Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0290

Datum uitspraak2001-02-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 98/13
Statusgepubliceerd


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB98/13 20 februari 2001 5090 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellante, gemachtigde: mr A.T.M. Jansen, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr T. Robbertsen, werkzaam bij Belastingdienst/Douane district Arnhem. 1. De procedure Op 9 januari 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een door de inspecteur Belastingdienst/Douane district Utrecht genomen besluit van 28 november 1997. Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellante tegen een aan haar op grond van artikel 204, tweede lid, juncto artikel 221 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: het CDW) gerichte uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) van 20 juni 1997. Appellante heeft haar beroep nader aangevuld bij schrijven van 29 april 1998. Verweerder heeft op 30 juni 1998 een verweerschrift ingediend. Op 3 november 1999 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Bij beschikking van 15 december 1999 is het onderzoek heropend teneinde verweerder de gelegenheid te geven schriftelijk een vraag te beantwoorden. Bij schrijven van 5 januari 2000 heeft verweerder het College geantwoord, waarop appellante bij schrijven van 20 januari 2000 heeft gereageerd. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 april 2000, bij welke gelegenheid partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Artikel 4, aanhef en onder 10 en 11 van het CDW luidden tot 1 januari 1997 als volgt: " In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder: 10. rechten bij invoer: - de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn; - de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn; 11. rechten bij uitvoer: - de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van goederen van toepassing zijn; - de landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn." Artikel 20, derde lid, van het CDW, aanhef en onder c, luidde tot 1 januari 1997 als volgt: " Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat: (.) c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot: - de douanerechten, en - de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;" Artikel 4, aanhef en onder 10 en 11 van het CDW luiden sinds 1 januari 1997 als volgt: " In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder: 10. rechten bij invoer: - de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn; - de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van de het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn; 11. rechten bij uitvoer: - de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van goederen van toepassing zijn; - de andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;" Artikel 20, derde lid, aanhef en onder c, van het CDW luidt sinds 1 januari 1997 als volgt: " Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat: (.) c. de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot : - de douanerechten, en - de belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;" Verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay- Ronde, zoals gewijzigd bij de Verordeningen (EG) van 26 juni 1996, nr. 1193/96, van 25 juni 1996, nr. 1161/97 en van 24 juni 1998, nr. 1340/98 houdt, onder meer het volgende in: " DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, (.) Overwegende dat de Gemeenschap in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde na onderhandeling overeenstemming heeft bereikt over een aantal overeenkomsten (hierna "GATT-overeenkomsten" te noemen); dat enkele van deze overeenkomsten, met name de Overeenkomst inzake de landbouw (hierna "de Overeenkomst" te noemen), betrekking hebben op de landbouwsector; dat, aangezien de concessies inzake interne steunverlening kunnen worden nageleefd door de prijzen en de steunbedragen op een passend niveau vast te stellen, dienaangaande geen specifieke bepalingen behoeven te worden vastgesteld; dat de Overeenkomst, gespreid over een periode van zes jaar, voorziet in vergroting van de toegang van landbouwprodukten uit derde landen tot de markt van de Gemeenschap enerzijds en geleidelijke verlaging van de steun van de Gemeenschap voor de uitvoer van landbouwprodukten anderzijds; dat de landbouwwetgeving inzake het handelsverkeer met derde landen bijgevolg aangepast moet worden; Overwegende dat de Overeenkomst met de verplichting om alle maatregelen die de invoer van landbouwprodukten beperken in douanerechten om te rekenen (tarificatie) en met het verbod om in de toekomst dergelijke maatregelen toe te passen, meebrengt dat de variabele heffingen bij invoer en de andere maatregelen en belastingen bij invoer die momenteel gelden in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen, moeten