Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0269

Datum uitspraak2001-01-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001784/1.
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aan aftoppingsgrens gerelateerde passendheidsbeleid niet onredelijk. Dat dit beleid in het voorlichtingsmateriaal niet voorkomt heeft geen consequenties, nu het voorlichtingsmateriaal de pretentie van volledigheid ontbeert. Afwijzing verzoek om huursubsidie omdat de woning niet als passend wordt aangemerkt. Conform beleid is een woning in beginsel niet passend indien de huur daarvan ligt boven de aftoppingsgrens als bedoeld in art. 20.2 Huursubsidiewet. Gelet op de wetsgeschiedenis oordeelt de ABRS dit beleid niet rechtens onjuist of kennelijk onredelijk. Niet in geschil is dat de huur van de betrokken woning boven de aftoppingsgrens uitkomt. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet heeft kunnen aannemen dat binnen een redelijke termijn beter passende woonruimte voorhanden was. Aan appellante kan op zichzelf worden toegegeven dat het aan de aftoppingsgrens gerelateerde passendheidsbeleid in het overgelegde voorlichtingsmateriaal als zodanig niet voorkomt. Hoewel een expliciete vermelding van dit beleid, juist gelet op de implicaties daarvan in concrete gevallen, in het materiaal niet zou hebben misstaan, kan een en ander niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden. Het voorlichtingsmateriaal ontbeert zozeer de pretentie van volledigheid dat de aanvrager van huursubsidie er van meet af aan op bedacht kon zijn dat hij in voorkomend geval aan meer of andere vereisten zou moeten voldoen om voor huursubsidie in aanmerking te komen dan expliciet uit dat materiaal valt af te leiden. In deze omstandigheden hebben appellante en haar partner, door de nieuwe woning te huren voordat genoegzaam zekerheid was verkregen omtrent de gefundeerdheid van hun aanspraak op huursubsidie, een risico genomen waarvan de gevolgen voor hun rekening dienen te blijven. De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, J.H.B. van der Meer, R.R. Winter Huursubsidiewet 12.1, 12.2, 12.3, 20.2 Besluit prestatienormering huursubsidie 2 Circulaire 14-03-1997 MG 97-3 Stcrt. 1997, 59


