
Jurisprudentie
AB0328
Datum uitspraak2001-01-24
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/638 OVERIO GZ
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/638 OVERIO GZ
Statusgepubliceerd
Indicatie
AC-procedure / Turks-Koerdische dienstweigeraar.
Er is sprake van een gewijzigde situatie in Turkije en niet van een beleidswijziging. De president is, gelet op de informatie uit de ambtsberichten van 15 juni 2000 en 13 december 2000, van oordeel dat thans voldoende aannemelijk is dat de kans dat een Koerdische dienstplichtige tegen zijn eigen volk zal worden ingezet, uiterst gering is. De oproep voor een medische keuring kan niet worden opgevat als een oproep om op te komen voor militaire dienst. Afwijzing verzoek.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittingsplaats Zwolle
Vreemdelingenkamer
President
regnr.: Awb 01/638 OVERIO GZ
uitspraak: 24 januari 2001
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1981,
verblijvende te B,
van Turkse nationaliteit,
IND dossiernummer 9807.19.2013,
verzoeker,
gemachtigde mr. P.J.T. de Kan, advocaat te Heythuysen;
tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. N.H. Suerink, ambtenaar ten departemente.
1 PROCESVERLOOP
1.1 Op 20 juli 1998 heeft verzoeker een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 7 januari 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoeker geen vergunning tot
verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Verzoeker heeft hiertegen op 20 januari 1999 bezwaar gemaakt.
1.2 Bij beschikking van 28 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker op 29 juni 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3 Bij uitspraak van 30 oktober 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak staat geregistreerd onder Awb 99/4852.
1.4 Op 5 januari 2001 heeft verzoeker een herhaalde aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 8 januari 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoeker geen
vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij de uitreiking van de beschikking is verzoeker medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag
afwachten.
1.5 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 9 januari 2001 bezwaar gemaakt.
1.6 Bij verzoekschrift van 9 januari 2001 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president en aan verzoeker gezonden.
Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2001. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2 OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 Voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, zal de president toetsen of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat
voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, zal de
president toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Aangezien de beoordeling van de aanvraag om toelating als vluchteling in het Aanmeldcentrum te Zevenaar heeft plaatsgevonden, dient beoordeeld te worden of de aanvraag met inachtneming van de daarvoor geldende vereisten, als
kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk kon worden afgedaan.
2.3 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden
hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden
toegelaten.
2.4 Verzoeker legt het volgende aan zijn herhaalde aanvraag ten gronslag.
Verzoeker is een Koerd en afkomstig uit Halfeti. Hij verblijft sinds 1995 niet meer in Turkije. Verzoeker heeft ongeveer vier maanden geleden een oproep ontvangen van 20 juni 2000 voor de laatste militaire keuring. Hij heeft deze
oproep gekregen via een vriend die de familie van verzoeker in Turkije heeft gezien. Verzoeker heeft de originele oproep met een vertaling overgelegd.
Verzoeker wil niet in militaire dienst omdat hij niet wil vechten tegen zijn eigen volk. Bovendien vreest hij dat hij gearresteerd zal worden wegens zijn verblijf in het buitenland.
2.5 Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
Voor zover verzoeker zich beroept op hetgeen hij in zijn eerdere procedure naar voren heeft gebracht verwijst verweerder naar de beschikkingen van 7 januari 1999 en 28 juni 1999 en naar de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch
van 30 oktober 2000.
Verweerder is van mening dat verzoeker zijn dienstweigering niet aannemelijk heeft gemaakt. Verzoeker is slechts opgeroepen voor een militaire keuring, hetgeen niet kan worden gelijkgesteld met een oproep voor militaire dienst.
Hiertoe wordt verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000 en de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, van 13 december 2000 (Awb
00/72773).
De verklaringen van verzoeker, dat hij door zijn verblijf in het buitenland zal worden gezien als terrorist, zijn slechts gebaseerd op vermoedens. Verzoeker heeft dit via vrienden en de televisie vernomen.
Voor zover in het zwaarwegend advies wordt verwezen naar de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, van 30 augustus 2000 (Awb 00/8273), overweegt verweerder dat dit een
andere zaak met andere omstandigheden betrof.
