
Jurisprudentie
AB0327
Datum uitspraak2001-02-20
Datum gepubliceerd2003-09-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersKlacht niet-vervolging K 99.229
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-09-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersKlacht niet-vervolging K 99.229
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof wijst een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe aan een persoon tegen wie een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering was ingediend. Na het horen van verzoeker, die werd bijgestaan door een advocaat, werd de klacht afgewezen.
Uitspraak
raadkamernr. : 7373
klachtnummer : Kl. 99.229
uitspraakdatum : 20 februari 2001
GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
BESLISSING OP VERZOEK SCHADEVERGOEDING EX ARTIKEL 591a VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING
Beslissing van het door de voorzitter daartoe aangewezen lid van het gerechtshof op het op 26 mei 2000 ter griffie van dit hof ingediende verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. W. Bos aan de Statenlaan 3 (postbus 44, 5201 AA) te 's-Hertogenbosch.
Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding uit 's Rijks kas ter zake van de kosten van een raadsman als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.
Het onderzoek van de zaak
Het verzoek is op 17 januari 2001 door de raadkamer in het openbaar behandeld.
Het hof heeft kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal. De verzoeker, ofschoon behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen. Wel verschenen is de advocaat van verzoeker mr. W. Bos.
De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwijzing van het verzoek naar de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch.
De beoordeling
Het verzoek is tijdig ingediend.
Ten aanzien van het verzoek van de advocaat en de conclusie van de advocaat-generaal het verzoek te verwijzen naar de arrondissementrechtbank te 's-Hertogenbosch overweegt het hof het volgende. Artikel 591, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de vaststelling van de vergoeding geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd.
In deze zaak werd door [klager] bij het hof een klaagschrift ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediend, met het verzoek dat het hof het openbaar ministerie zou bevelen over te gaan tot de vervolging van beklaagde, thans zijnde verzoeker. Deze laatste werd door het hof ingeroepen teneinde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken als bedoeld in artikel 12e van het Wetboek van Strafvordering. Nadat het hof verzoeker als toenmalig beklaagde en diens advocaat had gehoord, heeft het hof het beklag afgewezen.
Derhalve is de zaak geëindigd bij het hof en is de voorzitter van het hof thans de bevoegde rechter om over het onderhavige verzoek te oordelen.
De voorzitter voegt hier aan toe dat het hier duidelijk gaat om een ander geval dan het geval waarin het hof in het verleden besliste dat verwijzing van de zaak naar de arrondissementsrechtbank behoorde plaats te vinden wegens de onbevoegdheid van het hof. Kennelijk zijn de conclusies van de advocaat-generaal en de advocaat van de verzoeker op die beslissing geënt. In dat geval echter had het hof het beklag gegrond verklaard met bevel dat door de officier van justitie de vordering zou worden gedaan als bedoeld in artikel 181 of 241, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering en het hof vervolgens bewilligd in een verzoek ex artikel 240 , zodat voor beoordelen van een verzoek tot schadevergoeding niet het hof maar de arrondissementsrechtbank, waarbij de zaak inmiddels op last van het hof was vervolgd, de bevoegde rechter was.
Onder het begrip "zaak" ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering dient niet alleen te worden verstaan de strafvervolging. Het hof oordeelt dat een procedure ex artikel 12 en volgende van het Wetboek van Strafvordering eveneens binnen het bereik van deze term vallen nu deze in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.
Uit de gedingstukken blijkt dat de zaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de aard van de onderwerpelijke zaak vloeit de wenselijkheid voor de gewezen verdachte voort om zich van rechtsbijstand te voorzien. De opgegeven kosten worden genoegzaam gestaafd door de overgelegde declaratie en het beloop daarvan valt - mede gelet op omvang en verloop van de strafzaak - niet als bovenmatig aan te merken. Aan de hand van deze norm komt ter zake van kosten van rechtsbijstand een bedrag van fl. 1.077,76 voor vergoeding in aanmerking.
De beslissing
De voorzitter:
Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe ten bedrage van fl. 1.077,76 (zegge: duizendzevenenzeventig gulden en zesenzeventig cent)
Aldus beslist door mr. van der Velden, als voorzitter,
in tegenwoordigheid van dhr. de Jonge, als griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 februari 2001.