Uitspraak

Raad van State 200001784/1. Datum uitspraak: 29 januari 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A en B, wonend te C, appellanten, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 3 maart 2000 in het geding tussen: A en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 1 . Procesverloop Bij besluiten van 25 november 1998 en 26 maart 1999 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) geweigerd om appellanten een bijdrage krachtens de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) toe te kennen over de perioden van 1 februari 1998 tot en met 30 juni 1998 en van 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999. Bij besluit van 2 september 1999 heeft de staatssecretaris de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 3 maart 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door A (hierna: appellante) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 april 2000, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 29 mei 2000 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend. Bij brief van 26 juni 2000 hebben appellanten gerepliceerd. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door ir. Z, gemachtigde, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Slechts appellante A heeft beroep ingesteld tegen de handhaving van de afwijzing van de subsidieaanvragen in bezwaar. Voor het oordeel dat B redelijkerwijze geen verwijt kan worden gemaakt geen beroep te hebben ingesteld, bestaat geen grond. Derhalve kan zijn hoger beroep, gelet op het bepaalde bij artikel 6:13, in samenhang met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht niet worden ontvangen. 2.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Hsw wordt geen huursubsidie toegekend als de huurder van een woning naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister), op het tijdstip dat de huur ingaat, het gebruik had kunnen krijgen of behouden van een andere woning die beter past bij zijn economische en persoonlijke omstandigheden. Ingevolge het tweede lid kan het eerste lid slechts worden toegepast nadat burgemeester en wethouders door de minister in de gelegenheid zijn gesteld advies uit te brengen. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald: a. in welke gevallen een zodanig advies in ieder geval moet worden uitgebracht, ook zonder dat daartoe een verzoek is gedaan en b. op welke wijze burgemeester en wethouders aan hun adviestaak uitvoering geven. Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Hsw volgt de minister in zijn besluit het advies van burgemeester en wethouders, behoudens de mogelijkheid tot afwijking van een voor de huurder negatief advies in uitzonderlijke gevallen. In artikel 20, tweede lid, van de Hsw wordt de hoogte van de aftoppingsgrens aangegeven. Krachtens artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Hsw is onder meer artikel 2 van het Besluit prestatienormering huursubsidie (Stb. 1997, 270, hierna: Bph) vastgesteld, dat bepaalt dat burgemeester en wethouders in elk geval een passendheidsadvies uitbrengen als de rekenhuur van de woning hoger is dan het voor het huishouden van de huurder relevante bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, van de Hsw, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 25 van die wet. 2.3. De staatssecretaris heeft de verzoeken om huursubsidie over de betrokken perioden afgewezen omdat hij, in navolging van een advies van burgemeester en wethouders, de in geding zijnde woning als niet passend heeft aangemerkt. De staatssecretaris stelt dat daarbij beleid is toegepast, dat volgt uit zijn circulaire van 14 maart 1997, MG 97-03, Stcrt. 1997, 59 (hierna: de circulaire). Dit beleid houdt, kortweg, in dat een woning in beginsel niet passend is indien de huur daarvan ligt boven de aftoppingsgrens als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Hsw. 2.4. Uit de wetsgeschiedenis van de Hsw blijkt dat de wetgever het in principe onwenselijk heeft geacht dat huurders die op grond van hun (reken)inkomen voor subsidie in aanmerking zouden kunnen komen een woning betrekken met een huur boven de aftoppingsgrens (TK 1996-1997, 25 090, nr. 3, pag. 12). Ook uit (de toelichting op) het Bph kan een verband tussen aftoppingsgrens en subsidieverlening zoals hier door de staatssecretaris gelegd, worden afgeleid. Zo valt in die toelichting te lezen dat gemeenten bevoegd zijn om (ook) onder de aftoppingsgrenzen een scherper passendheidsbeleid te voeren. In het licht van het vorenstaande acht de Afdeling het beleid zoals hiervoor weergegeven niet rechtens onjuist of kennelijk onredelijk. 2.5. Dat de gemeente en/of de verhuurders op het tijdstip dat appellante en haar partner B de woning huurden van dit passendheidsbeleid niet op de hoogte waren is door appellante niet aannemelijk gemaakt en lijkt gezien het hiervoor onder 2.3. en 2.4. overwogene ook niet waarschijnlijk. 2.6. Niet in geschil is dat de huur van de woning boven de aftoppingsgrens uitkomt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze woning derhalve in beginsel niet passend is voor appellante en haar partner. In aanmerking genomen dat appellante op het tijdstip dat zij en haar partner de woning huurden pas twee maanden stond ingeschreven als woningzoekende bij de gemeente, waar de wachttijd voor dit soort woningen op dat moment ongeveer een jaar bedroeg, en appellante zelf nimmer heeft gereageerd op woningen aangeboden in de Woonkrant, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet heeft kunnen aannemen dat binnen een redelijke termijn beter passende woonruimte voorhanden was. 2.7. Aan appellante kan op zichzelf worden toegegeven dat het aan de aftoppingsgrens gerelateerde passendheidsbeleid in het overgelegde voorlichtingsmateriaal als zodanig niet voorkomt. Hoewel een expliciete vermelding van dit beleid, juist gelet op de implicaties daarvan in concrete gevallen, in dat materiaal niet zou hebben misstaan, kan een en ander niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden. Immers, in de toelichting bij het formulier "Aanvraag huursubsidie" en “Vervolgaanvraag huursubsidie" staat onder "algemene voorwaarden" dat op die voorwaarden enkele uitzonderingen bestaan, waarover informatie bij de gemeente of de verhuurder is te verkrijgen. De brochure "Huursubsidie" vermeldt voorts dat aan de inhoud daarvan geen rechten kunnen worden ontleend. In het . Rekenblad" wordt ten slotte expliciet gewaarschuwd dat het onvolledig is en dat zekerheid over het recht op huursubsidie eerst wordt verkregen als daarover een officiële brief van het ministerie is ontvangen. Het voorlichtingsmateriaal ontbeert daardoor zozeer de pretentie van volledigheid dat de aanvrager van huursubsidie er van meet af aan op bedacht kon zijn dat hij in voorkomend geval aan meer of andere vereisten zou moeten voldoen om voor huursubsidie in aanmerking te komen dan expliciet uit dat materiaal valt af te leiden. In deze omstandigheden hebben appellante en haar partner, door de nieuwe woning te huren voordat genoegzaam zekerheid was verkregen omtrent de gefundeerdheid van hun aanspraak op huursubsidie, een risico genomen waarvan de gevolgen voor hun rekening dienen te blijven. Van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Hsw is derhalve geen sprake zodat de staatssecretaris terecht het voor de aanvragers negatieve advies van burgemeester en wethouders heeft gevolgd. Al hetgeen appellante verder heeft aangevoerd stuit tegen het vorenoverwogene af. 2.8. Gelet op het bovenstaande is het hoger beroep van appellante ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep van B niet-ontvankelijk; II. bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Tuinhout, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Tuinhout Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2001 77-295. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,