De weigering om aan betrokkene geen verblijf toe te staan levert geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op, nu deze weigering er niet toe strekt verzoeker
een verblijfstitel te ontnemen die hem tot uitoefening van het gezinsleven met zijn Nederlandse partner in staat stelde.
2.6 Verzoeker stelt zich op het volgende standpunt.
In het zwaarwegend advies wordt aangegeven dat verzoeker gewetensbezwaren heeft en zijn militaire dienstplicht in Turkije niet wil vervullen. Verzoeker heeft een originele oproep overgelegd. De aanvraag van verzoeker kan niet in het
AC worden afgedaan omdat het plaatsingsbeleid van de Turkse militaire autoriteiten zodanig onduidelijk is dat er in de praktijk wel degelijk sprake kan zijn van plaatsing van Turkse Koerden in het zuidoosten van Turkije. Het
ambtsbericht van 15 juni 2000 geeft hierover geen duidelijkheid, zie ook de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank Zwolle van 30 augustus 2000 (Awb 00/8273).
In de gronden wordt nog aangegeven dat verzoeker verwacht in het Turkse leger te worden gediscrimineerd en tegen zijn eigen volk te moeten vechten. Het conflict tussen Turkije en de Koerden is veroordeeld door de internationale
gemeenschap.
Verzoeker wordt verdacht aan hulp aan de PKK en heeft Turkije lang geleden verlaten. Door niet te reageren op de oproep wordt hij door de Turkse autoriteiten beschouwd als dienstweigeraar. Hij verwacht daar als Koerd extra zwaar
voor gestraft te worden.
2.7 De president oordeelt als volgt.
2.8 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Turkije zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal tot op
zekere hoogte aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.
2.9 Artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
te melden. Indien daarvan geen sprake is, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Indien er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden dient het omstandigheden te
betreffen die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding zouden kunnen geven. Het bestuursorgaan is in een dergelijk geval verplicht de betekenis daarvan te onderzoeken en, zo het de aanvraag niet kan
inwilligen, te motiveren waarom de aangevoerde feiten of omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.
2.10 De president merkt op dat er sprake is van een gewijzigde situatie in Turkije die invloed heeft op de positie van dienstplichtigen en dienstweigeraars en niet van een gewijzigd beleid van verweerder, zodat op grond hiervan
de aanvraag van verzoeker in beginsel in het AC kon worden afgedaan.
Verzoeker heeft aangevoerd dienstweigeraar te zijn. Krachtens de uitspraak van 12 april 1995 van de Rechtseenheidskamer (Awb 94/12128, 94/12134) kunnen slechts als vluchteling worden aangemerkt deserteurs of dienstweigeraars die
-kort samengevat-:
A. vanwege hun ras, hun religie, hun nationaliteit, hun lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging gegronde vrees hebben voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf
wegens een dienstweigering of desertie;
B. tot hun weigering zijn gekomen omdat zij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren hebben die zijn gebaseerd op een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging en er in de staat van herkomst geen mogelijkheid is om ter
vervanging van militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen;
C.tot hun weigering zijn gekomen omdat zij niet betrokken wensen te worden bij een militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap of omdat zij een gegronde vrees hebben dat zij ingezet zullen worden in een
conflict tegen hun eigen volk of familie.
Niet is gebleken dat aan één van de bovengenoemde voorwaarden is voldaan.
Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000 blijkt dat deserteurs van Koerdische afkomst niet louter vanwege hun etnische achtergrond het risico lopen zwaarder te worden bestraft dan andere
deserteurs.
De president acht niet aannemelijk dat verzoeker ernstige gewetensbezwaren heeft. De handelingen van de Turkse autoriteiten in het zuidoosten van het land zijn niet veroordeeld door de internationale gemeenschap als hierboven
bedoeld. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 december 2000 blijkt dat de afname van het geweld in het zuidoosten van Turkije vanzelfsprekend gevolgen heeft voor de rol van het Turkse leger en derhalve
ook voor de positie van (Koerdische) dienstplichtigen. Op bescheiden schaal zijn nog militaire confrontaties met de PKK in Zuidoost-Turkije te melden, (...) maar deze in aantal en omvang dusdanig afgenomen dat de kans dat een
Turks-Koerdische dienstplichtige in een militair conflict betrokken raakt, uitermate gering is geworden.
De president is, gelet op de informatie uit de ambtsberichten van 15 juni 2000 en 13 december 2000, van oordeel dat thans voldoende aannemelijk is dat de kans dat een Koerdische dienstplichtige tegen zijn eigen volk zal worden
ingezet, uiterst gering is.
Nog afgezien van het bovenstaande overweegt de president als volgt.
Verzoeker is in het bezit van een originele oproep voor een medische keuring.
De oproep voor een medische keuring kan echter niet worden opgevat als een oproep om op te komen voor militaire dienst. Gelet op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000 wordt eerst na de keuring
bepaald wanneer en waar men dient op te komen voor de eerste militaire vorming. Wanneer de desbetreffende persoon geschikt wordt bevonden voor militaire dienst ontvangt hij van het registratiekantoor een schriftelijke oproep voor
daadwerkelijke vervulling van de dienstplicht. Bovendien heeft verzoeker gezondheidsklachten zodat het des te meer onzeker is dat verzoeker zal worden opgeroepen voor daadwerkelijke vervulling van de dienstplicht, laat staan dat hij
ingezet zal worden bij gevechtshandelingen.
De president concludeert derhalve dat verzoeker niet kan worden beschouwd als dienstweigeraar op grond waarvan hij als vluchteling moet worden toegelaten.
Gelet op het voorgaande leende de asielaanvraag zich voor afdoening in het Aanmeldcentrum en kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan, dat verzoeker geen vluchteling is.
2.11 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor
verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.
2.12 Verzoeker heeft aangevoerd bij terugkeer te vrezen voor arrestatie in verband met zijn verblijf in het buitenland. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 13 december 2000 blijkt dat alle Turkse
onderdanen bij hun inreis worden gecontroleerd op antecedenten. Deze kunnen gelegen zijn in strafrechtelijke veroordelingen door een Turkse gerechtelijke instantie, maar kunnen ook verband houden met een formeel gerechtelijk
vooronderzoek of een onderzoek door politie of Jandarma. Ook dienstweigeraars en deserteurs staan geregistreerd. Voor PKK-activisten en PKK-sympathisanten van wie aannemelijk is dat zij in verhoogde belangstelling staan van de
Turkse autoriteiten, dat zij bij verwijdering of terugkeer naar Turkije het risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. De president acht niet aannemelijk dat verzoeker persoonlijk bij de Turkse autoriteiten
staat geregistreerd, zodat niet kan worden aangenomen dat verzoeker bij terugkeer naar Turkije problemen van de zijde van de autoriteiten zal ondervinden. Verzoeker heeft verklaard dat zijn vader is gearresteerd na zijn terugkeer
naar Turkije. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt echter dat zijn vader na zijn terugkeer uit Duitsland lid is geworden van een mensenrechtenorganisatie en heeft deelgenomen aan een demonstratie. De president begrijpt hieruit
dat verzoekers vader niet zozeer vanwege zijn verblijf in het buitenland, doch vanwege de door hem na zijn terugkeer ontplooide politieke activiteiten is gearresteerd.
Gelet hierop en op hetgeen in rechtsoverweging 2.10 is overwogen, kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat verzoeker bij gedwongen verwijdering naar Turkije niet een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een
behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat verzoeker aan die bepaling geen aanspraak op verlening van
een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.
2.13 Niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verzoeker aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.
Voor zover verzoeker verblijf beoogt bij zijn Nederlandse vriendin dient hij daartoe een aanvraag in te dienen bij de korpschef.
2.14 Gezien het voorgaande heeft verzoeker geen redelijke kans op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.
2.15 Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.
2.16 Na het onderzoek ter zitting is de president tot het oordeel gekomen dat het bezwaar van verzoeker ongegrond is en dat nader onderzoek redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst kan leiden. De president zal daarom, met
toepassing van artikel 33b Vw, tevens beslissen over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating.
2.17 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.
3 BESLISSING
De president
* wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
* verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Blomsma en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.
--------------
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden: 24 januari 2001