
Jurisprudentie
AB0246
Datum uitspraak2000-07-05
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers8-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers8-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 5 juli 2000
Rek.nummer: 8-H-00
Rek.nr rb.: 97-3148
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vrouw],
voorheen wonende te [vroegere woonplaats vrouw] (België), thans wonende te [woonplaats vrouw],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. W.F.A.A.A.M. van de Pol,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats man] (België),
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. W. Taekema.
HET GEDING
De man en de vrouw zijn op 29 december 1972 met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 oktober 1999 is tussen hen de echtscheiding uitge-sproken.
De vrouw is van deze beschikking op 20 december 1999 in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht deze te vernietigen en, op-nieuw beschikkende, de verzochte echtscheiding met toepassing van het Nederlands recht uit te spreken en te bepalen dat op het alimentatieverzoek van de vrouw Nederlands recht van toepassing is.
De man heeft op 1 maart 2000 een verweerschrift inge-diend waarin wordt verzocht voor wat betreft de kwestie welk recht van toepassing is op het echt-scheidingsverzoek en het alimen-tatieverzoek de bestreden beschikking te bekrachti-gen en voor wat betreft de echt-schei-dingsgrond te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de echt-scheidingsgrond te wijzigen in arti-kel 229 juncto 231 van het Belgische BW.
Op 22 maart 2000 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaak bekend onder rek.nr. 859-H-99.
Op 13 april 2000 zijn ter griffie van het hof nationaliteits-bewijzen van de man ingekomen, afgegeven door de Nederlandse ambassade en het consulaat der Nederlanden in België.
BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank in de bestreden beschikking zijn vastgesteld, voor zover daartegen geen grief is gericht. Ter zitting heeft het hof meegedeeld dat het verzoek in hoger beroep terzake het toepas-selijke recht op het alimentatieverzoek niet aan de orde is, nu de rechtbank in zoverre een tussenbe-schikking heeft gewe-zen.
2. Kernpunt van het geschil betreft de vraag of Belgisch danwel Nederlands recht van toepassing is op de echtscheiding.
De vrouw meent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man geen werkelijke maatschappelijke band met Nederland heeft. Volgens haar is dit wel het geval zodat Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding dient te worden toege-past. De man heeft een aantal omstandig-heden naar voren ge-bracht, waaruit zou moeten blijken dat hij de sterkste band heeft met België op grond waarvan hij meent dat de echt-schei-ding terecht naar Belgisch recht is uitgesproken.
3. Een verzoek tot echtscheiding moet in beginsel worden beoordeeld naar het gemeenschappelijke nationale recht van de partijen (art. 1 lid 1 onder a Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed, hierna afgekort als WCE). Bezit een partij de nationaliteit van meer dan één land, dan geldt als zijn nationale recht het recht van dat land waarvan hij de nationaliteit bezit, waarmede hij alle omstandigheden in aanmerking genomen de sterkste band heeft (art. 1 lid 3 WCE).
4. Vaststaat dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit en de man zowel de Nederlandse als de Belgische nationaliteit heeft. De man heeft aangevoerd dat hij weliswaar (tevens) de Neder-landse nationaliteit bezit, doch dat hij zichzelf uit-sluitend Belgisch voelt. Voorts meent hij dat hij econo-misch en sociaal gebon-den is aan België. Zo is [naam N.V. man] - waarvan de man be-stuur-der is - een Belgische onroerend goed maatschap-pij, welke in België volgens het Belgische recht is opgericht en waarvan de aandelen onder het Belgische recht vallen. Dat de Belgische onroerend goed maatschappij zo nu en dan panden in Nederland koopt, doet daar volgens hem niets aan af. De man heeft een optiekzaak in Antwerpen. Sinds 1987 woont hij onaf-gebroken in België; hij is niet van plan terug te keren naar Nederland. De kinde-ren van de partijen hebben de Belgische nationa-liteit; de Nederlandse fiscus merkt de man aan als bui-tenlands belasting-plichtige. De man heeft voorts aangevoerd dat het overgrote deel van zijn vrienden in België woont en dat hij sedert geruime tijd lid is van de golfclub te Maaseik, welke club het trefpunt is voor de man en zijn vrien-den. Voorts is de man in België opge-roepen voor de militaire dien-st. Gelet op deze omstandig-heden meent de man dat hij geen werkelijke maatschap-pelijke band met Nederland heeft, zodat ingevolge artikel 1 lid 1, onder b WCE het Belgische recht op de ver-zochte echt-scheiding dient te worden toegepast.
5. De vrouw heeft zich verweerd en gesteld dat, hoewel de partijen op 11 maart 1987 naar Maaseik in België zijn ver-huisd, de man met Nederland meer economische binding heeft dan met België, althans dat zijn economische band met Nederland aanzienlijk is. Ter terechtzitting heeft de vrouw verklaard dat de man via zijn Belgische onroerend goed vennootschap [naam N.V. man] de volgende bedrijfspanden in Nederland heeft, hetgeen door de man ter zitting is erkend:
- een winkel-woonhuis, [adres] te Echt, welk pand op 17 maart 1976 door de man is aangekocht en in 1993 in [naam N.V. man] is ingebracht;
- een winkel- en woonhuis, [adres] te Echt, door de man aangekocht op 30 oktober 1979 en in 1993 ingebracht in bovengenoemde vennootschap;
- een winkel-woonhuis, [adres] te Echt, welk pand is aangekocht op 24 december 1985 en sedert 1993 op de balans staat van de Belgische vennootschap;
- een winkel met bovenwoning, [adres] te Echt, aangekocht op 1 november 1991 en sinds 1993 op de balans van de Belgische vennootschap;
- de onderste verdieping van een appartementengebouw te Vaals, (in gebruik als winkel) aan [adres];
- een winkelpand met verdiepingen, gelegen te Roermond, aan de [adres].