worden afgeschaft; dat de douanerechten volgens de Overeenkomst van toepassing zijn voor landbouwprodukten, zullen worden vastgesteld in het gemeenschappelijk douanetarief; dat echter voor bepaalde sectoren, zoals granen, rijst, wijn en groenten en fruit, met het oog op de invoering van aanvullende of andere regelingen dan stabiele douanerechten afwijkingsbepalingen in de basisverordeningen moeten worden opgenomen; dat voorts op grond van de Overeenkomst de maatregelen ter bescherming van de markt van de Gemeenschap tegen de invoer van rozijnen en krenten en verwerkte kersen voor vijf jaar gehandhaafd mogen worden; dat het voorts, om problemen op het vlak van de voorziening van de markt van de Gemeenschap te voorkomen, dienstig is toe te staan dat voor bepaalde produkten van de sector suiker de toepassing van de douanerechten wordt geschorst; Overwegende dat, met het oog op het behoud van een minimum aan bescherming tegen de nadelige marktconsequenties die het gevolg kunnen zijn van bovengenoemde tarificatie, het in de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen is toegestaan om onder nauwkeurig bepaalde voorwaarden en uitsluitend voor de produkten waarvoor de tarificatie geldt aanvullende douanerechten toe te passen; dat derhalve in de betrokken basisverordeningen een bepaling in bovengenoemde zin moet worden opgenomen; (.) Overwegende dat als gevolg van de bij deze verordening vastgestelde wijzigingen in de landbouwwetgeving talrijke verordeningen van de Raad die afgeleid zijn van de basisverordeningen geen zin meer hebben: dat het, met het oog op juridische duidelijkheid, dienstig is die verordeningen in te trekken; dat tegelijk ook een aantal bepalingen moet worden ingetrokken die weliswaar niet rechtstreeks verband houden met de GATT-overeenkomsten, maar die ook achterhaald zijn; dat hetzelfde geldt voor een aantal verordeningen van de Raad (zogenaamde verordeningen van de "tweede generatie"), waarvan het merendeel in de betrokken basisverordeningen kan worden opgenomen;" (.) HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Bij deze verordening worden de aanpassingen en overgangsmaatregelen vastgesteld voor de tenuitvoerlegging in de landbouwsector van de overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde. Artikel 2 De in artikel 1 bedoelde aanpassingen zijn opgenomen in de bijlagen. Artikel 3 1. Als in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid maatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de huidige regeling naar de regeling die het resultaat is van de aanpassingen aan de eisen die voortvloeien uit de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, worden deze overgangsmaatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naar gelang van het geval, de daarmee corresponderende artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten of van Verordening (EG) nr. 3448/93. Bij de vaststelling van deze maatregelen wordt, met inachtneming van de verplichtingen op grond van de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, rekening gehouden met de specifieke omstandigheden in de verschillende sectoren van de landbouw. 2. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen worden vastgesteld tot en met 30 juni 1999 en uiterlijk tot die datum worden toegepast. De Raad kan de betrokken periode op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlengen. (.) Artikel 6 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1995. 2. Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1995. De bepalingen: a. van de artikelen 3 en 4, lid 2, zijn echter van toepassing met ingang van 1 januari 1995; b. die in de bijlagen zijn vastgesteld met betrekking tot de invoerrechten en de aanvullende invoerrechten voor de in de bijlagen XIII en XVI bedoelde produkten waarvoor een invoerprijs wordt toegepast, zijn echter in 1995 van toepassing vanaf het begin van het verkoopseizoen van de betrokken produkten in 1995; c. die betrekking hebben op de uitvoerrestituties zijn echter van toepassing - met ingang van 1 september 1995 voor de bijlagen II en XVI, -met ingang van 1 oktober 1995 voor bijlage IV, -met ingang van 1 november 1995 voor bijlage V; d. die zijn vastgesteld in bijlage XV zijn echter van toepassing met ingang van 1 januari 1995; e. die zijn vastgesteld in bijlage XVI, onderdeel l, punt 2, zijn echter van toepassing met ingang van 1 januari 1996. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat." Verordening (EG) nr. 1035/96 van de Commissie van 8 mei 1996 tot wijziging van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief houdt onder meer het volgende in: " DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Overwegende dat de gecombineerde nomenclatuur gewijzigd dient te worden vanwege: - gewijzigde eisen op het gebied van de statistieken en het handelsbeleid, met name ingevolge Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten, Verordening (EG) nr. 3093/95 van de Raad van 22 december 1995 houdende vaststelling van de uit de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT voortvloeiende rechten die de Gemeenschap dient toe te passen als gevolg van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden tot de Europese Unie en van andere bepalingen die door de Raad of door de Commissie zijn vastgesteld; (.) HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 344/96 van de Raad van 26 februari 1996 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, wordt bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 overeenkomstig de bijlagen bij deze verordening gewijzigd. Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1996. (.) invoerrecht GN-code Omschrijving autonoom conventioneel (%) (%) 1 2 3 4 1509 Olijfolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd: 1509 10 - verkregen bij de eerste persing: 1509 10 10 - - lampolie........153,2 Ecu/ 143 Ecu/ 100 kg/net 100 kg/net 1509 10 90 - - andere.........155,6 Ecu/ 145,2 Ecu/ 100 kg/net 100 kg/net" Verordening (EG) nr. 2146/95 van de Commissie van 8 september 1995 betreffende de voorlopige aanpassing van de speciale regelingen voor invoer van olijfolie van oorsprong uit Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ en Turkije met het oog op de uitvoering van de landbouwovereenkomst in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde en houdende afwijkingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1514/76, (EEG) nr. 1620/77, (EEG) nr.1521/76, (EEG) nr. 1508/76 en (EEG) nr. 1580/77 van de Raad, houdt onder meer het volgende in: " DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, (.) Overwegende dat de Gemeenschap zich er in de landbouwovereenkomst in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde toe heeft verbonden de variabele landbouwheffingen te tariferen en ze per 1 juli 1995 door vaste douanerechten te vervangen; dat de speciale regelingen door deze vervanging onwerkbaar dreigen te worden en dat bijgevolg, in afwachting van nieuwe regelingen, voorlopig moet worden afgeweken van de Verordeningen (EEG) nr. 1514/76, (EEG) nr. 1620/77, (EEG) nr. 1521/76, (EEG) nr. 1508/76 en (EEG) nr. 1180/77; Overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1477/95 van de Commissie van 28 juni 1995 tot vaststelling van een aantal overgangsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van de landbouwovereenkomst in het kader van de Uruguay- Ronde in de sector olijfolie, de rechten zijn vastgesteld die bij invoer van olijfolie in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober 1995 moeten worden toegepast in de plaats van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief; Overwegende dat bijgevolg moet worden bepaald dat de forfaitaire verlagingen voor de verschillende soorten olijfolie gedurende een overgangsperiode gelden voor de van toepassing zijnde douanerechten van het gemeenschappelijk douanetarief; dat deze verlagingen respectievelijk 4,661 en 8,754 ecu per 100 kg van de bedoelde olie bedragen; dat bijgevolg voor Algerije, Marokko en Tunesi‰ die bedragen eveneens moeten gelden, en voor Turkije 80 % ervan; Overwegende dat wegens de vervanging van de heffingen door vaste rechten en de afwijkingen van de genoemde verordeningen van de Raad ook wijzigingen moeten worden aangebracht in de Verordeningen (EEG) nr. 1587/76, (EEG) nr. 1880/77, (EEG) nr. 1588/76, (EEG) nr. 1586/76 en (EEG) nr. 1401/77 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer van olijfolie van oorsprong uit respectievelijk Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ en Turkije; dat het dienstig is duidelijkheidshalve deze verordeningen in te trekken en nieuwe uitvoeringsbepalingen vast te stellen, maar daarbij de essentie van de vroegere bepalingen te behouden; (.) HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 In afwijking van de artikelen 1,3, 4 en 5 van de Verordeningen (EEG) nr. 1514/76, (EEG) nr. 1620/77, (EEG) nr. 1521/76 en (EEG) nr. 1508/76, en van de artikelen 9 en 10 van Verordening (EEG) nr. 1180/77 worden in deze verordening de voorschriften vastgesteld voor de speciale regelingen voor de invoer van olijfolie van oorsprong uit Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ en Turkije voor de periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996. Artikel 2 1. Het toe te passen recht bij invoer in de Gemeenschap van olijfolie van de GN-codes 1509 10 en 1510 00 10 die geen raffinageproces heeft ondergaan, volledig in Algerije, Libanon, Marokko, Tunesi‰ of Turkije is verkregen en rechtstreeks van die landen naar de Gemeenschap is vervoerd, wordt verminderd met 0,7245 ecu per 100 kilogram. (.) 3. Als Algerije, Marokko en Tunesi‰ een bijzondere uitvoerheffing toepassen op olijfolie van de in lid 1 bedoelde GN-codes die volledig in Algerije, Marokko of Tunesi‰ is verkregen en rechtstreeks van die landen naar de Gemeenschap wordt vervoerd, wordt het toe te passen recht bovendien verminderd met een bedrag dat gelijk is aan dat van de bijzondere uitvoerheffing, maar maximaal 14,60 ecu per 100 kilogram." Verordening (EG) nr. 1477/95 van de Commissie van 28 juni 1995 tot vaststelling van een aantal overgangsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van de landbouwovereenkomst in het kader van de Uruguay-Ronde, in de sector olijfolie, houdt onder meer het volgende in: " Overwegende dat, mede gezien de huidige marktsituatie, die wordt gekenmerkt door hoge prijzen voor olijfolie uit de Gemeenschap, moet worden geconstateerd dat door het aanzienlijke verschil tussen het op grond van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde (hierna "de overeenkomsten" genoemd) toe te passen recht en de momenteel toegepaste heffing de markt zou worden verstoord als vanaf 1 juli 1995 het recht onmiddellijk volledig zou worden toegepast; dat bijgevolg moet worden bepaald dat tot aan het einde van dit verkoopseizoen een verlaagd recht zal worden toegepast; (.) HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 bis van Verordening nr. 136/66/EEG worden bij invoer van de in de bijlage genoemde produkten in de periode van 1 juli tot en met 31 oktober 1995 de in de bijlage vastgestelde rechten toegepast. (.) Artikel 5 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1995. (.) BIJLAGE Olijfolie GN-code ecu/100 kg 1509 10 10 75 1509 10 90 76 1509 90 00 87 1510 00 10 82 1510 00 90 128." Verordening (EG) nr.2572/95 van de Commissie van 31 oktober 1995 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1477/95 houdt onder meer het volgende in: " Artikel 1 Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1477/95 wordt vervangen door: "Artikel 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2 bis van Verordening nr. 136/66/EEG worden bij de invoer van de in de bijlage genoemde produkten in de periode van 1 november 1995 tot en met 30 juni 1996 de in de bijlage vastgestelde rechten toegepast". Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 1 november 1995." Verordening (EG) nr. 1217/96 van de Commissie van 28 juni 1996 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1477/95 houdt onder meer het volgende in: " Artikel 1 Verordening (EG) nr. 1477/95 wordt als volgt gewijzigd: 1. In artikel 1 wordt de datum "30 juni 1996" vervangen door "31 oktober 1996". 2. In artikel 5 wordt de tweede alinea vervangen door: "Zij is van toepassing van 1 juli 1995 tot en met 31 oktober 1996."" De artikelen 30c en 30d, lid 1,van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR) luidden ten tijde van belang als volgt: " Art. 30c In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt onder rechter verstaan de Tariefcommissie indien de uitspraak, bedoeld in artikel 26, betrekking heeft op een uitnodiging tot betaling met betrekking tot douanerechten, dan wel op een beschikking die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet, andere dan die van hoofdstuk 5 van die wet. Art. 30d - 1. Tegen een uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen, compenserende heffingen of landbouwheffingen, onderscheidenlijk een in artikel 886, eerste lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding ter zake van deze heffingen, staat, in afwijking van hetgeen omtrent bezwaar en beroep in de andere artikelen van dit hoofdstuk is bepaald, beroep open op het College van Beroep voor het bedrijfsleven. -2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan degene die een douaneaangifte heeft gedaan en in verband met de toepassing van de wettelijke voorschriften inzake antidumpingheffingen, compenserende heffingen of landbouwheffingen bezwaar heeft tegen de door de inspecteur voor die goederen toegepaste indeling in het douanetarief, bedoeld in artikel 20, derde lid, van het Communautair douanewetboek, een bezwaarschrift indienen op de voet van artikel 23." De Douanewet bevat onder meer de volgende bepalingen: " Artikel 1 (.) 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder rechten bij invoer : a. douanerechten in de zin van het vierde lid en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn; b. landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn. 3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder rechten bij uitvoer : a. douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van goederen van toepassing zijn; b. landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn; 4. Onder de naam ' douanerechten ' wordt een belasting geheven overeenkomstig hetgeen dienaangaande, mede onder de benaming invoerrecht, is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties. (.) Artikel 2 (.) 2. In deze wet en de andere wetten inzake de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer, alsmede de daarop berustende bepalingen, wordt in aanvulling op de begripsbepalingen van het Communautair douanewetboek verstaan onder : (.) c. landbouwheffingen: zowel landbouwheffingen als andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn ; (.)." 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan. - Op 4 november en 21 november 1996 heeft appellante onder de nummers 00006099900-96-14914 en 00006099900-96-15131 twee aangiften van invoer gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van respectievelijk 13603 en 11850 liter olijfolie met Marokko als land van oorsprong. - De Belastingdienst/Douanepost Utrecht heeft de aangiften aanvaard en de hiermee gemoeide aan rechten bij invoer/landbouwheffing handmatig berekend. Deze bedroegen respectievelijk f 18.583,10 en f 14.829,10. Het laatste bedrag staat op het desbetreffende aangifteformulier vermeld. De berekening is geschied overeenkomsting de wijze als bepaald in Verordening (EG) nr. 1477/95.` - Op 20 juni 1997 zond de inspecteur Belastingdienst/Douanepost Utrecht aan appellante een UTB. Deze bevat onder meer de volgende passages: " De Centrale Douane Administratie heeft op 15-5-1997 geconstateerd dat voor de volgende aangiften ten invoer welke hierna worden vermeld een te lage Landbouwheffing is uitgetrokken. De oorzaak hiervan is dat door Brussel de Heffing met terugwerkende kracht is verhoogd, waardoor er in eerste instantie een te lage Landbouwheffing is berekend. Het gevolg hiervan is dat er ook een correctie is op de verschuldigde Omzetbelasting. Het betreft: IM 4 6099900 96 00014914 zie bijlage, IM 4 6099900 96 00015131 zie bijlage. (.) De berekening van de verschuldigde rechten bij invoer luidt als volgt: zie bijlagen. IM 4 6099900 97 00014914 Landbouwheffing fl. 20314,90 Omzetbelasting fl. 1218,80 IM 4 6099900 97 00015131 Landbouwheffing fl. 16210,90 Omzetbelasting fl. 972,60 TOTAAL fl. 38717,20" - Op 22 juli 1997 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze UTB. - Hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hij heeft hierbij onder meer het volgende overwogen: " Door de omzetting van de landbouwheffingen per 1 juli 1995 in vaste douanerechten dreigden de regelingen in het kader van de Uruguay ronden onwerkbaar te worden. In de Verordening (EG) nr. 2146/95 van 8 september 1995 zijn voorlopige aanpassingen van de speciale regelingen voor de invoer van olijfolie uit o.a. Marokko vastgesteld. Deze verordening is van toepassing van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996. Door deze regeling is het mogelijk douanerechten te verlagen. In de Verordening (EG) nr. 1193/96 van 26 juni 1996 is bepaald dat de periode waarin de overgangsmaatregelen kunnen worden genomen in de zin van bovengenoemde verordening is verlengd tot 30 juni 1997. In de Verordening (EG) nr. 3290/94 van 22 december 1994 zijn aanpassingen en overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten van de Uruguay ronden opgenomen. Deze houden een verlaging in van de rechten in een aantal gevallen. In de Verordening (EG) nr. 1477/95 van 28 juni 1995 is bepaald dat voor een periode van 1 juli 1995 tot en met 30 juni 1996 een verlaagd recht wordt toegepast voor olijfolie in plaats van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. Omdat de marktsituatie op grond waarvan de verlaging is vastgesteld niet is veranderd, is in Verordening (EG) nr. 1217/96 van (.) 28 juni 1996 de verlaging verlengd. Deze verlaging is voor de invoer uit Marokko verlengd tot 31 oktober 1996. Daarna is door de EG-Commissie besloten de verlaging niet meer te verlengen. Dit besluit om niets te doen (geen nieuwe verordening met een verlenging van de verlaging) heeft inderdaad niet geleid tot een beslissing in de vorm van een verordening. Het "normale" tarief vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1035/96 van 8 mei 1996 was gewoon weer van toepassing. De douaneadministraties in de lidstaten, en ook het Productschap voor Minerale Vetten en Oli‰n, gingen ervan uit dat de laatste verordening tot verlaging van de rechten, die geldig was tot 31 oktober 1996, verlengd zou worden. De Commissie in Brussel heeft echter geen besluit tot verlenging van de verlaging genomen. De Commissie gaf als reden aan dat de verlaging niet gehandhaafd kon blijven in verband met de marktontwikkelingen. Op 11 december 1996 heeft het Productschap MVO, in de circulatie met volgnummer 1445/96, de per 1 november 1996 geldende tarieven gepubliceerd en aan de aangesloten bedrijven verzonden. De importeur, volgens de aangiften Bourmana te Utrecht, had dus vanaf 11 december 1996 van de geldende rechten bij invoer op de hoogte moeten en kunnen zijn. Door deze omstandigheden is vanaf 1 november 1996 in het tariefsysteem van de douane een onjuist tarief gehanteerd. De douaneadministratie, ook middels de circulaire van het Productschap MVO in kennis gesteld, moest toen uitzoeken welke aangiften landelijk tegen het onjuiste tarief waren afgehandeld. De te volgens procedures