Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0302

Datum uitspraak2001-02-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 99/907
Statusgepubliceerd


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven No.AWB 99/907 21 februari 2001 6021 Uitspraak in de zaak van: de maatschap A, te B, appellante, gemachtigde: mr M.M.G.M. Richter, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, te Roermond, tegen het Productschap Vee en Vlees, te Rijswijk, verweerder, gemachtigden: mr R.B.R. Henke en C. den Hoed, beiden werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Op 5 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 september 1999. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het besluit van de Gezondheidsdienst voor Dieren van 20 november 1998 strekkende tot afwijzing van het verzoek van appellante om ‚‚n UBN nummer te mogen voeren voor de twee locaties waarop haar bedrijf is gevestigd, ongegrond verklaard. Verweerder heeft op 21 januari 2000 een verweerschrift ingediend. Het College heeft de zaak onderzocht ter zitting van 29 november 2000, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Artikel 2 van het Besluit identificatie en registratie dieren, (Stb. 1997, 602) luidt: " 1. Ter uitvoering van titel I van verordening 820/97 en van richtlijn 92/102/EEG wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Produktschap voor Vee en Vlees." Op 10 december 1997 heeft verweerder de Verordening identificatie en registratie varkens 1998 (verder ook de Verordening) vastgesteld. Uit de algemene toelichting op deze Verordening wordt de hiernavolgende passage geciteerd: " Met de uitbraak van varkenspest, begin 1997, zijn enkele bepalingen aangepast. De grote omvang van deze besmettelijke varkensziekte toonde immers aan dat niet alleen naleving van de bestaande regelgeving inzake identificatie en registratie van het grootste belang is, maar dat ook verdergaande maatregelen op dit terrein onontbeerlijk zijn voor de varkenssector in zijn geheel. Deze aanpassing hebben betrekking op het vervroegen van de merkverplichting, een eenduidiger omschrijving van het begrip vestiging en meer gedetailleerde registratie en meld verplichting ten aanzien van vervoersmiddelen." De Verordening luidt, voorzover hier van belang: " Artikel 1 1. In deze verordening wordt verstaan onder: (..) b) voorzitter: de Voorzitter van het Productschap; (.) k) vestiging: het geheel van tot een bedrijf behorende productie-eenheden bestaande uit de op ‚‚n plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen dan wel de afgescheiden gedeelten daarvan die door een keuringsarts, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling handel levende dieren en levende produkten, als functionele en veterinaire eenheid voor het houden, opfokken of verzorgen van varkens in gebruik is of daartoe is bestemd; (.) r) UBN: het door of namens de Voorzitter aan het varkensbeslag op de vestiging uitgegeven Uniek Bedrijfsnummer" Artikel 1, onderdeel k, wordt in de toelichting op de Verordening als volgt toegelicht: " De definitie van vestiging betreft een wijziging ten opzichte van de eerdere definitie. Doordat voorheen de mogelijkheid bestond op verzoek ook afgescheiden gedeelten van een bedrijf als vestiging aan te merken, maar ook bedrijven binnen de straal van 1 km werd de bestrijding van dierziekten ernstig bemoeilijkt. Hier is dan ook gekozen om aangrenzende grond en gebouwen als ‚‚n vestiging te beschouwen, tenzij de RVV deze als afzonderlijke eenheid aanmerkt. Daarbij moet het gaan om een afgescheiden functionele en veterinaire eenheid. Op het vervoersdocument dient voortaan mede het RVV- erkenningsnummer te worden vermeld." Artikel 2 van de Verordening luidt voorzover hier van belang: "1. De voorzitter wijst een dienst aan die belast is met de uitvoering van het bij of krachtens deze verordening bepaalde. 2. De voorzitter kan de dienst opdragen om namens hem besluiten te nemen ter uitvoering van het bij of krachtens deze verordening bepaalde." 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Appellante exploiteert een varkenshouderij aan de C en de D in B. - Naar aanleiding van de Verordening heeft de Gezondheidsdienst voor Dieren per 29 september 1997 veranderingen in het UBN systeem doorgevoerd, op grond waarvan aan het voorheen door appellante samengevoegde bedrijf afzonderlijke UBN-nummers voor de twee verschillende vestigingen zijn toegekend. - Bij besluit van 20 november 1998 heeft voormelde dienst - die ingevolge artikel 2 van de Verordening is aangewezen bij besluit van verweerders voorzitter d.d. 11 december 1997 - kennelijk namens de voorzitter van verweerder aan appellante het volgende bericht: " Bij brief van 13 oktober 1998 heeft u de Gezondheidsdienst voor Dieren verzocht om twee locaties van uw varkenshouderijbedrijf, te weten: C en D, te B, onder ‚‚n UBN te mogen voeren. In antwoord op uw verzoek bericht ik u het volgende. In de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998 van het Productschap voor Vee en Vlees, staat onder de definitie van UBN: "het door of namens de Voorzitter aan het varkensbeslag op de vestiging uitgegeven Uniek Bedrijfsnummer". Het begrip 'vestiging' is gedefinieerd als "het geheel van tot een bedrijf behorende productie-eenheden bestaande uit de op ‚‚n plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen dan wel de afgescheiden gedeelten daarvan die door een keuringsarts, als bedoeld in artikel 1.1. van de Regeling handel levende dieren en levende produkten, als functionele en veterinaire eenheid voor het houden, opfokken of verzorgen van varkens in gebruik is of daartoe bestemd is." Uit uw brief blijkt dat het geheel van de door u bedoelde productie- eenheden niet voldoet aan de bovenvermelde definitie van vestiging. Het betreft g‚‚n aangrenzende percelen grond en gebouwen. De percelen zijn gescheiden door een openbare weg. Uw verzoek wordt afgewezen. Op grond van bovenstaande dienen beide lokaties elk te beschikken over een eigen UBN." - Appellante heeft tegen dit besluit op 23 december 1998 bezwaar gemaakt bij verweerder. - Op 6 mei 1999 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift gehoord door verweerders bezwaarschriftencommissie. Uit het verslag van de zitting wordt de navolgende passage geciteerd. " De heer A zegt dat hij in 1994 het bedrijf van zijn buurman, dat 30m vanaf zijn eigen hoofdvestiging ligt, heeft gekocht. In 1994 was het toegestaan om i.p.v. twee UBN nummers ‚‚n UBN nummer aan te vragen. Door de varkenspest heeft zijn bedrijf echter twee UBN nummers gekregen. Verzoeker wil graag weer ‚‚n UBN voor zijn bedrijf aangezien het hebben van twee UBN's veel extra kosten en administratief werk met zich meebrengt. Hij laat met behulp van foto's zien dat de locatie alleen wordt gescheiden door een onverharde zandweg waar geen verkeer overheen rijdt. Hij legt uit dat de dieren na de geboorte op de hoofdvestiging een oormerk krijgen, daarna gaan ze naar de nevenvestiging en na zes weken gaan ze weer terug naar de hoofdvestiging. Dit betekent dat de dieren zes weken met een ander UBN nummer op een andere vestiging verblijven. De heer E legt uit wat de extra kosten zijn wanneer het bedrijf twee UBN's heeft. De dieren moeten nu twee keer aan- en afgemeld worden. Twee keer per week vindt er een transport met biggen plaats, waardoor er twee keer RVL aangevraagd moet worden. Ook de aanvraag van extra aanmeldingsformulieren brengt administratieve kosten met zich mee. De heer F voegt daaraan toe dat er ook vanuit veterinair oogpunt bezien nadelen zijn. Er moet nu twee keer zo veel bloed bij de biggen worden getapt. Ook zijn er twee keer zoveel onderzoekskosten en dienen er aparte logboeken bijgehouden te worden. Gevoelsmatig is dit voor verzoeker ‚‚n bedrijf." - Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit In het bestreden besluit heeft verweerder als volgt overwogen. " Ingevolge de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998 van het productschap wordt onder UBN verstaan: "het door of namens de Voorzitter aan het varkensbeslag op de vestiging uitgegeven Uniek Bedrijfsnummer". In bovengenoemde verordening is het begrip "vestiging" gedefinieerd als "het geheel van tot een bedrijf behorende productie-eenheden bestaande uit de op ‚‚n plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen dan wel de afgescheiden gedeelten daarvan die door een keuringsarts, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling handel levende dieren en levende producten, als functionele en veterinaire eenheid voor het houden, opfokken of verzorgen van varkens in gebruik is of daartoe bestemd is". Uit de overgelegde informatie van de Gemeente Meerlo-Wansum blijkt onomstotelijk dat de onverharde weg gelegen tussen de twee vestigingen een openbaar karakter heeft, waarvan door eenieder gebruik gemaakt kan worden. Of, en zo ja in welke mate van deze weg door anderen gebruik gemaakt wordt, is in dezen niet relevant. Beide adressen kunnen dus niet worden aangemerkt als ‚‚n vestiging zoals bedoeld in de betrokken verordening. In deze verordening is voor deze wijze gekozen nadat bij de varkenspestbestrijding is gebleken dat wanneer meerdere vestigingen onder ‚‚n UBN bestaan, dit de bestrijding van de varkenspest ernstig bemoeilijkt en vertraagt. Het productschap kan dan ook niet tot een andere conclusie komen dan uw bezwaarschrift af te wijzen. Het productschap realiseert zich dat dit hogere kosten voor uw bedrijf met zich meebrengt, maar is echter gelet op de betekenis van deze maatregel in het kader van het voorkomen en bestrijden van dierziekten van oordeel dat dit vanuit een oogpunt van algemeen belang zwaarder dient te wegen dan de hiermee gepaard gaande individuele nadelen. Het productschap acht uw bezwaar derhalve ongegrond en handhaaft de beslissing van GD d.d. 20 november 1998." 4. Het standpunt van appellante Appellante heeft aangevoerd dat de uitleg van verweerder, inhoudend dat door de aanwezigheid van de onverharde weg sprake is van twee vestigingen, te eng is en niet wordt gedragen door de Verordening. Naar haar mening zijn productie-eenheden bestaande uit op ‚‚n plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen als ‚‚n vestiging aan te merken. Het moet feitelijk gaan om een functionele en veterinaire eenheid. De percelen en gebouwen van appellante liggen bij elkaar. Dat van een functionele en veterinaire eenheid sprake is, wordt onderstreept door het feit dat voor het bedrijf ‚‚n milieuvergunning is afgegeven. Het vorenstaande wordt niet anders doordat het bedrijf wordt doorsneden door een smal landbouwweggetje. Temeer niet omdat over dit weggetje geen bedrijfsvreemd verkeer gaat. Er vinden hier geen transporten plaats tussen verschillende bedrijven, maar enkel de gebruikelijke verplaatsingen binnen hetzelfde bedrijf. De herkomst van de varkens is in dit geval steeds eenvoudig te achterhalen. Appellante acht het bestreden besluit in strijd met de Verordening, althans met de beginselen van behoorlijk bestuur, meer concreet met een redelijke wetsuitleg, zorgvuldige voorbereiding en een voldoende draagkrachtige motivering. 5. De beoordeling van het geschil Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de beide te onderscheiden door appellante ge‰xploiteerde locaties twee aparte UBN nummers moeten worden toegekend. Dienaangaande overweegt het College als volgt. De Verordening behelst een aanpassing van het regime ten opzichte van de voorgaande regeling, samenhangend met de uitbraak van varkenspest in 1997. In dit verband wordt blijkens de toelichting op de Verordening het begrip vestiging eenduidiger dan voorheen omschreven in artikel 1, onder k. Het College deelt het oordeel van verweerder dat geen sprake is van aangrenzende percelen grond en gebouwen als bedoeld in deze bepaling, indien - zoals het geval is - de beide bedrijfsgedeelten worden doorsneden door een openbare weg. Nu evenmin sprake is van afgescheiden gedeelten als bedoeld in het tweede gedeelte van de definitiebepaling van het begrip "vestiging", heeft verweerder terecht geoordeeld dat sprake is van twee afzonderlijke vestigingen. Dit brengt, gelet op artikel 1, aanhef en sub r van de Verordening, voor appellante noodzakelijkerwijs de toekenning van twee aparte UBN nummers mee. Nu evenmin is gebleken dat bedoelde definitiebepalingen zich niet zouden verdragen met enige hogere rechtsregel, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001. w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining