
Jurisprudentie
AB0287
Datum uitspraak2000-03-09
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAwb 98/5250
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
ZaaknummersAwb 98/5250
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht Meervoudige Kamer
Reg.nr.: Awb 98/5250
UITSPRAAK
in het geschil tuissen:
[eiser] te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr W.J. Dammingh, juridisch adviseur van de Nederlandse Politiebond te Amsterdam,
en
de Korpsbeheerder van de regiopolitie [regio] te [plaats A], verweerder, gemachtigde: H.J.W. Kuipers, chef Personeel & Organisatie van de regiopolitie [regio] te [plaats A].
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 28 juli 1998, kenmerk P&O 98/013.
2. Zitting
Datum: 17 december 1999.
Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door mr Dammingh, voornoemd.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde H. Wolters.
3. Het verloop van de procedure
Eiser is bij de regiopolitie [regio] werkzaam als hondengeleider.
Bij brief van 5 september 1997 hebben eiser en zijn collegahondengeleiders aan de Korpschef verzocht een hen per 1 juli 1996 toegekende urencompensatie alsnog met terugwerkende kracht te verlenen vanaf 1 april 1994.
Bij besluit van 13 januari 1998 is verweerder aan dit verzoek in zoverre tegemoet gekomen dat aan eiser en zijn collega's een geldelijke vergoeding van compensatie-uren is toegekend over een terugwerkende periode van 1 november 1995 tot 1 juli 1996.
Tegen dit besluit hebben eiser en zijn collega-hondengeleiders in het district [plaats A] bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder advies gevraagd aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie (hierna te noemen CAPRA) . Dit bureau heeft op 24 maart 1998 rapport uitgebracht en verweerder op de daarin vermelde gronden geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.
Op 7 juli 1998 zijn eiser en zijn collegae, in het bijzijn van hun adviseurs, op hun bezwaren gehoord.
Bij besluit van 28 juli 1998 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 7 september 1998 beroep ingesteld bij deze rechtbank.
Namens verweerder is bij brief van 29 september 1998 ermee ingestemd de uitkomst van het door eiser ingestelde beroep eveneens toe te passen ten aanzien van de overige hondengeleiders die bezwaar hebben gemaakt.
Vervolgens is een verweerschrift d.d. 11 januari 1998 bij de rechtbank ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 december 1999.
Aangezien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter heeft zij de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Zij heeft in verband daarmee de termijn voor uitspraak verlengd met zes weken. Partijen zijn hiervan in kennis gesteld en zij hebben desgevraagd geantwoord geen prijs te stellen op voortzetting van het onderzoek in een tweede zitting.
4. Motivering
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 1 april 1994 zijn de korpsen van gemeentepolitie van [plaats A], [plaats B] en [plaats C] en de plaatselijke Rijkspolitie opgegaan in het nieuw gevormde korps regiopolitie [regio]. Hiertoe behoorden ook de hondengeleiders, met dien verstande dat in het regiokorps alleen in de districten [plaats B] en [plaats A] nog hondengeleiders werkzaam bleven.
Vanaf 1 april 1994 bleven de hondengeleiders in het genot van de faciliteiten welke hen reeds waren toegekend: de hondengeleiders in [plaats B] ontvingen naast een dagelijkse vergoeding van vier gulden een compensatie voor vier uren per week wegens de buiten diensttijd aan de hond bestede verzorging; de hondengeleiders in [plaats A] ontvingen uitsluitend een geldelijke vergoeding, welke zes gulden per dag bedroeg.
Een langdurig voorbereide eenvormige faciliteitenregeling, de Faciliteitenregeling Hondengeleiders (verder te noemen: de Faciliteitenregeling), geldig voor alle hondengeleiders in het regiokorps is eerst per 1 juli 1996 van kracht geworden. Vanaf dat moment hadden de hondengeleiders in [plaats B] en [plaats A] allen aanspraak op dezelfde faciliteiten, waaronder zowel een compensatie van vier uren per week als een vergoeding van zes gulden per dag.
Bij brief van 4 juni 1996 heeft verweerder de hondengeleiders in het district [plaats B] meegedeeld aan de per 1 juli 1996 toe te kennen (hogere) dagvergoeding terugwerkende kracht te verlenen tot 1 november 1995. Vanaf deze datum ontvingen de hondengeleiders in [plaats B] derhalve een compensatie van vier uren per week en een vergoeding van zes gulden per dag. De hondengeleiders in [plaats A] ontvingen uitsluitend een vergoeding van zes gulden per dag.
Naar aanleiding van een verzoek van eiser en zijn collega's van 5 september 1997 is aan hen bij het hiervoor onder de feiten genoemde primaire besluit alsnog over het tijdvak van 1 november 1995 tot 1 juli 1996 een geldelijke vergoeding toegekend voor de vier compensatie-uren, waar hun collega's in [plaats B] al aanspraak op hadden.
Namens eiser is in beroep aangevoerd dat in de periode van 1 april 1994 tot 1 november 1995 sprake is geweest van een ongelijke rechtspositie van medewerkers die binnen dezelfde politieregio identieke functies bekleedden en dat verweerder deze ongelijkheid van de aanvang af heeft erkend en ook heeft erkend dat deze ongelijkheid voortvloeide uit het feit dat de Faciliteitenregeling niet tijdig was “afgeprocedeerd”. Eiser is van oordeel dat hij er tegen die achtergrond op had mogen vertrouwen dat aan de "reparatie" van die ongelijkheid terugwerkende kracht zou worden gegeven tot het moment van ontstaan van die ongelijkheid en dat verweerder, nu dit niet is gebeurd, een willekeurig onderscheid maakt tussen hondengeleiders, vallend onder zijn gezag, met een identieke functie en tussen hondengeleiders en andere ambtenaren die onder het gezag van verweerder vallen, en wier rechtspositie wél per 1 april 1994 is geuniformeerd.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser in dit verband nog gewezen op artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in de periode van 1 april 1994 tot 1 juli 1996, toen voor de hondengeleiders van de voormalige gemeentepolitiekorpsen [plaats A] en [plaats B] verschillende faciliteitenregelingen hebben gegolden en, gelet op artikel 49, eerste lid, van het Bbp ook konden gelden, om die reden geen sprake was van gelijke gevallen.
Verweerder acht zich dan ook geenszins verplicht om aan de Faciliteitenregeling terugwerkende kracht tot 1 april 1994 toe te kennen. Het toekennen van de aanspraken op basis van deze regeling met ingang van 1 november 1995 is al geheel onverplicht gebeurd.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat er in het (door verweerder in het bestreden besluit ongewijzigd overgenomen) advies van CAPRA van is uitgegaan dat in de regeling die gold voor de voormalige gemeentepolitie [plaats B] geen dagvergoeding was opgenomen; ter zitting is evenwel desgevraagd bevestigd dat dit wél het geval was, zij het dat de vergoeding twee gulden per dag lager was dan de vergoeding die de hondengeleiders van de gemeentepolitie [plaats A] ontvingen.
De feitelijke situatie was derhalve dat in de periode van 1 april 1994 tot 1 november 1995 de "[plaats B]" hondengeleiders een dagvergoeding van f 4, - plus een vergoeding voor vier compensatie-uren bleven ontvangen, terwijl de "[plaats A]" hondengeleiders uitsluitend een dagvergoeding van f 6, - bleven ontvangen, dit in afwachting van de nieuwe Faciliteitenregeling.
Een en ander vloeide voort uit het bepaalde in artikel 4 van het Besluit Overgangs- en Garantieregeling Uniforme Rechtspositie (verder te noemen: het Besluit).
Evenbedoeld Besluit heeft als uitgangspunt dat "voor alle medewerkers van de gemeentelijke politiekorpsen en het district [district] van het korps Rijkspolitie in de politieregio [regio] eenvormigheid is aangebracht in de toepassing van de geldende rechtspositionele regelingen, waardoor voor alle medewerkers dezelfde uitgangspositie ontstond, met het oog op de rechtspositionele regelingen die voor de medewerkers van de regio [regio] zal worden vastgesteld"
Met het oog op de aansluiting van de bestaande rechtspositionele regelingen op de nieuwe regelingen was het wenselijk te komen tot vaststelling van maatregelen waardoor die aansluiting mogelijk werd.
In de artikelen 2 en 3 is daartoe -voor zover hier van belang- bepaald, dat de regionale regelingen, zoals aangegeven op de bij het Besluit aangegeven lijst, onder de werking van het besluit vallen en dat bestaande regelingen op terreinen waarin het Besluit voorziet komen te vervallen met ingang van 1 april 1994.
In artikel 4 is bepaald dat vergoedingen of andere aanspraken, voorkomende op bijlage A bij het besluit worden gegarandeerd.
Punt 5 van deze bijlage A noemt de diensthondenvergoeding voor medewerkers die feitelijk een diensthond verzorgen, in afwachting van een nieuwe regeling.
Deze regeling is op 1 juli 1996 van kracht geworden.
Er ontstond evenwel op en na 1 april 1994 op het punt van de diensthondenvergoeding voor de "[plaats A]”, hondengeleiders in plaats van de (positief bedoelde) garantie van artikel 4 van het Besluit een negatief verschil in beloning ten opzichte van hun "[plaats B]" collega's en daarmee een aanmerkelijk verschil in beloning binnen een groep ambtenaren met dezelfde functie bij het politiekorps regio [regio].
Verweerder stelt ' zich, zoals hiervoor reeds overwogen, op het standpunt dat dit verschil in beloning was geoorloofd omdat tot de datum waarop de nieuwe regeling tot stand zou zijn gekomen de "oude" regelingen van kracht bleven, en heeft zich daarbij beroepen op artikel 49, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp).
Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dit artikel evenwel niet bepaald dat de "oude" (rechtspositionele) regelingen van kracht bleven op en na 1 april 1994, maar wordt daarmee uitsluitend beoogd de garantie te geven dat aanspraken op grond van regelingen welke vóór 1 april 1994 golden blijven bestaan, voor zover deze gunstiger zijn dan de aanspraken op grond van de nieuwe rechtspositionele regelingen welke met ingang van evenbedoelde datum van toepassing werden. Dit laatste is met zoveel woorden vermeld in de toelichting op artikel 49 Bbp.
Dit artikel kan - bij het ontbreken van een nieuwe eenvormige regeling- dus geen basis bieden voor het verschil in beloning dat tussen de "[plaats A]" en "[plaats B]" hondengeleiders binnen het korps [regio] bestond vanaf 1 april 1994.
Daar komt bij dat uit de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens blijkt dat al in 1991 in het kader van de reorganisatie is begonnen met de opzet van de nieuwe (uniforme) Faciliteitenregeling Hondengeleiders, welke in 1992 in concept is aangeboden aan de toenmalig beoogd korpschef van de Regiopolitie [regio], en dat het ten gevolge van uitsluitend bij verweerder gelegen omstandigheden tot juli 1996 - en dus veel te lang- heeft geduurd voor deze regeling van kracht kon worden.
Ook is duidelijk geworden dat eiser en zijn collega's in de tussenliggende jaren bepaald niet stil hebben gezeten en herhaaldelijk bij verweerder hebben gevraagd naar c.q. aangedrongen op invoering van de nieuwe regeling.
Gelet op het vorenoverwogene en op het uitgangspunt van het Besluit, te weten eenvormige toepassing van rechtspositionele regelingen voor alle medewerkers van het politiekorps regio [regio] per 1 april 1994, kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen niet met vrucht een beroep worden gedaan op artikel 49, eerste lid, van het Bbp als grond voor de afwijzing van eisers verzoek om de urencompensatie alsnog vanaf 1 april 1994 toe te kennen, maar is de rechtbank ook niet gebleken van enige andere bepaling van geschreven of ongeschreven recht waarop deze afwijzing kan zijn gebaseerd.
In dit verband merkt de rechtbank op dat de datum 1 november 1995 door verweerder vrij arbitrair is gekozen, omdat op die datum een nieuwe hondengeleider in dienst trad.
Namens eiser is ter zitting nog een beroep gedaan op artikel 7 van het IVESC, waarin het recht op gelijke beloning voor werk van gelijke waarde is gewaarborgd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat door de Hoge Raad bij arrest van 20 april 1990 (TAR 90,149) is bepaald dat aan dit artikel geen rechtstreekse werking toekomt.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak welke is gedaan op 10 januari 1991 (TAR 91,69), dus ruimschoots na evenbedoeld arrest, heeft overwogen dat in gevallen waarin een ongelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde zich afspeelt binnen een rechtspositioneel kader dat een zo inzichtelijke structuur heeft en een zo duidelijke ongelijke beloning voor gelijke arbeid inhoudt, rechtstreekse werking in redelijkheid niet kan worden ontzegd aan artikel 7 IVESC en dat het bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor die ongelijkheid langs rechterlijke weg geroepen moet kunnen worden die ongelijkheid ongedaan te maken.
Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in het onderhavige geval een vergelijkbare situatie voor. De structuur van het (nieuwe) rechtspositionele kader dat per 1 april 1994 van kracht zou moeten worden voor de hondengeleiders was inzichtelijk genoeg; men was, met het oog op de nieuwe situatie, immers al in 1991 gestart met het totstandbrengen van een nieuwe uniforme Faciliteitenregeling. Dat er vanaf 1 april 1994 sprake was en nog ruim twee jaar sprake bleef van ongelijke beloning voor gelijke arbeid tussen de "[plaats B]" en de "[plaats A]" hondengeleiders was evident en evenzeer is duidelijk dat verweerder, vanaf 1 april 1994 het bevoegd gezag voor alle hondengeleiders, daarvoor verantwoordelijk was.
De rechtbank is dan ook op basis van hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit waarbij verweerder heeft geweigerd de urencompensatie alsnog vanaf 1 april 1994 toe te kennen een toereikende juridische grondslag ontbeert en om deze reden geen stand kan houden.
Beslist wordt derhalve als volgt.
5. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit
draagt aan verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
gelast dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad f 210,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op f 1420,-;
wijst de Regiopolitie [regio] aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoledt, te betalen aan eiser.
Gewezen door mevrouw mr J.J. Szauer-Bos, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. F. van den Berg, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2000 in tegenwoordigheid van mr E.H. Ruitenbeek ls griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op 9 maart 2000