De man bezit via zijn vennootschap derhalve in Nederland minimaal 6 panden; in België slechts 3 (inclusief woning).
Voorts heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de man in Nederland bankiert, zo verkreeg de man op 11 april 1997 van de RABO-bank te Weert een lening van ƒ 150.000,= met als onder-pand de woning van de vrouw, waarin ook de moeder van de vrouw woont.
Gebleken is dat de man enig aandeelhouder is van beheersmaat-schappij [naam moedermaatschappij man], gevestigd te Echt. Deze moedermaat-schappij kent in Nederland een aantal dochtervennootschappen:
a. [naam dochtermaatschappij man], met als vestigingsadressen:
- [adres] te Echt;
- [adres] te Roermond;
- [adres] te Nuth;
- [adres] te Born (verkocht in 1998);
- [adres] te Vaals.
b. [naam dochtermaatschappij man] gevestigd te Echt (ook gevestigd in België);
c. [naam dochtermaatschappij man], gevestigd te Echt, in welke B.V. thans geen activiteiten plaatsvinden;
d. [naam dochtermaatschappij man], gevestigd te Sittard, aan [adres] (alsook gevestigd in België). Tevens is de man eigenaar van een strook grond, gelegen te Echt, aan [adres]. Op 14 november 1991, toen de partijen al in België woon-den, verkreeg de man deze zaak. Ter zitting heeft de man ver-klaard dat hij in Nederland een vast salaris geniet, naast zijn inkomen (winstdelingen) uit België.
Ten aanzien van de sociale en maatschappelijke banden is het hof van de volgende feiten en omstandigheden gebleken.
De man, op [geboortedatum] 1943 in Nederland geboren, heeft vervol-gens 44 jaar in Nederland gewoond. De man heeft de lagere school en de middelbare schoolopleiding in Nederland genoten. De ouders van de man woon-den tot hun dood in Nederland. Ter zitting heeft de man ver-klaard dat hij zijn loopbaan is begon-nen in de optiek in Maastricht. Zijn vader had een drogiste-rij en een optiekwinkel in Echt. Na één jaar is de man eige-naar geworden van de op-tiekwinkel. Twee jaar later heeft hij in Echt een tweede zaak geopend. De man heeft voor een groot gedeelte van zijn leven in Nederland gewerkt. In 1973 heeft de man zich bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven en daarbij stukken getekend waarop zijn Nederlandse nationaliteit stond vermeld. De man heeft ter zitting erkend dat hij naar de kapper gaat bij Martin Plas te Echt, om -zoals de man heeft ver-klaard- prakti-sche redenen, aangezien hij dan in Echt werkt en vroeg te-recht kan bij zijn kapper. De man heeft erkend dat hij in Nederland stemrecht heeft en dat hij ook in Nederland is opgeroepen voor de militaire dienst. De boekhou-der van de man werkt in het pand aan [adres] te Echt.
5.1 De partijen zijn in Nederland gehuwd na het opmaken van huwe-lijkse voorwaarden naar Nederlands recht. De kinderen van de partijen zijn in Nederland geboren. Het overgrote deel van de familie van de man woont in Nederland. Met uitzondering van zijn broer [naam broer man], die in België woont, wonen alle broers en zusters van de man (5 in totaal) in Nederland. De man is al twintig jaar lid van de [naam club man] in Herten (Nederland), alwaar ook het telefoon-nummer van de man vermeld staat. De bijeenkom-sten van deze club worden gehouden in restau-rant de Oldenhof te Herten. De huidi-ge partner van de man, die ook in Maaseik woont, heeft een baby gekregen, waarvan de man de vader is, in het zieken-huis te Roermond. De man gaat in Neder-land naar de tandarts (heer Corbeij te Sint Odiliënberg). Alcoholische dranken worden ingekocht bij de firma Hanssen te Linnen in Nederland. De personeelsfeestjes van de bedrijven van de man worden in Nederland gehouden, in het verleden werden feesten gehouden in Roosteren, Venlo en Grevenbicht.
6. Alle bovengenoemde omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof -anders dan de man- van oordeel dat het zwaartepunt van de sociale, economische en maatschappelijke banden van de man meer in Nederland ligt dan in België en dat de man derhal-ve de sterkste banden heeft met Neder-land, zodat op het ver-zoek tot echtscheiding Nederlands recht dient te worden toege-past. Vast staat dat het huwelijk van de partijen duurzaam is ontwricht. Hieruit volgt dat de bestreden beschik-king voor wat betreft de echtscheiding dient te worden be-krachtigd, zij het op grond van de niet in geschil zijnde duurzame ontwrichting van het huwelijk.
7. Mitsdien dient te worden beslist als volgt.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de echtscheiding tussen de partijen is uitgesproken;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ter zake van de toepasselijkheid van Nederlands recht op het alimenta-tieverzoek;
wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Hehemann, Schuering en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijge-staan door Lekahena als grif-fier, en uitgespro-ken ter open-ba-re te-rechtzit-ting van 5 juli 2000.