Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0315

Datum uitspraak2000-09-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/4933
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar tegen niet-tijdig beslissen / onthouden van instantie. De bestreden beslissingen kunnen bezwaarlijk als beslissingen op bezwaar worden beschouwd (zoals verweerder heeft gedaan). Verweerder had immers eerder nog geen beslissing op de aanvragen genomen. Aan eisers is mitsdien een instantie onthouden, waardoor hen het in artikel 7:2, eerste lid, Awb gegeven recht om te worden gehoord is ontnomen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 1998 had verweerder ofwel het bezwaar wegens het niet tijdig nemen van een beslissing kennelijk gegrond moeten verklaren en alsnog inhoudelijk een beslissing op de aanvraag moeten nemen, ofwel alvorens een beslissing te nemen, eisers moeten horen. Nu dit niet is geschied, zijn de beroepen reeds om die reden gegrond. De beroepen zijn ook om andere reden gegrond, nu in de procedure op onzorgvuldige wijze jegens eisers is gehandeld. Het nader gehoor is eerst bijna acht maanden na de aanvragen afgenomen, vervolgens is eerst tien maanden later een beslissing genomen (nadat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van eisers gegrond was verklaard). Ook die beslissing is niet genomen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, waarbij komt dat verweerder de onderhavige zaken op een andere manier (en bovendien separaat) heeft afgewikkeld dan de zaak van familieleden van eisers die gezamenlijk met eisers uit Noord-Irak zijn gevlucht en Nederland zijn ingereisd. Geen zorgvuldige voorbereiding ex artikel 3:2 Awb.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken U I T S P R A A K artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr: AWB 99/4933 VRWET H inzake: A en B, geboren op respectievelijk [...] 1962 en [...] 1964, alsmede hun minderjarige kinderen, gemachtigde: mr. L.B.J. Movig, advocaat te Den Helder; tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. A.G.F. de Brauwere, advocaat te 's-Gravenhage. 1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING 1.1 Aan de orde zijn de beroepen van 12 mei 1999 tegen de beschikkingen van 16 april 1999, waarbij de bezwaren van eisers van 18 mei 1998, die gericht waren tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen, ongegrond zijn verklaard. Eisers hebben de gronden van hun beroepen op 21 juni 1999, 1 april 2000 en 17 augustus 2000 nader aangevuld. 1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroepen. 1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2000. Daarbij hebben eisers en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep. Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan, indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat. 2.2 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij de toepassing van dit artikellid gevoerde beleid is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). 2.3 Eisers hebben ter onderbouwing van hun asielverzoek het volgende naar voren gebracht. Eisers zijn afkomstig uit Arbil, Noord Irak en zijn Koerdisch van origine. Het asielrelaas van eiseres is afhankelijk van dat van eiser. Eiser was eigenaar van een bedrijf dat gespecialiseerd was in het inbouwen van airconditioning apparatuur in motorvoertuigen. Eiser heeft op een zeker moment een contract gesloten met UNICEF voor het inbouwen van genoemde apparatuur in 18 auto's. Hierna werd eiser er door leden van de Islamitische beweging op gewezen dat de Europese instellingen de islam vijandig gezind zijn. De islamitische beweging verstrekte eiser ook opdrachten. Nadat een opdracht van deze beweging door eiser was voltooid, werd hij gevraagd op 1 september 1997 naar het kantoor van de islamitische beweging te komen. Eiser zou aldaar worden uitbetaald voor de volbrachte opdracht. Eenmaal aangekomen op het kantoor werd eiser gevangen genomen. Hij bleef gedetineerd tot 20 september 1997. Tijdens zijn detentie werd hij gemarteld. Eiser werd ervan beschuldigd bijbels te hebben verspreid. De islamitische beweging heeft van de familie van eiser losgeld geëist ten bedrage van 150.000 dinar. Eisers echtgenote was bereid om 100.000 dinar te betalen; de resterende 50.000 wilde zij pas betalen nadat eiser zou zijn vrijgelaten. Eiser werd vervolgens op 20 september 1997 vrijgelaten. Hij heeft Arbil een dag later verlaten. Op 1 oktober 1997 hebben eisers Irak verlaten en zijn zij via Duitsland naar Nederland gereisd. 2.4 Blijkens de afzonderlijke beslissingen op de bezwaarschriften heeft verweerder het asielrelaas van eisers niet aannemelijk geacht. Uit de overige zich in het dossier bevindende processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder eisers niet heeft gehoord in bezwaar. De bezwaarschriften zijn, zo begrijpt de rechtbank hieruit, door verweerder kennelijk ongegrond geacht, zodat uit hoofde van de Awb geen verplichting tot horen bestond. 2.5 In beroep is - voor zover thans relevant - aangevoerd dat eisers op hun bezwaarschriften hadden moeten worden gehoord. Voorts is erop gewezen dat verweerder eisers slordig heeft bejegend in de onderhavige asielprocedure. Eerst na inschakeling van de Nationale Ombudsman is eisers het nader gehoor afgenomen. Verweerder heeft daarnaast niet tijdig op de aanvragen beslist, vervolgens niet tijdig beslist op de bezwaarschriften en heeft zich evenmin gehouden aan de door de rechtbank in de uitspraak van 13 november 1998 gestelde termijn van 14 weken waarbinnen verweerder op de bezwaarschriften diende te beslissen. Tenslotte is onduidelijk waarom verweerder de onderhavige zaak en de zaak van de (schoon)familie van eisers (het gezin C, dat samen met eisers Nederland is ingereisd) op geheel verschillende wijze heeft behandeld. Beide zaken zijn immers inhoudelijk en qua tijd identiek. 2.6 De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is primair in geschil of verweerder in de bezwaarfase van het horen heeft kunnen afzien met toepassing van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het hiernavolgende zal de rechtbank allereerst deze vraag beantwoorden. 2.7 Verweerder heeft de thans bestreden beslissingen van 16 april 1999 genomen nadat deze rechtbank en nevenzittingsplaats op 13 november 1998 het door eisers op 25 september 1998 ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond heeft verklaard. Het bezwaar van 18 mei 1998 was weer gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van eisers van 27 oktoher 1997. De beslissingen van 16 april 1999 zijn door verweerder aangemerkt als beslissingen op de bezwaarschriften van 18 mei 1998. 2.8 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen genoemde beslissingen evenwel bezwaarlijk als zodanig worden beschouwd. Verweerder had immers eerder nog geen beslissing op de aanvragen van eisers genomen. Door deze procedurele handelwijze is aan eisers een instantie onthouden, waardoor hen het in artikel 7:2, eerste lid, Awb gegeven recht om te worden gehoord is ontnomen. De vraag of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar moet immers worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd. In dit geval zijn door verweerder geen primaire beslissingen op de aanvragen genomen, zodat de inhoud van de bezwaarschriften niet met enige motivering van verweerder kon worden vergeleken. In beginsel is het bezwaar in een dergelijk geval mitsdien niet kennelijk ongegrond. Indien verweerder niettemin van mening is dat op grond van een bezwaarschrift, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag, geen aanleiding bestaat een vreemdeling te horen, dan moet naar het oordeel van de rechtbank - gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 1998 (JB 1999, 13) - het bezwaar wegens het niet tijdig nemen van een beslissing kennelijk gegrond worden verklaard en alsnog inhoudelijk een beslissing op de aanvraag worden genomen. Alleen op deze wijze worden de belangen van de vreemdeling in voldoende mate gewaarborgd. 2.9 Gelet op hetgeen hiervoor sub 2.9 is overwogen constateert de rechtbank dat verweerder deze handelwijze niet heeft gevolgd. Verweerder heeft immers noch de bezwaarschriften kennelijk gegrond verklaard en alsnog inhoudelijk op de aanvragen een (primaire) beslissing genomen, noch is verweerder ertoe overgegaan alvorens een beslissing te nemen eisers te horen. De beroepen zijn reeds om die reden gegrond. De bestreden beslissingen van 16 april 1999 zullen derhalve worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaarschriften van 18 mei 1998. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal verweerder niet eerder dan nadat een hoorzitting heeft plaatsgevonden een beslissing op de bezwaarschriften kunnen nemen ofwel de bezwaren kennelijk gegrond moeten verklaren en alsnog een beslissing op de aanvragen van 27 oktober 1997 moeten nemen. 2.10 De bestreden beslissingen komen echter naar het oordeel van de rechtbank nog om een andere reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank is namelijk met eisers van oordeel dat in de onderhavige procedure op onzorvuldige wijze door verweerder jegens eisers is gehandeld. Uit de gedingstukken blijkt dat eisers, die op 27 oktober 1997 Nederland zijn ingereisd en op diezelfde dag een asielaanvraag hebben ingediend, eerst op 17 juni 1998 - nadat zij de Nationale Ombudsman hadden ingeschakeld, derhalve bijna acht maanden nadat zij een asielverzoek hadden ingediend - nader zijn gehoord door een contactambtenaar. Verweerder heeft vervolgens pas op 16 april 1999 een beslissing genomen, zulks nadat deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van eisers gegrond had verklaard en verweerder had opgedragen alsnog op de aanvragen te beslissen. Ook die beslissingen heeft verweerder niet genomen binnen de door de rechtbank daarvoor gestelde termijn van 14 weken. Het is de rechtbank ten slotte opgevallen dat verweerder de onderhavige zaken op een andere manier (en bovendien separaat) heeft afgewikkeld dan de zaak van het gezin C, hoewel dat gezin, familieleden van eisers zijn en gezamenlijk met eisers uit Noord-Irak zijn gevlucht en ook gezamenlijk Nederland zijn ingereisd. In die zaken heeft verweerder naar onweersproken van de zijde van eisers is aangevoerd de eisers wel door een ambtelijke commissie doen horen, waarna in die zaken inhoudelijk eveneens afwijzende beslissingen zijn genomen. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder de zaken van eisers niet op dezelfde wijze heeft behandeld en evenmin wat verweerder heeft weerhouden die zaken met elkaar in verband te brengen. Al met al komt de rechtbank tot de slotsom dat in casu niet kan worden gesproken van een zorgvuldige voorbereiding van de bestreden beslissing als beoeld in artikel 3:2 van de Awb. Ook om die reden kunnen de bestreden beslissingen niet in stand blijven. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is evenwel geen aanleiding, gelet op het hiervoor reeds overwogene (het ten onrechte onthouden van een instantie). 2.11 Gelet op het vorenoverwogene bestaat tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 2.130,- (2 punten voor de afzonderlijke beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier. 2.12 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- dient te vergoeden. 3. BESLISSING De rechtbank: 3.1 verklaart de beroepen gegrond; 3.2 vernietigt de bestreden beslissingen van 16 april 1999 en draagt verweerder op binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; 3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 2.130,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen; 3.4 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 50,.--. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr. drs. H.J.M. Baldinger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2000, in tegenwoordigheid van de griffier. afschrift verzonden op: 2 oktober 2000 RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.