Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0303

Datum uitspraak2001-02-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 99/994
Statusgepubliceerd


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 99/994 21 februari 2001 5135 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: mr G. Ratering, te Boxmeer, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr J.J.H.M. Hanssen. 1. De procedure Op 7 december 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 oktober 1999. Bij dit besluit, bij ongedateerde brief aan appellant medegedeeld, heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de aanvraag van appellant ter verkrijging van een bijdrage als voorzien in de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen. Op 24 december 1999 heeft het College van verweerder een brief ontvangen. Bij brief van 12 januari 2000 heeft appellant gereageerd op verweerders brief van 24 december 1999. Verweerder heeft op 3 maart 2000 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2001, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil Bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is onder meer het volgende bepaald. " Artikel 6:7 De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. Artikel 6:8 1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. (.) Artikel 6:11 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest." 3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder 3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant, gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen ongegrond verklaard. 3.2 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep heeft verweerder het volgende aangevoerd. Niettegenstaande het feit dat het desbetreffende besluit zonder vermelding van verzenddatum is verzonden, kan verweerder aantonen dat het besluit op 11 oktober 1999 is verzonden, aangezien op de dag dat een besluit door zijn dienst LASER wordt verzonden, gelijktijdig de datum van verzending door het secretariaat in het Verslagsysteem Bezwaarschriften wordt opgenomen. Verweerder heeft hiertoe de op deze zaak betrekking hebbende uitdraai uit dit Verslagsysteem overgelegd. Appellant had ingevolge het bepaalde in de Awb binnen zes weken zijn beroepschrift moeten indienen, hetgeen appellant heeft nagelaten. De mededeling in het bestreden besluit dat beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na dagtekening van het besluit heeft appellant niet in zodanige verwarring gebracht dat hij dientengevolge zijn beroepschrift te laat heeft ingediend. Verweerder stelt voorts dat appellant aan de hand van het poststempel op de enveloppe had kunnen concluderen dat het betreffende besluit op 11 oktober 1999 was verzonden en dat de beroepstermijn dus op 12 oktober was ingegaan. Daarnaast bestond de mogelijkheid om contact hierover op te nemen met LASER. Verweerder is op grond van het voorgaande van mening dat er geen sprake is van een termijnoverschrijding die verschoonbaar is, zodat verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. 4. Het standpunt van appellant Appellant heeft ter ondersteuning van zijn betoog dat zijn beroep ontvankelijk dient te worden geacht - verkort weergegeven - het volgende aangevoerd. Noch het ongedateerde bestreden besluit, noch de door verweerder overgelegde geleidelijst geven duidelijkheid over de verzenddatum van het bestreden besluit. Uit de geleidelijst is slechts op te maken dat het besluit op 11 oktober 1999 is genomen en niet dat het besluit daadwerkelijk op die datum is verzonden. Hieruit volgt dat de verzenddatum van het besluit niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld en daarmee dus ook de ingangsdatum van de beroepstermijn niet kan worden bepaald. Ook indien appellant zou zijn uitgegaan van de juistheid van de mededeling in het bestreden besluit, dat beroep kon worden ingesteld binnen zes weken na de dagtekening van het besluit, dan nog zou de ingangsdatum niet zijn komen vast te staan nu het besluit niet is gedagtekend. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft onjuiste, onduidelijke en onvolledige informatie verschaft aan appellant omtrent de ingangsdatum van de beroepstermijn. Verweerder heeft in strijd met artikel 6:23 van de Awb gehandeld door ten onrechte te verwijzen naar de dagtekening en niet naar de verzenddatum van het besluit. De door verweerder geschapen onduidelijkheid mag niet ten nadele van appellant worden uitgelegd. Deswege dient appellant ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep. Appellant betoogt voorts dat indien geoordeeld zou worden dat sprake is van overschrijding van de beroepstermijn, deze termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Door grove vormfouten die zijn toe te rekenen aan verweerder, was het voor appellant niet mogelijk de door de wet voorgeschreven procedurevoorschriften in acht te nemen. Desondanks - zo besluit appellant zijn betoog - is kort na het verstrijken van de door verweerder gestelde beroepstermijn zijn beroepschrift ingediend bij het College. 5. De beoordeling van het geschil Vastgesteld dient te worden of appellant tijdig beroep heeft ingesteld bij het College, dan wel of, indien appellant na het verstrijken van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het College neemt hierbij het volgende in aanmerking. Appellant volstaat in deze procedure - kort gezegd - met de stelling dat ten gevolge van het handelen van het bestuursorgaan niet met zekerheid is te zeggen dat het beroepschrift is ingediend na het verstrijken van de beroepstermijn, zonder - zelfs maar bij benadering - aan te geven op welke datum hij het bestreden besluit ontvangen heeft. Nu er van kan worden uitgegaan dat het bestreden besluit door verweerder op 11 oktober 1999 is genomen, dit besluit daadwerkelijk door appellant is ontvangen en appellant de door verweerder gehanteerde praktijk met betrekking tot verzending van genomen besluiten en het gelijktijdig verwerken daarvan in het Verslagsysteem Bezwaarschriften niet bestrijdt, moet er in het onderhavige geval van worden uitgegaan dat het bestreden besluit op 11 oktober 1999 is verzonden. De beroepstermijn neemt derhalve een aanvang op 12 oktober 1999, zodat 22 november 1999 als laatste dag van de beroepstermijn is te beschouwen. Het beroepschrift is gedateerd 6 december 1999 en is bij het College ingekomen op 7 december 1999, zodat moet worden geconcludeerd dat de beroepstermijn is overschreden. Met betrekking tot de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht kan worden overweegt het College dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij zich na ontvangst van het bestreden besluit direct heeft gewend tot de ABAB voor juridische bijstand. Indien er met betrekking tot de verzenddatum van het gewraakte besluit bij appellant onduidelijkheid bestond, lag het op de weg van appellant en nadat appellant zich tot de ABAB had gewend, zijn gemachtigde, om zich van de juiste verzenddatum te vergewissen, dan wel onverwijld een beroepschrift in te dienen. Opgemerkt zij dat het ingediende beroepschrift op geen enkele wijze blijk geeft van enige onduidelijkheid bij appellant omtrent de verzenddatum. Dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft vermeld dat de beroepstermijn een aanvang neemt binnen zes weken na dagtekening van het besluit, in plaats van dienaangaande te verwijzen naar de verzenddatum van het bestreden besluit, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. In dit geding kan er immers van worden uitgegaan dat appellant op of omstreeks 12 oktober 1999 kennis droeg van het bestreden besluit en dat hij zich vervolgens tot zijn gemachtigde heeft gewend voor rechtshulp. Appellant moet dan ook worden geacht tijdig te hebben kunnen vernemen binnen welke termijn tegen het bestreden besluit beroep kon worden ingesteld. Waar bovendien de datum van dagtekening van een besluit geen latere kan zijn dan de datum van verzending vindt het College geen grond om aan te nemen, dat appellant door de onjuiste vermelding van de aanvang van de beroepstermijn tot de aanname heeft kunnen komen, dat op 6 december 1999 nog binnen de termijn beroep kon worden ingesteld. Gelet op het vorenoverwogene kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Derhalve is het College van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001. w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel