
Jurisprudentie
AB0270
Datum uitspraak2001-02-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903863/1.
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903863/1.
Statusgepubliceerd
Indicatie
Toepassing vereiste van naadloos gesloten pootring ex Vogelwet en Vogelbesluit vormt in casu een niet gerechtvaardigde handelsbelemmering ex art. 30 (oud) EG-Verdrag.
Verlenen vergunning ex art. 11 Vogelwet onder het voorschrift dat alle vogels dienen te zijn voorzien van een pootring die voldoet aan het bepaalde in het Vogelbesluit.
Ten aanzien van een slechtvalk, als waarom het gaat, eist het Vogelbesluit een naadloos gesloten pootring met een zodanige middellijn dat deze alleen kan worden aangebracht aan een poot van een vogel als de vogel niet vliegvlug is. Het is evenwel niet mogelijk om de slechtvalk alsnog van een dergelijke ring te voorzien. De ABRS overweegt dat het verbod op het houden van een slechtvalk die niet van een naadloos gesloten pootring is voorzien, waar het hier om gaat, een strengere maatregel inhoudt dan de in casu toepasselijke EG-verordening no. 3626/82 voorschrijft. Hetzelfde geldt voor de Vogelrichtlijn. Zowel EG-verordening 3626/82 als de Vogelrichtlijn biedt de lidstaten echter de mogelijkheid om in hun nationaal recht verdergaande maatregelen te treffen. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de artt. 30 e.v. (thans: 28 e.v.) van het EG-Verdrag.
De toepassing van de - strengere - eisen van de Vogelwet en het Vogelbesluit leidt er in casu toe dat de slechtvalk, die met toestemming van de Nederlandse autoriteiten is ingevoerd vanuit een andere Lid-Staat, waar die rechtmatig in het verkeer is gebracht en overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die Lid-Staat is geringd, niet in Nederland mag worden gehouden.
De president heeft terecht overwogen dat dit een handelsbelemmering vormt ex art. 30 EG-Verdrag.
De Nederlandse strengere eisen kunnen geacht worden nodig te zijn om een doeltreffende bescherming van de in het wild levende vogelsoorten te verzekeren. Die doelstelling kan met een beroep op art. 36 (thans: 30) EG-Verdrag worden nagestreefd. Dit betekent echter niet dat de noodzaak en de evenredigheid van het stellen van het vereiste van een gesloten pootring ten aanzien van de onderhavige slechtvalk, waaraan niet valt te voldoen, zijn aangetoond. Immers, zowel op gemeenschapsniveau als op nationaal niveau heeft de wetgever er geen bezwaar in gezien om bij de inwerkingtreding van de ringplicht een overgangsregime vast te stellen, waarbij geen of minder strenge eisen zijn gesteld.
In dit kader is een open pootring, waarvan de slechtvalk is voorzien, wel een geschikt middel bevonden om vogels als in gevangenschap geboren en opgekweekt te identificeren en van andere vogels te onderscheiden. In aanmerking genomen voorts dat de onderhavige slechtvalk in gevangenschap is geboren en opgekweekt, heeft de president de wijze waarop appellant de regels van het vrije goederenverkeer heeft afgewogen tegenover het belang van de het behoud van de wilde vogelstand, terecht niet gerechtvaardigd geoordeeld en de beslissing op bezwaar terecht wegens strijd met het gemeenschapsrecht vernietigd.
Ongegrond hoger beroep.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, appellant.
mrs. P. van Dijk, R.W.L. Loeb, F.P. Zwart
EG-Verdrag 30, 36 (oud)
EG-verordening no. 3626/82 van de Raad van 03-12-1982 (Pb EG nr. L 384)
EG-verordening no. 3418/83 van de Commissie van 28-11-1983 (Pb EG nr. L 344)
EG-verordening no. 338/97 van de Raad van 09-12-1996 (Pb EG nr. L 061)
EG-verordening no. 939/97 van de Commissie van 26-05-1997 (Pb EG nr. L 140)
Richtlijn 79/409/EG van de Raad van de EG van 02-04-1979 inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn) 1.1, 6.1, 14
Vogelwet 1936 7, 11.1, 11.2
Vogelbesluit 1994 (Stb. 625) 6.1, 6.2, 8, 11
Uitspraak
Raad
van State
199903863/1.
Datum uitspraak: 8 februari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
appellant,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 3 november 1999 in het geding tussen:
A, handelend onder de naam B, wonend te C
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 1999 heeft appellant aan A (hierna: A) vergunning verleend krachtens artikel 11 van de Vogelwet 1936.
Tegen de aan deze vergunning verbonden voorschriften heeft A bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 augustus 1999 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 november 1999, verzonden op 17 november 1999, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de president), voorzover hier van belang, het daartegen door A ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 10 april 2000 heeft A van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2000, waar appellant, vertegenwoordigd door mr A. Hofstede-Bron en J.A.M. van Spaandonk, ambtenaren ten departemente, en A, in persoon, bijgestaan door mr M.J. Smaling, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7 van de Vogelwet 1936, zoals deze wet luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar (hierna: de Vogelwet), voorzover hier van belang, is het verboden beschermde vogels onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Vogelwet kan vergunning worden verleend ten behoeve van de uitoefening van de jacht, tot het terugvangen, onder zich hebben, afleveren, vervoeren of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer haviken (Accipiter gentilis) of één of meer slechtvalken (Falco peregrinus) of tot het onder zich hebben van eieren en nesten van zodanige haviken of slechtvalken.
Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Vogelwet, voorzover hier van belang, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende het onder zich hebben van de in het eerste lid bedoelde vogels. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op het verstrekken en aanbrengen van ringen of merken aan de vogels en op de registratie van de vogels.
Met het Vogelbesluit 1994 (Stb. 625, hierna: Vogelbesluit), is onder meer uitvoering gegeven aan voormeld artikel 11, tweede lid, van de Vogelwet. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Vogelbesluit, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, voorzover hier van belang, is het onder zich hebben van jachtvogels, onverminderd het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de wet, slechts toegestaan indien die vogels zijn voorzien van een door of vanwege Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op aanvraag afgegeven gesloten pootring, als bedoeld in het tweede lid, of open pootring, als bedoeld in het derde lid, welke is voorzien van een registratienummer. Ingevolge het tweede lid van artikel 6 heeft een gesloten pootring een zodanige middellijn dat deze alleen kan worden aangebracht aan een poot van een vogel als de vogel niet vliegvlug is, en is deze pootring zodanig vervaardigd dat deze niet kan worden verwijderd zonder de ring te breken of te beschadigen of de poot van de vogel te verwonden. Ingevolge het derde lid van artikel 6 is een open pootring zodanig vervaardigd dat deze, nadat hij is gesloten rond een poot van een vogel, niet kan worden verwijderd zonder de ring te breken of te beschadigen of de poot van de vogel te verwonden. Ingevolge artikel 8 van het Vogelbesluit kunnen open pootringen, als bedoeld in de artikelen 6 en 7, worden aangevraagd in de periode tot 2 maanden na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit.
Ingevolge het tweede lid van artikel 8 worden de open pootringen verstrekt en aangebracht aan de poot van de vogels in de periode tot 6 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Ingevolge artikel 11 van het Vogelbesluit is, onverminderd het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de wet, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 6 of 7 het onder zich hebben van jachtvogels toegestaan indien die vogels: a. in een ander land dan Nederland zijn gekweekt, b. zijn voorzien van een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland of door een in een andere staat dan Nederland erkende organisatie afgegeven gesloten pootring die, behoudens het vereiste van afgifte door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of de in artikel 7, tweede lid, vereiste aanduiding van de ringmaat, voldoet aan het bepaalde in respectievelijk de artikelen 6 of 7, waardoor de vogels individueel herkenbaar zijn en de herkomst van de vogels blijkt, en c. overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11, 12, 20 of 35 van de wet binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.
2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van richtlijn no. 79/409/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb EG L 103 van 25 april 1979), zoals nadien gewijzigd (hierna: de Vogelrichtlijn), heeft deze richtlijn betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, verbieden de Lid-Staten, onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3, voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of uit deze vogels verkregen producten.
Ingevolge artikel 14 kunnen de Lid-Staten beschermingsmaatregelen treffen die strenger zijn dan in de richtlijn wordt voorgeschreven.
Met EG-verordening no. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982, (Pb EG nr. L 384) is beoogd geharmoniseerde toepassing te realiseren in de Gemeenschap van de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora van 1973 (hierna: CITES). EG-verordening no. 3418183 van de Commissie van 28 november 1983 (Pb EG nr. L 344) bevat bepalingen voor de eenvormige afgifte en het gebruik van documenten die nodig zijn bij de toepassing van de CITES in de Gemeenschap. EG-verordening no. 338197 van de Raad van 9 december 1996 (Pb EG nr. L 061) inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de CITESbasisverordening) vervangt per 1 juni 1997 voormelde verordening no. 3626/82. EG-verordening no. 939/97 van de Commissie van 26 mei 1997 (Pb EG nr. L 140) bevat bepalingen ter uitvoering van EG-verordening no. 338197.
2.3. Begin 1996 heeft A uit Duitsland een slechtvalk ingevoerd, voorzien van een door de Duitse autoriteiten erkende open pootring, de zogenoemde Washington Artenschutz-ring. Voor deze uit- en invoer is door de Duitse autoriteiten en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, krachtens nationale wetgeving inzake de toepassing van eerder genoemde EG-verordening no. 3626/82, toestemming verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat. Vervolgens heeft A om vergunningverlening krachtens artikel 11 van de Vogelwet verzocht. Appellant heeft de gevraagde vergunning op 14 januari 1999 verleend. Daarbij is nader bepaald dat - kort gezegd - alle vogels dienen te zijn voorzien van een pootring die voldoet aan het bepaalde in het Vogelbesluit. Ten aanzien van een slechtvalk, als waarom het thans gaat, eist het Vogelbesluit een naadloos gesloten pootring met een zodanige middellijn dat deze alleen kan worden aangebracht aan een poot van een vogel als de vogel niet vliegvlug is. Het is evenwel niet mogelijk de slechtvalk alsnog van een dergelijke ring te voorzien.
2.4. Appellant betoogt dat de president ten onrechte heeft overwogen dat de toepassing van de Vogelwet en het Vogelbesluit in dit geval een belemmering vormt voor het vrije verkeer van goederen, die niet gerechtvaardigd kan worden door een van de in artikel 36 (thans: 30) van het EG-verdrag genoemde uitzonderingen.
2.5. In dit verband overweegt de Afdeling allereerst dat het verbod op het houden van een slechtvalk die niet van een naadloos gesloten pootring is voorzien, waar het hier om gaat, een strengere maatregel inhoudt dan de in casu toepasselijke EG-verordening no. 3626/82 voorschrijft.
Hetzelfde geldt voor de Vogelrichtlijn. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 8 februari 1996 (zaak C-149/94, Vergy, Jurispr. blz. 1-322) immers voor recht heeft verklaard, is deze richtlijn niet van toepassing op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels. Zowel EG-verordening 3626182 als de Vogelrichtlijn biedt de lidstaten echter de mogelijkheid om in hun nationaal recht verdergaande maatregelen te treffen. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de artikelen 30 en volgende (thans: 28 en volgende) van het EG-Verdrag.
2.6. De toepassing van de - strengere - eisen van de Vogelwet en het Vogelbesluit leidt er in dit geval toe dat de desbetreffende slechtvalk, die met toestemming van de Nederlandse autoriteiten is ingevoerd vanuit een andere Lid-staat, waar die rechtmatig in het verkeer is gebracht en overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die Lid-staat is geringd, niet in Nederland mag worden gehouden. De president heeft terecht overwogen dat dit een handelsbelemmering vormt in de zin van artikel 30 (thans: 29) van het EG- Verdrag.
2.7. Ingevolge artikel 36 (thans: 30) van het EG-Verdrag vormen de artikelen 30 tot en met 34 (thans: 28-30) van dat Verdrag, bij gebrek aan specifieke gemeenschapsregels op het specifieke terrein, geen beletsel voor maatregelen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van onder meer de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren. Aangezien de naadloos gesloten pootring is bedoeld om in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels beter te kunnen onderscheiden van uit het wild afkomstige vogels en de op 1 juni 1997 in werking getreden EG-verordening no. 939/97 deze ring met het oog hierop ook verplicht stelt, kunnen de strengere eisen van de Vogelwet en het Vogelbesluit geacht worden nodig te zijn om een doeltreffende bescherming van de in het wild levende vogelsoorten te verzekeren. Die doelstelling kan met een beroep op artikel 36 (thans: 30) van het EG-Verdrag worden nagestreefd.
Dit betekent echter niet dat de noodzaak en de evenredigheid van het stellen van het vereiste van een gesloten pootring ten aanzien van de onderhavige slechtvalk, waaraan niet valt te voldoen, zijn aangetoond. Immers, zowel op gemeenschapsniveau als op nationaal niveau heeft de wetgever er geen bezwaar in gezien om bij de inwerkingtreding van de ringplicht een overgangsregime vast te stellen, waarbij geen of minder strenge eisen zijn gesteld. In dit kader is een open pootring, vergelijkbaar met de Washington Artenschutz-ring, wel een geschikt middel bevonden om vogels als in gevangenschap geboren en opgekweekt te identificeren en van andere vogels te onderscheiden. In aanmerking genomen voorts dat door appellant niet is betwist dat de onderhavige slechtvalk in gevangenschap is geboren en opgekweekt, heeft de president de wijze waarop appellant de regels van het vrije goederenverkeer heeft afgewogen tegenover het belang van het behoud van de wilde vogelstand, terecht niet gerechtvaardigd geoordeeld en de beslissing op het bezwaar terecht wegens strijd met het gemeenschapsrecht vernietigd.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9. Appellant dient als het in het ongelijk gestelde betrokken bestuursorgaan op navolgende wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van A.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de door A in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 1.534,30, waarvan een gedeelte groot f 1.420,-- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) te worden betaald aan A.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Muller
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2001
451242.
Verzonden: 8 februari 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,