
Jurisprudentie
AB0299
Datum uitspraak1999-12-17
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers802/98
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers802/98
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 802/98 17 december 1999
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te P (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen over het jaar 1994.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Belanghebbende werd voor het jaar 1994 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (hierna te noemen: de Wet), van f 68.839,--
Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak van 28 april 1998 de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift ( met bijlagen), hetwelk op 4 juni 1998 ter griffie is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 28 september 1998.
Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 21 september 1999, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en zijn gemachtigde alsmede de inspecteur.
Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd met -onder bezwaar van de inspecteur- diverse bijlagen.
De inspecteur heeft eveneens een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.
Het gerechtshof heeft op 5 oktober 1999 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn aangetekend aan partijen verzonden op 11 oktober 1999.
Bij een op 13 oktober 1999 ter griffie ingekomen faxbericht heeft de gemachtigde van belanghebbende het gerechtshof verzocht vorenbedoelde mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht van f 150,-- is op 11 november 1999 voldaan.
Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd, met uitzondering van het hierna onder 5.1 overwogene.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Belanghebbende is sinds 23 april 1994 eigenaar van een kavel, gelegen op het landgoed "A", a-straat 1, Q, gemeente R. Op deze kavel is een recreatiebungalow (nummer 01) gebouwd. Het beheer en de verhuur van de recreatiebungalow heeft belanghebbende in handen gegeven van B B.V.
2.2 Artikel 1 van de verhuurovereenkomst luidt (voorzover hier van belang) als volgt:
"1.1 B verkrijgt het recht om het recreatielandhuis te verhuren met ingang van 1 september 1994. Indien bepaalde periodes voor verhuur worden uitgesloten dan kan dit in een door de eigenaar ondertekend schrijven worden aangegeven. Onder eigen gebruik door de eigenaar wordt eveneens begrepen het gebruik van het recreatielandhuis door diens familie. (...)
1.2 reserveren van zogenaamd "spontaan eigen gebruik" van het recreatielandhuis door de eigenaar is mogelijk van 9.00 uur tot 12.00 uur op de maandag voorafgaand aan de aankomstdatum in de week daaropvolgend. (...)"
2.3 B B.V. heeft op haar beurt de verhuur uit handen gegeven aan C B.V. Voor haar bemoeienissen ontvangt B B.V. een provisie van 25 percent over de huuropbrengst exclusief BTW.
2.4 In zijn aangifte voor het onderhavige jaar voert belanghebbende aan huuropbrengst een bedrag ad f 7.252,-- op en aan aftrekbare kosten een bedrag ad f 20.355,--, zodat per saldo een negatief bedrag aan inkomsten onroerende zaken resteert van f 13.103,--.
2.5 Bij het in behandeling nemen van de aangifte stelt de inspecteur belanghebbende bij brief van 15 januari 1996 een aantal vragen, zoals:
- Hoeveel weken is de recreatiebungalow
verhuurd geweest?
- Wat is de waarde van de recreatiebungalow?
- Wat is de waarde van het meubilair en de inventaris?
- Hoeveel bedragen de kosten van gas/water en licht over de verhuurde perioden?
2.6 Bij brief van 19 januari 1996 stelt belanghebbendes gemachtigde vast dat het huisje uitsluitend bestemd is en wordt gebruikt voor verhuur. Gegevens worden niet verstrekt, wel de opmerking dat de inspecteur "o.i. verder geen gegevens nodig heeft. Voorzover u gegevens nodig heeft, zijn deze reeds in uw bezit."
2.7 Op 19 april 1996 heeft een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van de inspecteur waarbij zowel belanghebbende en zijn gemachtigde aanwezig waren. De gevraagde gegevens werden ook toen niet verstrekt en ondanks een toezegging van belanghebbende ook niet naderhand opgestuurd. Bij brief van 10 september 1996 deelt de inspecteur aan belanghebbende mee, bij gebrek aan feitelijke gegevens uit te zullen gaan van een aantal veronderstellingen. De inspecteur berekent vervolgens veronderstellenderwijs de inkomsten uit de recreatiebungalow op negatief f 4.836,--.
2.8 Bij brief van 30 oktober 1996 maakt belanghebbende bezwaar tegen de (aldus) opgelegde aanslag.
2.9 Bij brief van 7 juli 1997 verzoekt de inspecteur belanghebbende om overlegging van;
- de afrekeningen van Landgoed A over 1994, 1995 en 1996;
- een verklaring dat belanghebbende geen recreatief gebruik van de bungalow heeft gemaakt en zal maken;
- een verklaring van het Landgoed dat door belanghebbende geen recreatief gebruik van de bungalow is gemaakt.
Bij brief van 11 augustus 1997 stuur belanghebbende de gevraagde verklaringen mee en stelt vast dat de inspecteur "reeds in het bezit is van de afrekeningen van Landgoed A ." Bij brief van 6 oktober 1997 verwijst belanghebbendes gemachtigde de inspecteur "voor de laatste keer naar de legger van cliƫnt."
2.10 Bij brief van 11 november 1997 verzoekt de inspecteur nogmaals om toezending van de afrekeningen van het bungalowpark en kondigt aan bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens zich in een beroepsprocedure te zullen beroep op artikel 29, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (omkering van de bewijslast).
2.11 Op 9 januari 1998 verzoekt de inspecteur belanghebbende (onder meer) te reageren op de brief van 11 november 1997.
Bij brief van 12 januari 1998 overlegt belanghebbende afschriften van A over de maanden juli, april, september en november 1996.
2.12 Bij brief van 6 februari 1998 verzoekt de inspecteur beantwoording van de in zijn brief van 15 januari 1996 gestelde vragen. Belanghebbendes gemachtigde reageert hierop bij brief van 9 maart 1998 en verwijst hierin naar de reeds verstuurde verklaringen.
2.13 Bij brief van 28 april 1998 wijst de inspecteur belanghebbendes bezwaar af.
3. Het geschil.
Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of voor de onderwerpelijke aanslag ter zake de opbrengst van de recreatiebungalow het bepaalde in art. 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) danwel het bepaalde in art. 24 en 35 van de Wet, al dan niet onder omkering van de bewijslast, moet worden toegepast.
4. De standpunten van partijen:
Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.
5. De overwegingen omtrent het geschil:
5.1 Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Het hof is van oordeel dat belanghebbende hoewel hij meerdere malen in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt met gegevens te staven, zich niet heeft gehouden aan de in voormeld artikel opgenomen verplichting.
Op de ter zitting overgelegde stukken slaat het hof geen acht, nu de inspecteur zich tegen overlegging daarvan heeft verzet. Nu belanghebbende geen redelijke grond heeft aangevoerd voor het pas ter zitting overleggen van de meerdere malen door de inspecteur gevraagde gegevens, beschouwt het hof deze als tardief. Dat de inspecteur de gevraagde gegevens al in het bezit zou hebben, zij het dat die gegevens bij de aangiftes omzetbelasting zouden zijn gevoegd, acht het hof, gelet op de ontkenning daarvan door de inspecteur niet geloofwaardig.
5.2 Ingevolge artikel 29, eerste lid van de AWR moet het hof het beroep van belanghebbende daarom afwijzen, tenzij gebleken zou zijn dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Belanghebbende heeft evenwel niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Het hof is bovendien van oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet willekeurig te werk is gegaan.
6. De conclusie.
Belanghebbendes beroep is derhalve ongegrond.
7. De proceskosten.
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
8. De beslissing.
Het gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan beroep.
Gedaan op 17 december 1999 door mr Pruiksma, vice-president, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Goederee als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.
Op 22 december 1999 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.
[Zie ook het arrest HR 35851 (red.)]