
Jurisprudentie
AB0326
Datum uitspraak2000-10-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/64563, 00/64567, 00/64569
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/64563, 00/64567, 00/64569
Statusgepubliceerd
Indicatie
AC-procedure / 48-uurstermijn.
De beschikking is binnen de 48-uurstermijn uitgereikt door een medewerker van de IND en na het eind van de proceduretijd door een medewerker van de Vreemdelingendienst, derhalve niet conform de letter van hoofdstuk B7/5.4 Vc-1994. De in deze bepaling opgenomen beleidsregel dient het waarborgen dat de asielzoeker op de hoogte is van de beschikking alvorens de rechtsgevolgen daarvan in werking treden en dat vastligt op welk moment de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen aanvangt. Voornoemd doel is in casu bereikt. De verklaring van de gemachtigde van verzoeker dat uitreiking door medewerkers van de Vreemdelingendienst een extra waarborg biedt, omdat zij onder ambtseed staan, wordt niet onaannemelijk geacht. De bepaling ex hoofdstuk B7/5.4 Vc-1994 moet niet als imperatief worden beschouwd, doch dient eerder een bewijsrechtelijk doel. Afwijking -in geval niet wordt betwist dat aan materiƫle vereisten is voldaan- heeft derhalve geen rechtsgevolgen voor de rechtsgeldigheid van de bekendmaking en inwerkingtreding van de beschikking.
Beroep gegrond, afwijzing verzoek.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
fungerend president
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
U I T S P R A A K
artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr: AWB 00/64563 VRWET H (voorlopige voorziening)
AWB 00/64567 VRWET H (beroepszaak)
AWB 00/64569 VRWET H (vrijheidsontneming)
inzake: A, geboren op [...] 1980, van Pakistaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker, gemachtigde: mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. drs. R.J.R. Hazen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.
1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING
1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 4 oktober 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde
Aanmeldcentrum(AC)-procedure en behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht
wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.
1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 30 september 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van
schadevergoeding.
1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting
gehoord.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.
2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.
Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.
Indien de AC-procedure langer duurt dan 48 procesuren, vindt in principe doorverwijzing naar een Opvangcentrum (OC) plaats.
2.4 Blijkens het verhandelde ter zitting beperkt het onderhavige geschil zich nog uitsluitend tot de door de gemachtigde van verzoeker naar voren gebrachte formele grief dat het asielverzoek van verzoeker niet binnen 48
procesuren is afgewikkeld. De gemachtigde van verzoeker heeft daarbij naar voren gebracht dat de beschikking voor de eerste maal, binnen de 48-uurstermijn, is uitgereikt door een medewerker van de IND. Uitreiking van de beschikking
dient echter, ingevolge de Vreemdelingencirculaire (Vc) in hoofdstuk B7/5.4 neergelegde regel, in de AC-procedure te geschieden door de Vreemdelingendienst (VD). Later dezelfde dag is de beschikking alsnog door een medewerker van de
VD uitgereikt, dit was evenwel na het einde van de proceduretijd. De gemachtigde van verzoeker stelt zich op het standpunt dat de eerste uitreiking onbevoegdelijk is geschied en dat de beschikking daarmee niet in werking is
getreden. Nu de beschikking vervolgens te laat opnieuw is uitgereikt dient deze beschikking, wegens termijnoverschrijding, te worden vernietigd en dient het asielverzoek in een OC te worden behandeld.
2.5 De president oordeelt als volgt.
2.6 De president stelt op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting vast dat - zoals de gemachtigde van verzoeker heeft gesteld - de uitreiking van de beschikking van 4 oktober 2000 in eerste instantie inderdaad
heeft plaatsgevonden door een medewerker van de IND en niet door een medewerker van de VD, hetgeen niet conform de letter van B7/5.4 Vc is. Voorts stelt de president vast dat de tweede uitreiking, door de VD, na het einde van de
proceduretijd heeft plaatsgevonden. De president zal mitsdien moeten oordelen of uitreiking op een andere wijze dan in de Vc bepaald rechtens toelaatbaar is en of het besluit met die eerste uitreiking in werking is getreden, zodat
van overschrijding van de 48-uurstermijn geen sprake is.
2.7 De in B7/5.4 Vc opgenomen beleidsregel vormt een uitwerking van de wettelijke regels omtrent de bekendmaking van besluiten zoals neergelegd in de Awb en Vw. De ratio van deze wettelijke regels is om veilig te stellen dat de
rechtsgevolgen van een besluit niet in werking treden voordat het besluit aan de betrokken burgers bekend is gemaakt en dat de wettelijke termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beschikking geen aanvang neemt dan
nadat het besluit op de daarvoor aangewezen wijze bekend is gemaakt. De in de Vc onder B7/5.4 opgenomen regel omtrent de uitreiking van de beschikking dient hetzelfde doel, namelijk het waarborgen dat de asielzoeker op de hoogte is
van de beschikking op zijn asielverzoek alvorens de rechtsgevolgen daarvan in werking treden en dat vastligt op welk moment de termijn waarbinnen rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, een aanvang neemt.
2.8 Vast staat dat het doel waartoe genoemde wettelijke regels en beleidsregel gegeven is in het onderhavige geval ook daadwerkelijk is bereikt: de vreemdeling is door uitreiking van de beschikking in persoon tijdig op de hoogte
gebracht van de op zijn asielverzoek genomen beschikking alsmede van de termijn waarbinnen rechtsmiddelen moeten worden aangewend. De gemachtigde van verzoeker heeft tegen de beschikking ook (tijdig) beroep ingesteld en een
voorlopige voorziening aangespannen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker dan ook niet kunnen uiteenzetten welke belang met een uitreiking door de VD zou zijn gediend en op welke wijze verzoeker door uitreiking door de IND
in zijn belang is getroffen. Verzoeker beroept zich uitsluitend op de formele niet-naleving van de beleidsregel.
2.9 Hoewel geen der partijen ter zitting met zekerheid kon verklaren met welk doel de bepaling, dat de uitreiking door de VD dient te geschieden, in de Vc is opgenomen, acht de rechtbank de verklaring van de gemachtigde van
verzoeker niet onaannemelijk dat uitreiking door de VD een extra waarborg biedt omdat de medewerkers van de VD onder ambtseed staan. Wanneer tussen partijen verschil van mening bestaat over het tijdstip waarop de beschikking is
uitgereikt of over de vraag of de beschikking wel aan de (juiste) betrokkene is uitgereikt, kan met behulp van de ambtsedige verklaring naderhand op eenvoudige wijze worden aangetoond of aan alle vereisten voldaan is. Wanneer de
beschikking niet door de VD is uitgereikt rust op verweerder op dit punt een zwaardere bewijslast. Het vorenstaande houdt in dat de in de Vc opgenomen bepaling niet als imperatief moet worden beschouwd, doch eerder een
bewijsrechtelijk doel dient en dat afwijking van deze bepaling, wanneer de betrokkene niet betwist dat aan de materiƫle vereisten is voldaan, geen gevolgen heeft voor rechtsgeldigheid van de bekendmaking en in het verlengde daarvan
van de inwerkingtreding van de beschikking.
2.10 Concluderend oordeelt de president dat de beschikking door de uitreiking door de IND medewerker overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:40 Awb in werking is getreden en dat van overschijding van de 48-uurstermijn geen
sprake is geweest. De formele grief van verzoeker tegen het bestreden besluit faalt derhalve. Hoewel in het beroep overigens niets is aangevoerd, stelt de president wellicht ten overvloede vast dat niet gebleken is dat de
onderhavige zaak om andere redenen niet AC-waardig kan worden geacht.
2.11 Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De president ziet derhalve
aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.
2.12 Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in overeenstemming met het terzake door verweerder gevoerde
beleid dat is neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van verzoeker bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de
toepassing en voortduring van de maatregel is niet gebleken.
2.13 Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
2.14 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.
3. BESLISSING
De fungerend president:
3.1 verklaart het beroep ongegrond;
3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank:
3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;
3.4 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2000, in tegenwoordigheid van mr.
drs. H.J.M. Baldinger als griffier.
afschrift verzonden op: 19 oktober 2000
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling
binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te
's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.
Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.