
Jurisprudentie
AB0316
Datum uitspraak2000-12-27
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/73097
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/73097
Statusgepubliceerd
Indicatie
Last tot uitzetting / mandaat.
Eiser is van oordeel dat de last tot uitzetting afgegeven door de korpschef onbevoegd is, aangezien het mandaat, blijkens de vermelding namens de staatssecretaris van Justitie niet opgenomen is in de last tot uitzetting. De rechtbank is, in afwijking van hetgeen in vergelijkbare zaken eerder is overwogen, van oordeel dat uit artikel 23 Vw j° artikel 48 VV niet blijkt dat een uitdrukkelijke mandatering door de staatssecretaris van Justitie in de last tot uitzetting dient te blijken uit het feit dat het woord namens is ingevoegd.
Beroep ongegrond.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr.: AWB 00/73097 VRWET
inzake : A, van (gestelde) Bulgaarse nationaliteit, verblijvende in het Justitieel Complex „Koning Willem II“ te Tilburg, eiser,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij bevel tot bewaring van 1 december 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.
Bij beroepschrift van 1 december 2000 heeft mr. B.A. Zevenbergen, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning
van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 12 december 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Zevenbergen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M.A.M. Janssen,
werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was J.N. Von Sass Lorenz, tolk in de Bulgaarse taal, ter zitting aanwezig.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De last tot uitzetting van eiser is onbevoegd afgegeven. Onduidelijk is of het mandaat van de Minister van Justitie aan de Korpschef om een last tot uitzetting te geven
bestond. Uit een later proces-verbaal blijkt dat in de last tot uitzetting de vermelding „namens“ de Staatssecretaris van Justitie abusievelijk niet was opgenomen. Er is dus geen sprake van een algemeen mandaat van de Minister van
Justitie aan de Korpschef. Voorts is de melding bij het Rayonbureau Penitentiair Consulenten (RPC) wel op de tweede werkdag na die van de inbewaringstelling gedaan, maar dit was al te laat. Het is gebleken dat meldingen van het RPC
ook in het weekend worden gedaan. De melding had op zaterdag 2 december 2000 kunnen plaatsvinden. De bewaring is derhalve onrechtmatig en dient te worden opgeheven.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Aan alle formele en materiële voorwaarden voor de inbewaringstelling van eiser is voldaan. De last tot uitzetting van eiser is bevoegd afgegeven, aangezien in artikel
23 van de Vw jo artikelen 1b, eerste lid, en 48 van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) is bepaald dat het mandaat uit de wet blijkt en derhalve niet in de last tot uitzetting hoeft te zijn opgenomen. De melding bij het RPC is binnen
twee werkdagen geschied.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank is allereerst, in afwijking van hetgeen in vergelijkbare zaken eerder is overwogen, van oordeel dat uit artikel 23 van de Vw jo artikel 48 van het Vv niet blijkt dat een uitdrukkelijke mandatering door de
Staatssecretaris van Justitie in de last tot uitzetting dient te blijken uit het feit dat het woord „namens“ is ingevoegd.
De rechtbank stelt voorts vast dat eiser niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, dat zijn identiteit en nationaliteit niet vaststaan, dat hij niet over een vaste woon- of verblijfsplaats noch over voldoende middelen van
bestaan beschikt en dat zijn uitzetting is gelast. De rechtbank acht verweerders standpunt dat eiser zich aan zijn verwijdering zal onttrekken niet ongegrond.
De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de in de jurisprudentie vereiste melding bij het RPC binnen twee werkdagen heeft plaatsgevonden. Die melding is tijdig. Het wordt niet anders nu uit de stukken in een andere zaak is
gebleken dat een melding in het weekend na de inbewaringstelling in casu mogelijk was. De rechtbank acht daartoe van belang dat niet vaststaat dat verweerder altijd de mogelijkheid heeft om de melding de eerste dag na de
inbewaringstelling te effectueren. Tevens is van belang dat niet vaststaat dat een eerdere melding altijd leidt tot een relevante toeneming van de kans op een eerdere plaatsing in een huis van bewaring.
De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt
het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j van de Vw of artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 27 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. I.G.M. Servais-Picord, griffier.
Afschrift verzonden op: 11 januari 2001
Conc.: ISP
Coll:
Bp:-
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de
uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.