
Jurisprudentie
AB0254
Datum uitspraak2000-10-11
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers248-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers248-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 11 oktober 2000
Rekestnummer : 248-H-00
Rekestnr. rechtbank : 99.2140
GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats vrouw],
verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. J.W. Wladimiroff-Nater,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats man],
verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. J.A. van Keulen.
PROCESVERLOOP
De vrouw is op 13 april 2000 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van 15 februari 2000 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, voor zover die de daarin uitgesproken echtscheiding, de daarbij vastgestelde alimentatie voor de vrouw en de verdeling van de huwelijksgemeenschap ten aanzien van de goodwill van de maatschap van de man betreft.
De man heeft op 19 juni 2000 per fax en later ook per gewone post, een verweerschrift, tevens incidenteel verzoek-schrift ingediend.
De vrouw heeft geen verweerschrift op het incidenteel verzoek ingediend.
Van de zijde van de vrouw is bij het hof een brief met een bijlage ingekomen gedateerd 19 mei 2000.
Op 1 september 2000 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw heeft aldaar haar grief tegen de uitgesproken echtscheiding ingetrokken.
VASTSTAANDE FEITEN
Het hof rondt bedragen af op hele guldens.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.
De partijen zijn op 22 augustus 1978 in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige:
[naam kind 1], geboren op 1 november 1983,
[naam kind 2], geboren op 9 oktober 1985, en
[naam kind 3], geboren op 20 mei 1992.
Bij beschikking van 12 mei 1999 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage in voorlopige voorzieningen - voor zover in hoger beroep van belang - de alimentatie voor de vrouw bepaald op ƒ 11.500,- per maand. Bij beschikking van 29 juni 2000 heeft die rechtbank de voorlopige alimentatie met ingang van 30 mei 2000 gewijzigd in ƒ 7.000,- per maand.
Bij de bestreden beschikking van 15 februari 2000 heeft de rechtbank onder meer tussen de par-tijen de echtscheiding uitgespro-ken, die ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet was ingeschreven. Bij die beschikking is de kinderalimentatie bepaald op ƒ 500,- per maand per kind.
De partijen oefenen na echtscheiding gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen, die bij de vrouw wonen.
Ten aanzien van de man.
De man is geboren op 11 mei 1955 en is alleenstaand. Hij is als medisch specialist verbonden aan een maatschap.
Hij heeft de volgende maandlasten:
- ¦ 140,- premie particuliere ziek-te-kosten-ver-zekering inclusief eigen risico;
- ¦ 1.484,- premie voor een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- ¦ 120,- omgangskosten.
Ten aanzien van de vrouw.
De vrouw is geboren op 12 juli 1955 en vormt met de drie kinderen een eenoudergezin. Zij werkt als arts parttime op een Consultatiebureau. Haar loon bedroeg volgens de aangifte voor 1998 in dat jaar ƒ 42.611,-.
Zij heeft de volgende lasten:
- ¦ 2.967,- woonlasten, bestaande uit ¦ 2.792,- hypotheekren-te en ¦ 175,- woon-las-ten-for-fait. Het huis heeft een waarde van ca. ¦ 800.000,-;
- ¦ 160,- premie ziek-te-kosten-ver-zekering.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCI-DENTELE HOGER BEROEP
De man verzoekt de alimentatie voor de vrouw met ingang van 12 mei 1999 of met ingang van 15 februari 2000 te bepalen op nihil, danwel op ƒ 3.879,- per maand, danwel op een bedrag als het hof juist acht. Daarmee verzoekt de man, gelet op de datum waarop het huwelijk van de partijen is of zal zijn ontbonden, in feite wijziging van de bij voorlopige voorzieningen bepaalde alimentatie.
Nu het hoger beroep in deze zaak is gericht tegen de bij echtscheidingsbeschikking bepaalde alimentatie, kan de man in zijn verzoek, voor zover dat ziet op de periode vóór de ontbinding van het huwelijk, niet ontvangen worden.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTE-LE HOGER BEROEP
1. In geschil is de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man, de verdeling van hun jus en de duur van de alimentatie, alsmede de verdeling van het aandeel van de man in de goodwill van de maatschap.
2. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen, voor zover daarvan hierna niet wordt afge-weken.
De alimentatie voor de vrouw
3. De rechtbank bepaalde in de bestreden beschikking de alimentatie voor de vrouw op
ƒ 7.000,- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de daartoe bestemde registers. De vrouw verzoekt in hoger beroep de alimentatie voor haarzelf te bepalen op ƒ 12.000,- per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel, primair, de alimentatie te bepalen op nihil en subsidiair, de alimentatie te bepalen op ƒ 3.879,- per maand, naar het hof aanneemt, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
4. Het hof acht, gelet op het netto gezinsinkomen van de partijen tijdens het huwelijk, de door de man gestelde kosten voor de drie kinderen van ƒ 4.300,- per maand, redelijk. Nu het aandeel van de man in die kosten ƒ 1.500,- per maand bedraagt, stelt het hof het aandeel van de vrouw in die kosten op ƒ 2.800,- per maand en houdt daarmee rekening bij het bepalen van haar behoefte en de verdeling van de jus.
5. Het hof gaat uit van het inkomen dat de vrouw uit arbeid geniet, althans van een belastbaar inkomen van ƒ 45.000,- per jaar, omdat aannemelijk is dat haar inkomen als gevolg van de jaarlijkse collectieve verhogingen tot die som is gestegen en de vrouw die aanname van de man niet heeft betwist.
Met een fictief inkomen van de vrouw, gebaseerd op haar verdiencapaciteit, houdt het hof geen rekening. De man verwacht van de vrouw niet dat zij werk gaat doen waarvoor zij geen motivatie heeft en evenmin verwacht hij van haar dat zij fulltime gaat werken zolang zij nog de zorg heeft voor de kinderen. Daaruit leidt het hof af dat de man ermee instemt dat de vrouw thans een beperkte verdiencapaciteit heeft en derhalve erkent dat zij behoefte heeft aan aanvullende alimentatie. Anders dan de man stelt kan de behoefte van de vrouw wel worden gerelateerd aan het gezinsinkomen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en die relatie wordt door het hof ook aangenomen. Het hof zal de behoefte van de vrouw toetsen aan eerdergenoemde, nog te maken, jusvergelijking.
6. Het hof gaat bij de man uit van een winst uit onderneming van ƒ 297.830,- per jaar, gebaseerd op de jaarstukken van 1998, omdat de jaarstukken van 1999 nog niet beschikbaar waren ten tijde van de mondelinge behandeling. Het hof houdt bij de man rekening met een fictieve hypotheekrentelast van ƒ 3.500,- per maand en met ƒ 175,- per maand voor fictieve overige eigenaarslasten, omdat het hof een dergelijke woonlast voor de man redelijk acht, gelet op zijn inkomen, zijn beroep en de huidige prijzen op de woningmarkt. Het hof neemt een fictieve huurwaarde in aanmerking van ƒ 8.750,-. Eveneens houdt het hof rekening met de maandelijkse last van ¦ 947,- aan premie voor een lijfrenteverzekering, afgesloten als oudedagsvoorziening, omdat die lijfrente tijdens het huwelijk is aangegaan en de vrouw daarmee destijds akkoord ging.
7. Uit het voorgaande en uit de jusvergelijking volgt dat man voldoende draagkracht heeft om
ƒ 7.950,- per maand aan alimentatie voor de vrouw te betalen, aan welk bedrag de vrouw behoefte heeft. De bestreden beschikking dient derhalve te worden vernietigt ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw.
De duur van de alimentatie
8. De man verzoekt in hoger beroep zijn alimentatieplicht te limiteren tot 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van de bestreden beschikking. De vrouw verzet zich tegen limitering.
Gelet op de duur van, en de welstand tijdens de laatste jaren van het huwelijk en mede gelet op de rolverdeling tussen de partijen tijdens het huwelijk, waarbij de vrouw de zorg voor de kinderen en het huishouden op zich heeft genomen - waardoor haar mogelijkheden om inkomsten te verwerven zijn afgenomen -, acht het hof het niet redelijk de duur van de alimentatie te limiteren en zal het derhalve het verzoek van de man dienaangaande afwijzen.
De verdeling van de goodwill
9. De rechtbank overweegt in de bestreden beschikking, dat de goodwill wel onderdeel van de huwelijksgemeenschap uitmaakt, maar dat de waarde daarvan thans niet bepaalbaar is en derhalve nog niet voor verdeling vatbaar is. De vrouw verzoekt in hoger beroep het aandeel van de man in de goodwill van de maatschap, door haar bepaald op ƒ 419.540,-, alsnog te verdelen, in die zin dat aan haar nu reeds de helft van de waarde daarvan toekomt, uitvoerbaar bij voorraad. De man bestrijdt haar verzoek en stelt onder meer dat, mocht de goodwill toch verdeeld worden, dan ook het risico dat de goodwill op termijn niet of tot een lager bedrag aan hem wordt uitgekeerd, tussen de partijen verdeeld moet worden.
10. Het hof is van oordeel dat het aandeel van de man in de goodwill van de maatschap op zichzelf niet voor verdeling vatbaar is, omdat goodwill geen vermogensrecht is. Wél voor verdeling vatbaar is het aandeel van de man in de maatschap, bestaande uit maatschapkapitaal waarin de waarde van de goodwill is begrepen. Nu de vrouw recht heeft op verdeling van het gehele aandeel van de man in de maatschap dient het deel van het maatschapaandeel van de man dat bestaat in de waarde van de goodwill, nog tussen hen te worden verdeeld. Het hof zal, omdat de waarde van de goodwill thans niet bepaalbaar is, aan de man die onbepaalde waarde toebedelen en aan de vrouw een vordering op de man ter grootte van de helft van de te zijner tijd aan de man ter zake van goodwill uitgekeerde netto vergoeding toedelen en daarbij bepalen dat die vordering niet eerder opeisbaar zal worden dan nadat de man die vergoeding heeft ontvangen. De bestreden beschikking, voor zover daarin het verzoek van de vrouw tot verdeling van het aandeel van de man in de waarde van de goodwill van de maatschap als onderdeel van de huwelijksgemeenschap is afgewezen, dient derhalve te worden vernietigd.
Het verzoek van de vrouw tot benoeming van een deskundige voor het bepalen van de waarde van de goodwill passeert het hof derhalve.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, voor zover dat ziet op de periode vóór de ontbinding van het huwelijk;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de alimen-tatie voor de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op ¦ 7.950,- per maand, wat de na heden te ver-schij-nen termij-nen be-treft bij vooruit-beta-ling te vol-doen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;
bepaalt dat aan de man wordt toebedeeld: de onbepaalde waarde van het deel van zijn maatschapaandeel dat bestaat in de goodwill, en aan de vrouw: een vordering op de man ter grootte van de helft van de te zijner tijd aan hem ter zake van de goodwill, uitgekeerde netto vergoeding, welke vordering niet eerder opeisbaar zal worden dan nadat de man die vergoeding heeft ontvangen;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige en wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Schuering en Van Knobelsdorff bijge-staan door mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van
11 oktober 2000.