
Jurisprudentie
AB0272
Datum uitspraak2001-02-14
Datum gepubliceerd2001-02-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersWL. 20.002143.00
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-02-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersWL. 20.002143.00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
parketnummer : 20.002143.00
uitspraakdatum : 14 februari 2001
tegenspraak
GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
meervoudige kamer voor strafzaken
A R R E S T
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 5 september 2000 in de strafzaak onder parketnummer 03/008023/00 tegen:
[verdachte],
[geboorteplaats en geboortedatum],
thans preventief gedetineerd.
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
De tenlastelegging
Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging
De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat opsporingsambtenaren in strijd met artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering hoeveelheden harddrugs hebben doorgelaten. Met name zouden opsporingsambtenaren reeds vóór 23 mei 2000, de datum van inbeslagname van harddrugs, op grond van taps en observaties geweten hebben dat er harddrugs aanwezig waren op het perceel [adres en plaatsnaam]. Verder zouden zij reeds voor genoemde datum geweten hebben op grond van taps en observaties dat harddrugs afgeleverd werden aan gebruikers.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Bij het bepalen van de werkingsomvang van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering zijn de volgende aspecten van belang.
Allereerst de tekst van de bepaling. Voor zover van belang luidt deze:
"De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVA tot en met V (kort gezegd: de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, hof) is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is (..)".
In de tekst is derhalve uitdrukkelijk sprake van "weten", hetgeen op zichzelf een sterke aanwijzing oplevert dat aan dat weten hogere eisen gesteld moeten worden dan aan andere vormen van weten in de regeling van de dwangmiddelen in het Wetboek van Strafvordering, zoals "redelijk vermoeden" of "ernstige bezwaren". Verder geeft de tekst uitdrukkelijk aan dat de wetenschap ontstaan moet zijn door de toepassing van de bevoegdheden van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, hetgeen een beperking van de werkingsomvang van het artikel impliceert.
Vervolgens is van belang de parlementaire geschiedenis van genoemde wettelijke bepaling. Bij het lezen van die geschiedenis valt direct op dat deze summier is. Een duidelijke definitie van "weten" ontbreekt; evenals significante voorbeelden ter illustratie van de werkingsomvang van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering. In de geschiedenis staat nergens dat "weten" - in strijd met de gebruikelijke betekenis van het woord - begrepen moet worden als "(voldoende) aanwijzingen" of "een (redelijk) vermoeden" of "ernstige bezwaren". Wel merkt de minister op dat gebleken is dat het niet eenvoudig is een adequate formulering voor het verbod op doorlaten te vinden. Hij spreekt vervolgens de hoop uit dat de gevonden formulering zal voldoen, zodat het verbod op doorlaten in de rechtspraktijk adequaat zal worden ingevuld en nageleefd, waarbij hij niet alleen de tekst van de wet van belang acht, maar ook de ratio van het verbod (EK, 25403, nr. 119b, blz. 3 en 4). De geschiedenis biedt derhalve weinig aanknopingspunten voor het vaststellen van de werkingsomvang van het begrip "weten", behalve dat blijkbaar niet beoogd is aan dat begrip een andere betekenis te geven dan de grammaticale betekenis van het woord. Met andere woorden: weten is weten.
Verder is van belang de ratio van het verbod op doorlaten. Uit de toelichting op het gewijzigd amendement dat aan de basis heeft gelegen van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat het gaat om de veiligheid en de volksgezondheid.
Dit tegen de achtergrond van het debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (TK, 25 403, nr. 27, blz. 2). In het genoemde rapport is een hoofdstuk gewijd aan "doorlaten" (TK 24072, nr. 14, Hoofdstuk 7).
Uit de daar behandelde voorbeelden en casusposities blijkt dat het steeds gaat om situaties waarbij opsporingsambtenaren volledige zekerheid hebben dat er sprake is van verboden voorwerpen en waar deze zich bevinden. Het hof verwijst met name naar de in het rapport besproken Delta-methode en het Bever-onderzoek. Artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering beoogt aan deze en soortgelijke opsporingsmethoden een eind te maken, hetgeen ook strookt met het vereiste van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering dat de vereiste wetenschap ontstaan moet zijn door toepassing van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. Dit alles levert voor de uitleg van het begrip weten in artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering een sterke aanwijzing op dat het verbod zich uitstrekt tot die situaties dat opsporingsambtenaren weten, in de zin van volledige zekerheid hebben, dat sprake is van verboden voorwerpen en waar deze zich bevinden.
Ten slotte acht het hof de plaats van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering in het systeem van de dwangmiddelen van het Wetboek van Strafvordering relevant. Bij genoemd artikel gaat het om een verplichting om gebruik te maken van een dwangmiddel, te weten inbeslagname. Een dergelijke plicht is in het systeem van de dwangmiddelen a-typisch, omdat bij de overige dwangmiddelen een beleidsvrijheid bestaat om gebruik te maken van die bevoegdheden. Het feit dat het artikel in het systeem van dwangmiddelen uitzonderlijk is, levert een sterke aanwijzing op dat de werkingsomvang van het artikel beperkt moet zijn, zeker ook nu de summiere parlementaire geschiedenis geen aanwijzingen biedt voor het tegendeel.
Op grond van al het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat aan artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering een beperkte werkingsomvang toekomt. Dit betekent dat van "weten" in de zin van genoemd artikel slechts sprake is op het moment dat bij opsporingsambtenaren als gevolg van toepassing van bevoegdheden van - kort gezegd - de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden volledige zekerheid bestaat over het feit dat sprake is van verboden voorwerpen in de zin van dat artikel en volledige zekerheid bestaat over de vindplaats van die verboden voorwerpen.
Voor de onderhavige zaak betekent dit dat er over het perceel [adres en plaatsnaam] pas volledige zekerheid bestond over de vindplaats van verdovende middelen op het moment dat opsporingsambtenaren dat perceel betraden en daar verdovende middelen aantroffen, zijnde 23 mei 2000. Nu die volledige zekerheid ontstaan is door een zoeking en niet door de toepassing van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, is van schending van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering geen sprake.
Voor wat betreft het door de verdediging gestelde doorlaten van harddrugs aan gebruikers is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat er op enig moment meer dan een redelijk vermoeden geweest is dat één of meer van die gebruikers verboden middelen hebben afgeleverd gekregen. Er was met andere woorden geen sprake van volledig zeker weten bij opsporingsambtenaren dat het om harddrugs ging.
Ten overvloede overweegt het hof dat iedere ruimere interpretatie van "weten" in de zin van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering, bijvoorbeeld wetenschap in de zin van (voldoende) aanwijzingen, tot de voor de opsporingspraktijk onaanvaardbare consequentie leidt dat opsporingsambtenaren verplicht zijn vermoedelijk verboden voorwerpen in beslag te nemen op het moment dat dat om tactische redenen ongewenst is en dat aldus criminele organisaties in onderzoek de mogelijkheid wordt geboden het onderzoek te manipuleren. Aldus zou geen sprake zijn van een adequate invulling van het artikel in de rechtspraktijk, zoals door de minister gehoopt.
Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden hebben geleid tot schending van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
De bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
1. in de periode [datum] in de gemeente [plaatsnaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. op [datum] in de gemeente [plaatsnaam], in een woning gelegen aan [adres], diverse vuurwapens te weten:
- een enkelloops kogelgeweer (model 98K, kaliber 8 x 57, serienummer 2380) en
- een semi-automatisch kogelgeweer (merk Marlin, model 60, kaliber .22 Long Rifle, serienummer 23326890) en
- een semi-automatisch kogelgeweer (merk Winchester, model M1, kaliber 30-M1, serienummer 3233904) en
- een dubbelloops hagelgeweer (model Juxtapose, kaliber 12, serienummer 6612) en
- een semi-automatisch leveraction geweer (merk Marlin, model 30 AS, kaliber 30-30 Winchester, serienummer 03042113) en
- een semi-automatisch pistool (merk Beretta, model 92 F, kaliber 9mm Para) en
- een 7-schots revolver (kaliber .22 Long Rifle),
zijnde voornoemde geweren en pistool en revolver, vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie, niet vallende onder de categorie II, onder 2e, 3e of 6e van de Wet wapens en munitie
en een hoeveelheid munitie (te weten ongeveer 1954 scherpe patronen) in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2, lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
De door het hof gebruikte bewijsmiddelen
PRO MEMORIE
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.
Het onder 1 bewezenverklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van die wet junctis artikelen 47, eerste lid, aanhef en onder 1 en 57 van het Wetboek van Strafrecht
en
als misdrijf voorzien bij artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van die wet junctis artikelen 47, eerste lid, aanhef en onder 1 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Het onder 2 bewezenverklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a (oud), van de Wet wapens en munitie
en
als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is derhalve strafbaar.
De redengeving van de op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft een leidinggevende rol gehad in een drugsorganisatie die professioneel was opgezet en die tot in de kleinste details was gereguleerd.
Verdachte heeft zich gedurende ruim éénentwintig maanden intensief bezig gehouden met de in- en uitvoer en/of verkoop en/of het vervoer van materiaal bevattende cocaïne en/of materiaal bevattende MDMA.
Voorts heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid vuurwapens en munitie voorhanden gehad.
Het hof acht deze feiten dermate ernstig dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:
- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- de omstandigheid dat harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend;
- de omstandigheid dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de financieel zwakke situatie waarin één of meer verdachten zich bevonden;
- het feit dat verdachte puur uit is geweest op zijn eigen financieel gewin.
Het hof acht, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het tevens opleggen van een geldboete een passende strafrechtelijke reactie.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De toegepaste wettelijke voorschriften
De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 23, 24, 24c, 27, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 van de Opiumwet, 2, 26, 55 (oud) en 55 van de Wet wapens en munitie.
B E S L I S S I N G:
Het hof:
Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.
Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
1: "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", en "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd".
2: "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III", strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a (oud), van de Wet wapens en munitie" en "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie".
Verklaart de verdachte deswege strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van vijf jaren.
Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht.
Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van honderdduizend gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van driehonderd zestig dagen.
Dit arrest is gewezen door Mr. Van den Elzen, als voorzitter, Mrs. Eijsenga en Sterk, als raadsheren, in tegenwoordigheid van Mr. Van Breugel, als griffier.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2001.
UITDRAAI GEGEVENS 1e AANLEG
zaaknr.: 00
tijd: 09.30
rolnummer: 20.002143.00
[verdachte],
thans preventief gedetineerd in de penitentiaire Inrichting "De Overmaze" te Maastricht,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 5 september 2000 ter zake van:
sub 1: "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", en "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B van de opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", sub 2: "Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III", en "Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie",
veroordeeld tot: vijf jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, tevens een geldboete van honderdduizend gulden subsidiair driehonderd zestig dagen hechtenis.