bij deze landelijke actie heeft ertoe geleid, dat u pas op 20 juni 1997 een uitnodiging tot betaling heeft ontvangen. Door middel van een uitnodiging tot betaling is de te weinig betaalde heffing alsnog nagevorderd op basis van artikel 220 van het CDW. De boeking achteraf van het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten blijft achterwege als, het niet boeken het gevolg was van een fout (vergissing) van de douaneautoriteiten zelf, die niet redelijkerwijs door belastingschuldige kon worden ontdekt. Van een douane-expediteur wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de van toepassing zijnde wettelijke tarieven bij invoer, zodat hij weet of kon weten dat de verlaagde heffing na 31 oktober 1996 niet rechtsgeldig was. De wettelijke bepalingen terzake zijn gepubliceerd in de daarvoor bestemde bladen. De douane-expediteur heeft een onderzoeksplicht in deze. In dit geval heeft niemand voorzien dat het Europese marktbeleid voor olijfolie zou worden bijgesteld. Ik ben het met u eens dat dit een commercieel beleid niet makkelijk maakt. De douane is echter slechts een uitvoerende instantie in deze." In zijn schrijven van 5 januari 2000 heeft verweerder medegedeeld dat aan de betalingsverplichting van appellante een conventioneel recht van invoer ten grondslag ligt als ingesteld in Verordening (EG) nr. 1035/96 tot wijziging van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87. Hierop is een verminderingsbedrag toegepast als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2146/95. Deze verordening verandert het karakter van op grondslag van een conventioneel invoerrecht geboekte bedragen niet. Voor deze rechten van invoer is de Tariefcommissie bevoegd. 4. Het standpunt van appellante Ter ondersteuning van haar beroep heeft appellante - voorzover thans van belang - het volgende aangevoerd. Op 20 juni 1997 heeft de inspecteur Belastingdienst/ Douanepost Utrecht aan appellante een UTB doen toekomen voor f 36.525, 80 aan landbouwheffingen. Voor landbouwheffingen is het College de bevoegde rechter. Het College is derhalve bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid van de litigieuze UTB. Nu ter zake van de invoer van olijfolie uit Marokko geen landbouwheffing is verschuldigd, moet de UTB worden vernietigd. Het is in het bijzonder in strijd met artikel 104 van de Grondwet om gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure de grondslag van een betalingsverplichting te wijzigen. Het is aan de inspecteur om na vernietiging te beoordelen of het wettelijk nog mogelijk is een nieuwe UTB te zenden. 5. De beoordeling van het geschil Bij verordening (EG) nr. 3290/94 zijn aanpassingen en overgangsmaatregelen in de landbouwsector vastgesteld om uitvoering te geven aan de overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van de Uruquay-ronde. De aanpassingen zijn opgenomen in de bijlagen van deze verordening. De overeenkomst inzake de landbouw is in werking getreden op 1 januari 1995. Behoudens een aantal hier niet ter zake doende uitzondering is deze verordening van toepassing vanaf 1 juli 1995. Ingevolge deze verordening worden - voorzover hier van belang - landbouwheffingen omgerekend in douanerechten (tarificatie). Vaststaat dat in het onderhavige geval zodanige omgerekende rechten zijn geheven, en dat derhalve de op de UTB van 23 april 1997 gebezigde terminologie "landbouwheffing" toen had moeten luiden: "douanerechten". De term "landbouwheffing" komt immers sinds 1 januari 1997 in het CDW niet meer voor. Deze omstandigheid brengt met zich mee dat, gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen het College en de Tariefcommissie in de artikelen 30c en 30d van de AWR, wat betreft vanaf 1 januari 1997 geheven douanerechten de Tariefcommissie exclusief bevoegd is ook indien deze - per abuis - onder de benaming "landbouwheffing" aan belanghebbenden bekend zijn gemaakt. Het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden doorgezonden aan de Tariefcommissie. Het College zal de beslissing omtrent de proceskosten reserveren tot de einduitspraak van de Tariefcommissie. Een redelijke toepassing van artikel 8:74, lid 2, van de Awb brengt met zich dat aan appellante het door haar gestorte griffiegeld door de griffier van het College wordt vergoed. 6. De beslissing Het College: - verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep; - stelt de door appellante in verband met de behandeling van het beroep bij het College gemaakte proceskosten vast op fl. 2840,-- - draagt de griffier op het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad fl. 420,-- aan appellante te vergoeden; - draagt de griffier op het dossier van deze zaak door te zenden aan de Tariefcommissie. Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr F.H.M. Possen in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2001. w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining