Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0253

Datum uitspraak2000-10-11
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers281-R-00 en 289-R-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 11 oktober 2000 Rekestnummers : 281-R-00 en 289-R-00 Rekestnr. rechtbank : FA RK 99-1698 GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak met rekestnummer 281-R-00 van [naam vrouw] wonende te [woonplaats vrouw], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. W. Taekema, tegen [naam man], wonende te [woonplaats man], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. H.C. Grootveld. en in de zaak met rekestnummer 289-R-00 van [naam man], voornoemd, verzoeker in hoger beroep, procureur mr. H.C. Grootveld, tegen [naam vrouw] voornoemd, verweerder in hoger beroep, procureur mr. W. Taekema. PROCESVERLOOP De vrouw is op 26 april 2000 en de man op 1 mei 2000 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van 1 maart 2000 van de rechtbank te Rotterdam, voor zover daarbij op verzoek van de vrouw, na verweer van de man en uitvoerbaar bij voorraad de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man is bepaald op ƒ 2.500,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De partijen hebben wederzijds geen verweerschrift ingediend. Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 27 april 2000 een ongedateerde brief met bijlagen ingekomen. Op 1 september 2000 is de zaak mondeling behandeld. VASTSTAANDE FEITEN Het hof rondt bedragen af op hele guldens. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast. De partijen zijn op 6 december 1989 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Uit dit huwelijk is geboren de jong meerderjarige: [naam kind], geboren op 22 januari 1982, die in eigen levensonderhoud voorziet. De partijen zijn begin februari 1999 uit elkaar gegaan. De vrouw heeft na 23 februari 1999 beslagen gelegd in verband met een toekomstige alimentatievordering, door haar gekapitaliseerd op ƒ 1.000.000,-. In voorlopige voorzieningen is de alimentatie voor de vrouw bij beschikking van 3 juni 1999 door de rechtbank te Rotterdam voorlopig bepaald op ƒ 3.500,- per maand, met ingang van 20 april 1999. Nadien heeft die rechtbank bij beschikking van 1 maart 2000, na een verzoek tot nihilstelling van de man, die voorlopige alimentatie met ingang van 1 december 1999 bepaald op ƒ 2.500,- per maand. De man heeft zijn voorlopige alimentatiebetalingen gestaakt met ingang van 20 januari 2000. Bij de bestreden beschikking van 1 maart 2000 heeft de rechtbank tussen de par-tijen de echtscheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 28 juli 2000. Tijdens het huwelijk werd maandelijks ƒ 5.300,- uitgegeven aan het huishouden en aanverwante zaken. Ten aanzien van de man. De man is geboren op 5 april 1938. Hij heeft een eenmanszaak genaamd [naam bedrijf man]. De omzet van het bedrijf bedroeg in 1996: ƒ 365.327,-, in 1997: ƒ 140.266,- en in 1998: ƒ 59.613,-. Het bedrijfsresultaat bedroeg: in 1996: ƒ 258,-, in 1997: ƒ 12.515,- negatief en in 1998: ƒ 18.436,- negatief. Hij heeft de volgende gelden in privé aan zijn bedrijf onttrokken: in 1996: ƒ 27.767,-, in 1997: per saldo ƒ 37.326,- en in 1998: per saldo ƒ 6.698,-. De man heeft thans geen werknemers meer in dienst. De man heeft een obligatierekening bij UBS AG te Basel, Zwitserland. Hij heeft een bankkluis in Nederland waarin hij ca. ƒ 180.000,- aan contanten heeft opgeslagen. Hij heeft een rekening bij Credit Lyonnais La Grande Motte. Hij heeft een effectenrekening bij ING-Bank. Omstreeks juli 1998 heeft de man de hypotheek op zijn woonhuis verhoogd van ƒ 160.251,- naar ƒ 347.255,-. De man heeft de volgende persoonlijke maandlasten: - ¦ 2.248,- woonlasten, bestaande uit ¦ 1.541,- hypotheekren-te, ¦ 175,- woon-las-ten-for-fait en een erfpachtcanon van ƒ 532,-. Het huis heeft een waarde van ƒ 520.000,-; - ¦ 224,- premie particuliere ziektekostenverzekering; - ¦ 500,- alimentatie ten behoeve van een andere ex-echtgenote. Ten aanzien van de vrouw. De vrouw is geboren op 8 december 1954 en is alleenstaand. Tijdens het huwelijk heeft zij geen betaalde arbeid verricht. Zij volgt sinds november 1999 een 4-jarige tolkenopleiding Frans, waardoor zij sindsdien niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Van juli tot en met september 1999 heeft zij gedurende 3 ½ dag per week, tegen betaling van ƒ1.100,- (naar het hof aanneemt: netto) per maand, in een sportschool gewerkt. Dat werk heeft zij moeten staken, omdat zij het fysiek niet kon volhouden. Sindsdien leent zij geld van familie en haar vriend, om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil zijn de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. 2. De vrouw verzoekt in de zaak met rekestnummer 281-R-00 de alimentatie voor haarzelf alsnog te bepalen op ƒ 5.000,- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3. De man verzoekt in de zaak met rekestnummer 289-R-00, naar het hof aanneemt, het verzoek van de vrouw ten aanzien van de door haar in eerste aanleg gevraagde alimentatie, alsnog af te wijzen. 4. Het hof houdt rekening met voornoemde vaststaande feiten en laat deze meewegen, voor zover daarvan hierna niet wordt afge-weken. De behoefte van de vrouw 5. De man stelt dat de vrouw in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw betwist dat. Het hof overweegt dat de vrouw, gelet op haar leeftijd en het feit dat zij - zo al ooit - lange tijd niet structureel aan het arbeidsproces heeft deelgenomen of zich op de arbeidsmarkt heeft georiënteerd, thans niet in staat geacht kan worden door arbeid volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat de vrouw, zoals de man stelt, aanzienlijke inkomsten uit een effectenportefeuille ontvangt acht het hof niet aannemelijk. Het hof bepaalt de behoefte van de vrouw aan financiële ondersteuning door de man echter om de volgende redenen op slechts ƒ 3.500,- per maand. De vrouw is in november 1999 begonnen aan een vierjarige opleiding, wetende dat zij gedurende die periode niet voor de arbeidsmarkt beschikbaar zou zijn. Op dat moment ontving zij een voorlopige alimentatie van ƒ 3.500,- per maand. De vrouw wist of kon weten, dat zij haar inkomen uit alimentatie niet meer zou kunnen uitbreiden met inkomen uit arbeid, hoe bescheiden ook, omdat die opleiding voor haar als een fulltime bezigheid gold. Het betreft weliswaar een 30-urige opleiding, maar de vrouw moet, volgens eigen zeggen, alle zeilen bijzetten om te kunnen slagen. Het hof leidt uit het voorgaande af dat haar financiële behoefte blijkbaar door die voorlopige alimentatie van ƒ 3.500,- per maand werd gedekt en bepaalt deze behoefte derhalve op dat bedrag. De draagkracht van de man 6. Het hof is verder van oordeel, dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn draagkracht geen alimentatie van ƒ 3.500,- per maand toelaat. Het hof baseert dat oordeel op het volgende. De man stelt dat hij op zijn vermogen heeft moeten interen, omdat hij geen inkomstenbron meer heeft, nu zijn bedrijf slechts verliezen lijdt. Hij heeft het merendeel van zijn bezittingen verkocht en zou door middel van die verkoopopbrengst en het tegoed bij Credit Lyonnais in zijn levensonderhoud en de bedrijfskosten van zijn eenmanszaak hebben voorzien. Naast zijn verhypothekeerde huis zou hij nu nog slechts een geldbedrag van ƒ 180.000,- (het bedrag dat contant in een bankkluis opgeslagen ligt) bezitten. Voornoemde stellingen heeft de man niet aannemelijk gemaakt, mede als gevolg van zijn tegenstrijdige en onvolledige verklaringen en het ontbreken van relevante bankoverzichten. Aan levensonderhoud en bedrijfskosten zou de man, zo stelt hij ter terechtzitting, van eind 1998 tot aan heden ƒ 234.000,- (het tegoed op de obligatierekening in Basel) vermeerderd met FF 750.000,- (omgerekend ca. ƒ 252.000,-, een tegoed op de bankrekening bij Credit Lyonnais La Grande Motte) hebben uitgegeven. Zou dat zo zijn, dan zou de man aan zijn levensonderhoud en bedrijfslasten maandelijks ca. ƒ 24.000,- hebben uitgegeven. Een dergelijke besteding komt het hof onwaarschijnlijk voor, temeer daar de partijen het er over eens zijn dat de gezinsuitgaven tijdens het huwelijk ca. ƒ 5.300,- bedroegen. Waarschijnlijk is dat de man het merendeel van deze gelden op een andere, de vrouw niet bekende, bankrekening heeft gestort. De eveneens ter terechtzitting geponeerde stelling van de man dat hij ƒ 8.000,- per maand uitgeeft aan zijn levensonderhoud en bedrijfslasten, hetgeen het hof bij gebrek aan bewijs ook niet van hem aanneemt, sterkt het hof in het hiervoor genoemde vermoeden. Het hof acht het voorts niet waarschijnlijk dat het vermogen van de man niet groter is geweest dan de door hem gestelde tegoeden van ƒ 234.000,- bij USB AG en FF 750.000,-. (waarvan de vrouw overigens stelt dat het tegoed in november 1998 FF 900.000 bedroeg) bij Credit Lyonnais en de contanten ad. ƒ 180.000,-. Een verklaring voor de besteding van de na verhoging van de hypotheek op zijn woonhuis ontvangen gelden geeft de man niet. Evenmin geeft de man duidelijkheid over de hoogte van het tegoed op de effectenrekening bij ING-Bank of de eventuele besteding daarvan. Gelet op het hiervoor overwogene neemt het hof aan dat de man nog altijd over een aanzienlijk vermogen beschikt, dat hij heeft ondergebracht op bij de vrouw niet bekende bankrekeningen - wellicht met het oog op de door haar gelegde beslagen - en dat hij daaruit een rendement verkrijgt dat hem in staat stelt om zowel in zijn eigen levensonderhoud als met ƒ 3.500,- per maand in dat van de vrouw te voorzien. 7. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de vrouw toe-laat van ¦ 3.500,- per maand, wel-ke ali-men-tatie, gelet op haar behoefte in over-een-stem-ming is met de wettelijke maatsta-ven, zodat de bestreden uitspraak moet worden vernie-tigd. BESLISSING Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zo-ver aan het oor-deel van het hof onder-worpen en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de: bepaalt de alimen-tatie voor de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op ¦ 3.500,- per maand, wat de na heden te ver-schij-nen termij-nen be-treft bij vooruit-beta-ling te vol-doen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad; wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Van den Wildenberg en Van Knobelsdorff, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 11 oktober 2000.