de vraag te beantwoorden of verweerder de beleidswijziging ten aanzien van Sudan, zoals vastgelegd in de brief van de Staatssecretaris van Justitie inzake Soedan (TK 1999-2000, 19 637. nr. 538) van 8 september 2000, terecht glashelder heeft genoemd. De beleidswijziging houdt in dat "personen die behoren tot de Zuid-Sudanese niet-Arabische bevolkingsgroepen of de Nuba-bevolkingsgroepen die gedurende langere tijd probleemloos in het veilige Noord Sudan hebben verbleven niet langer in aanmerking komen voor een vvtv." 4. Verweerder heeft de wijziging van het vvtv-beleid gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 december 1999 en 21 juni 2000. In het ambtsbericht van 21 juni 2000 wordt het UNHCR standpunt weergegeven: "UNHCR-Khartoem geeft verder aan dat vervolging door de autoriteiten in Noord-Sudan van Zuid-Sudanezen uitsluitend op grond van etnische afkomst of religie niet voorkomt, maar dat zij de terugkeer van Zuid-Sudanezen naar Noord-Sudan ontraden omdat de Zuid-Sudanezen in Noord-Sudan in het algemeen weinig perspectief wacht, dat wil zeggen een werkloos bestaan in een IDP (Internally Displaced Person) Kamp. Ook de beter opgeleide Zuid- Sudanees moet concurreren met een grote groep werkloze Noord-Sudanezen en heeft uiteindelijk beperkte economische vooruitzichten, aldus UNHCR. UNHCR-Genève stelt det er naast dit geschetste perspectief rekening gehouden moet worden met het verhoor waaraan de Sudanese autoriteiten (i.c. veiligheidsdienst) de terugkerende asielzoekers onderwerpen. In dit verhoor wordt ingegaan op de reden van de asielzoeker voor het verblijf in het buitenland. De terugkerende Zuid-Sudanees, van niet-Arabische afkomst, kan bij dit verhoor in de problemen komen, omdat hij of zij op grond van zijn/haar afkomst kan worden verdacht van het verrichten van activiteiten voor de Sudan People's Liberation Army (SPLA)." De president heeft vastgesteld dat het ambtsbericht van 21 juni 2000 op dit onderdeel niet wezenlijk verschilt van het ambtsbericht van 22 december 1999. Hierin staat over personen die behoren tot een (zuidelijke) niet-Arabische bevolkingsgroep (incl. Nuba), maar in Noord-Sudan woonachtig (wensen te) zijn (p.33): "Deze personen kunnen zich bijvoorbeeld door een verblijf buiten het door de regering gecontroleerde gebied (bijvoorbeeld een verblijf in het buitenland) verdacht maken. Zij lopen bij terugkeer het risico te worden geconfronteerd met vormen van negatieve bejegening door de veiligheidsdiensten, zoals ondervragingen, (korte) detentie en meldingsplicht. Met het verblijf elders onttrekken zij zich immers aan de controle door de veiligheidsdiensten. Op het moment dat zij in Sudan (in het door de regering gecontroleerde gebied) terugkeren, zullen de veiligheidsdiensten willen checken in hoeverre zij zich oppositioneel opstellen dan wel elders hebben opgesteld. Op gronden van hun etnische afkomst kunnen zij ervan worden verdacht activiteiten voor een (de regering vijandig gezinde) verzetsbeweging te hebben verricht. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat voor een persoon uit deze categorie die voor zijn vertrek uit Sudan langere tijd probleemloos in het noorden heeft kunnen verblijven en (ook) in het buitenland geen (prominente) oppositionele activiteiten heeft verricht, de kans gering is dat hij ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten zal ondervinden. In dergelijke gevallen is het aannemelijk dat de veiligheidsdiensten met een ondervraging en eventuele kortdurende meldplicht voor betrokkene volstaan." 5. De president is van oordeel dat de beleidswijziging - inhoudende het niet langer verstrekken van een vvtv aan de personen die behoren tot de Zuid-Sudanese niet-Arabische bevolkingsgroepen of de Nuba-bevolkingsgroepen en die minstens een half jaar probleemloos in Noord-Sudan hebben verbleven - niet glashelder is. Daartoe heeft zij overwogen dat het begrip "probleemloos" onvoldoende is bepaald en voorts dat op grond van de ambtsberichten van 22 december 1999 en 21 juni 2000 moet worden aangenomen dat zelfs indien een hier bedoelde persoon probleemloos in Noord-Sudan heeft verbleven, hij bij terugkeer kans loopt op ernstige problemen omdat hij op grond van zijn afkomst wordt verdacht van SPLA activiteiten, zij het dat die kans gering geacht wordt. Gezien deze onduidelijkheden met betrekking tot het begrip "probleemloos" en de kans die iemand loopt om bij terugkeer problemen van de autoriteiten te ondervinden is de president van oordeel dat de aanvraag niet in het AC had mogen worden afgehandeld en dat doorzending naar het OC had moeten plaatsvinden. Het verzoek wordt dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid toegewezen. 6. De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden. 3. BESLISSING: De president: 1. wijst het verzoek toe; 2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen; 3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt. Verzonden op: