Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0307

Datum uitspraak2001-02-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 99/630
Statusgepubliceerd


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven (zesde enkelvoudige kamer) No. AWB 99/630 22 februari 2001 5135 Uitspraak in de zaak van: A Landbouwbedrijf B.V., te B, appellante, gemachtigde: mr J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerders ministerie. 1. De procedure Op 29 juli 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juni 1999. Bij dit besluit heeft verweerder appellantes bezwaar tegen het op nul stellen van haar oppervlakte voederareaal ongegrond verklaard. Verweerder heeft op 29 oktober 1999 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2000, waarbij beide partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Bij brief van 6 december 2000 heeft verweerder vervolgens, zoals afgesproken ter zitting, aan het College nog een ontbrekend gegeven verschaft. Hierop heeft appellante gereageerd bij brief van 11 december 2000 2. De grondslag van het geschil 2.1 Bij artikel 4g, derde lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening (EEG) nr. 805/86 is het volgende bepaald: " het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar voor rundveehouderij alsmede voor de schapen- en/of geitenhouderij beschikbaar is. Daarbij worden niet meegerekend: de oppervlakte van gebouwen, bossen, vijvers en wegen, en van percelen die worden gebruikt voor andere produkten waarvoor een communautaire steunregeling geldt, voor meerjarige teelten, voor de tuinbouw of voor teelten waarvoor dezelfde regeling geldt als voor de producenten van bepaalde akkerbouwteelten of die onder een ander nationaal of communautair braakleggingsprogramma vallen dan bedoeld in artikel 2, lid 3, derde alinea, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2328/91. Het voederareaal omvat, volgens regels die zullen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 27, ook gezamenlijk gebruikt voederareaal alsook percelen die worden gebruikt voor gemengde teelten." Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidt als volgt: " Voor de toepassing van deze verordening geldt het volgende: (.) elk voederareaal moet gedurende een periode van ten minste zeven maanden die begint op een door de Lid-Staat te bepalen datum tussen 1 januari en 31 maart, beschikbaar zijn voor het houden van dieren." 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan. - Verweerder heeft op 12 mei 1998 van appellante een formulier aanvraag oppervlakten 1998 vereenvoudigde regeling en voederareaal ontvangen. - Bij schrijven van 13 november 1998 is appellante bericht dat haar oppervlakte voederareaal door verweerder is vastgesteld op 20.29 ha. - Bij een op 26 januari 1999 verzonden brief heeft verweerder appellante vervolgens bericht dat voormelde vaststelling van het voederareaal is ingetrokken als gevolg van een herbeoordeling en dat de definitieve oppervlakte voederareaal is vastgesteld op 0 ha. Tevens is appellante hierbij medegedeeld dat zij als gevolg hiervan niet in aanmerking kan komen voor dierlijke premies in het kader van de Regeling dierlijke EG-Premies. - Tegen deze herbeoordeling heeft appellante bij een niet gedateerde brief, die op 4 februari 1999 door verweerder is ontvangen, bezwaar gemaakt. - Appellante is op 1 juni 1999 gehoord terzake van het door haar gemaakte bezwaar. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. - Bij besluit van 19 mei 1999 heeft verweerder appellantes aanvragen voor premie op grond van de regeling dierlijke EG- premies, verkoopseizoen 1998 (stieren/ossen), afgewezen. Tegen dit besluit is door appellante geen bezwaar gemaakt. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen: " Percelen die worden opgegeven voor voederareaal dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. Zo moet het perceel gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zeven maanden, gerekend vanaf 31 maart van het jar waarin u de dierlijke premie aanvraagt, beschikbaar zijn voor rundvee. Percelen die u niet als voederareaal mag opgeven zijn oppervlakten van gebouwen, bossen, vijvers en wegen, en van percelen die worden gebruikt voor andere producten waarvoor een communautaire steunregeling geldt en voor meerjarige teelten (zie ook bladzijde 8 van de brochure Aanvraag oppervlakten 1998 voor opgave: Vereenvoudigde regeling en Voederareaal). Gebleken is dat ten tijde van het indienen van de aanvraag oppervlakten op het betreffende perceel nog appel- en perenbomen stonden (meerjarige teelt). U heeft dit perceel derhalve ten onrechte opgegeven als voederareaal. Reeds op die grond moet worden geconstateerd dat het perceel niet aan de voorwaarden voor voederareaal voldoet en derhalve niet opgegeven had mogen worden. Indien u een perceel wenst op te geven voor voerderareaal dient het perceel met ingang van 31 maart van dat jaar beschikbaar te zijn. In beginsel dient het voederareaal gedurende het hele kalenderjaar beschikbaar te zijn voor de rundveehouderij. Met het oog op een soepel mogelijke toepassing van het begrip voederareaal in de praktijk, wordt de mogelijkheid geboden om het voederareaal ten minste zeven maanden beschikbaar te stellen voor het houden van dieren. Dit vereiste is van communautaire aard en het staat mij niet vrij daarvan af te wijken. Uw stelling dat u aan dit vereiste zou kunnen voldoen door voor u zelf vast te stellen dat u het perceel als voederareaal zult gaan gebruiken is gelet op het voorgaande niet voldoende om aan de verplichtingen in dit opzicht te voldoen. In uw bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting stelt u dat u steeds de intentie heeft gehad om het onderhavige perceel voor voederareaal aan te wenden. U heeft echter niet op tijd kunnen rooien omdat uw aanvraag inzake de Rooiregeling Appels en Peren 1998, naar later bleek ten onrechte, is afgewezen, zo stelt u. U doet feitelijk een beroep op overmacht, in die zin dat u door omstandigheden die buiten uw macht liggen, niet aan uw verplichtingen ingevolge de regeling heeft kunnen voldoen. Ik wijs u op hetgeen is bepaald in artikel 11, derde lid, van Verordening (EEG) 3887/92 en artikel 13 van de regeling waarin is bepaald dat een beroep op overmacht slechts ontvankelijk is, indien de producent, binnen 10 werkdagen te rekenen vanaf de dag dat er sprake is van een overmachtssituatie, LASER daarvan in kennis heeft gesteld. In het kader van de regeling wordt volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg onder overmacht niet alleen verstaan de volstrekte onmogelijkheid om een verplichting na te komen, maar ook abnormale en buiten toedoen van de betrokkene ingetreden omstandigheden waarvan de gevolge - alle zorgvuldigheid ten spijt - slechts ten koste van onevenredig grote offers te vermijden zijn. Met betrekking tot uw beroep op overmacht stel ik vast, dat LASER geen schrijven van uw zijde heeft ontvangen waarin is aangegeven dat u door overmacht niet in staat was te voldoen aan uw verplichting om het betreffende perceel op 31 maart 1998 beschikbaar te hebben als voederareaal. Daarmee komt vast te staan dat u LASER niet op de juiste wijze in kennis heeft gesteld, te weten binnen 10 werkdagen voorzien van bewijsstukken nadat de overmachtssituatie is ontstaan. Op die grond kan uw beroep op overmacht derhalve niet slagen. Daarnaast merk ik op dat de gang van zaken rond de behandeling van uw subsidieaanvraag voor het rooien van de bomen op het onderhavige perceel niet te beschouwen is als een situatie waarin sprake is van overmacht. U heeft het perceel eerst gebruikt voor fruitteelt en op enig moment heeft u ervoor gekozen de bomen op het betreffende perceel te rooien, om dit vervolgens in gebruik te nemen als voederareaal. Indien het afbouwen van de boomgaard nog niet gereed is en u desondanks toch het perceel wenst aan te wenden voor een ander doel, is er geen sprake van overmacht, maar van een ondernemerskeuze. Het feit dat de afbouw van de boomgaard nog niet rond was, ontslaat u niet van de verplichtingen die u aangaat op het moment dat u uw perceel als voederareaal opgeeft op de aanvraag oppervlakten. Nogmaals wijs ik u er op dat u zich door ondertekening van het aanvraagformulier akkoord heeft verkaard met de verplichtingen die uit de toepasselijke regelgeving voortvloeien. Ik neem hierbij in aanmerking dat uit bestudering van het dossier inzake de subsidieaanvraag in het kader van de Rooiregeling Appels en Peren 1998 het navolgende is gebleken. U heeft op 27 januari 1998 een aanvraag ingediend. De Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidies 1998 geeft in artikel 9, tweede lid, aan dat er binnen 10 weken moet worden beslist op de aanvraag. U heeft op 27 maart 1998 bericht gekregen van de teammanager, derhalve binnen de gestelde termijn, waarin u is bericht dat de aanvraag is afgewezen. Indien de teammanager u echter op dat moment zou hebben meegedeeld dat uw aanvraag is goedgekeurd, zou u het onderhavige perceel eveneens niet op 31 maart 1998 beschikbaar kunnen hebben als voederareaal. De aanvrager dient immers LASER ten minste ‚‚n week voor de aanvang van de rooiwerkzaamheden schriftelijk in kennis te stellen van de datum waarop gerooid gaat worden (artikel 9, derde lid, Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidies 1998)." 4. Het standpunt van appellante Appellante heeft in haar beroepschrift het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd: " Niet wordt door cli‰nte ontkend dat op 31 maart 1998 de fruitbomen op het perceel met volgnummer 1 nog niet waren gerooid. Deze omstandigheid was echter niet te wijten aan verwijtbaar handelen zijdens cli‰nte. Zij had namelijk op grond van de Uitvoeringsregeling EG-rooisubsidies 1998 (verder te noemen: de rooiregeling) een bijdrage gevraagd voor het rooien van de zich op het perceel bevindende fruitbomen. Daar deze bijdrage aanvankelijk werd geweigerd en de bomen eerst konden worden gerooid na het bekend worden van het besluit op bezwaar, kon cli‰nte niet anders dan wachten op een eindbeschikking op de aanvraag om een bijdrage op grond van de rooiregeling. Eerst op dat moment konen de bomen worden gerooid en kon de ma‹s worden ingezaaid. In casu is sprake van meerdere connexe regelingen. Wanneer verweerder de bijdrage op grond van de rooiregeling direct zou hebben toegekend, zouden de bomen tijdig zijn gerooid en zou de ma‹s tijdig zijn ingezaaid. Niet cli‰nte, maar verweerder heeft de problemen doen ontstaan. Dit, zo blijkt thans, heeft grote problemen voor de gevraagde bijdragen op grond van andere regelingen. Naast de bijdrage op grond van de regeling dreigt cli‰nte tevens de premie op grond van de Regeling EG-premies (mannelijke runderen verkoopseizoen 1998) mis te lopen. Op geen enkele wijze is het gerechtvaardigd dat de gevolgen van een dergelijke samenloop van omstandigheden voor rekening en risico van cli‰nte blijven. Cli‰nte heeft altijd de intentie gehad om te voldoen aan de eisen die op grond van de regelingen aan het toegekend krijgen van een bijdrage worden gesteld. Op een bepaald moment zat hij echter gevangen tussen de verschillende eisen. Hij mocht namelijk op 31 maart 1998 nog niet rooien op grond van de rooiregeling en moest daarnaast op die datum wel reeds ma‹s hebben ingezaaid, althans het perceel beschikbaar hebben voor het zaaien ervan. Nu daarop nog bomen stonden concludeert verweerder simpelweg dat client niet heeft voldaan aan de eisen die aan het verkrijgen van een bijdrage op `grond van de regeling worden gesteld. Verweerder verwijt cli‰nte niet tijdig een beroep te hebben gedaan op overmacht. Dit argument treft geen doel, nu verweerder daarbij uitdrukkelijk overweegt dat de overmachtsituaties limitatief staan genoemd in de regeling en dat, gelet op de situatie waarom het in casu gaat, cli‰nte geen beroep toekomt op overmacht. Overigens kan het niet binnen 10 dagen hebben gemeld van overmacht in dit geen geval geen argument zijn de bijdrage te weigeren. Bij verweerder was namelijk bekend dat cli‰nt geen bijdrage op grond van de rooiregeling was toegekend en dat daartegen bezwaar was ingediend. Onder dergelijke omstandigheden voert het te ver om aan het niet tijdig melden fatale gevolgen te verbinden." 5. De beoordeling van het geschil Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt het College als volgt. Appellante heeft, gelet op de inhoud van het schrijven van verweerder van 26 januari 1999, in redelijkheid kunnen menen dat het besluit om de aanvragen dierpremie af te wijzen, dat in werkelijkheid pas genomen is op 19 mei 1999, toen reeds genomen was. Het College is op grond hiervan van oordeel dat verweerder het bezwaar van appellante, dat door verweerder is ontvangen op 4 februari 1999 en derhalve voor het begin van de bezwaartermijn is ingediend, terecht ontvankelijk heeft verklaard. Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt het College als volgt. Niet in geschil is dat appellantes perceel nummer 1 op 31 maart 1998 was beplant met fruitbomen. Op goede gronden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat perceel 1 daarom niet als voederareaal kon worden aangemerkt, omdat het toen niet beschikbaar was voor de rundveehouderij. Appellantes beroep op overmacht faalt, reeds omdat, zoals verweerder terecht heeft overwogen, appellante hiervan niet overeenkomstig het bepaalde bij artikel 11, tweede lid, van Vo. 3887/92 binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip dat dit voor appellante mogelijk was, melding heeft gemaakt. Het College merkt in dit verband nog op dat in artikel 11 geen limitatieve opsomming van gevallen van overmacht wordt gegeven. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep van appellante ongegrond worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001. w.g. H.G. Lubberdink w.g. F.W. du Marchie Sarvaas