
Jurisprudentie
AB0240
Datum uitspraak2001-02-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 98/565 AW V02 (dubbel 2)
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 98/565 AW V02 (dubbel 2)
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN
SECTOR BESTUURSRECHT
ENKELVOUDIGE KAMER
Reg.nr.: AWB 98/565 AW V02
U I T S P R A A K
inzake het geschil tussen
[Eiser], wonende te [woonplaats eiser], eiser,
en
het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen, verweerder.
1. PROCESVERLOOP
Verweerder heeft eiser naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 26 juni 1997 bij besluit van 20 maart 1998 een gratificatie toegekend van f 31.305,42 bruto.
Eiser heeft kennelijk abusievelijk tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 20 april 1998 bezwaar ingesteld, welk bezwaarschrift door verweerder bij schrijven van 4 juni 1998 ter verdere behandeling aan de rechtbank is toegezonden met de opmerking dat het bezwaarschrift moet worden aangemerkt als een beroepschrift.
Eiser heeft bij brief van 30 juni 1998 zijn beroep nader toegelicht.
Verweerder heeft op 31 augustus 1998 de op de zaak betrek-king hebbende stukken aan de recht-bank toegezonden en een verweer-schrift ingediend.
Bij brief van 21 september 1998, heeft eiser van repliek gediend en bij brief van 29 september 1998 nadere stukken ingezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 2 februari 2001.
Eiser is aldaar in persoon verschenen.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. C.J. Noordzij.
2. RECHTSOVERWEGINGEN
De feiten
Eiser is sedert 16 augustus 1963 werkzaam geweest bij de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen.
Eiser heeft gedurende de periode van 5 september 1989 tot 15 juni 1991 naast zijn oorspronkelijke functie werkzaamheden verricht als projectleider van de op te richten Algemene Ondersteunende Diensten Natuur- en Scheikunde (AOD).
Op 16 juni 1991 is eiser tot bedrijfsleider AOD in schaal 12, periodiek 8 bevorderd. Eiser is met ingang van juni 1992 ingeschaald in schaal 12, periodiek 9 en met ingang van juni 1993 ingeschaald in het maximum van schaal 12, periodiek 10.
Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 26 juni 1997 het beroep van eiser gericht tegen het besluit van verweerder van 29 november 1994, nr. DP&O 94/14242, waarbij eiser over de periode van 5 september 1989 tot 15 juni 1991 geen hogere beloning is toegekend, gegrond verklaard en dat besluit wegens ontoereikende motivering vernietigd.
Naar aanleiding van voornoemde uitspraak heeft verweerder bij het thans bestreden besluit eiser over de periode van 16 juni 1989 tot 16 juni 1991 een gratificatie ten bedrage van
fl. 31.305,42 toegekend. Dit betreft het verschil in bezoldiging dat aan eiser is toegekend (schaal 11.11) en dat aan eiser toegekend had moeten worden (het eerste jaar schaal 12.8, het tweede jaar schaal 12.9) vermeerderd met de wettelijke rente.
Eiser kan zich daar niet mee verenigen omdat hij van mening is dat verweerder niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 26 juni 1997 door voornoemd bedrag uit te keren in de vorm van een gratificatie. Eiser refereert daarbij aan de volgende overweging in voornoemde uitspraak: "Verweerder heeft bij het bestreden besluit de motivering van de bezwarencommissie overgeno-men. Deze commissie komt in haar advies tot het oordeel dat eiser - gelet op de werkzaamheden die hij over die periode verrichtte - over de projectperiode de bezoldiging van bedrijfsleider toekomt."
Verweerder is van mening dat de nabetaling terecht in de vorm van een gratificatie is toegekend. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft verweerder aangevoerd dat het gebruikelijk is dat een medewerker die tijdelijk extra werkzaamheden verricht een extra beloning in de vorm van een gratificatie ontvangt en dat een en ander in overeenstemming is met het geldende beleid inzake beloningsdifferentiatie.
Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat de rechterlijke uitspraak uitsluitend ziet op de extra beloning voor de extra werkzaamheden tijdens de projectperiode en dat eisers stelling dienaangaande om die reden onjuist is.
Ten aanzien van het geschil
De rechtbank stelt voorop dat thans slechts het bestreden besluit ter beoordeling aan haar voorligt.
Dit betekent dat de rechtbank niet kan ingaan op hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent de wijze waarop eiser 'na' de periode waarop het besluit betrekking heeft is ingeschaald.
Gelet op het voorgaande is tussen partijen slechts in geschil of verweerder voornoemde nabetaling in de vorm van een gratificatie aan eiser heeft mogen uitkeren. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Anders dan eiser betoogt kan uit voornoemde uitspraak van deze rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat de nabetaling niet in de vorm van een gratificatie kan worden uitgekeerd. De rechtbank heeft in die uitspraak slechts aangegeven dat verweerder bij het toen bestreden besluit op onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat eisers werkzaamheden correct werden gehonoreerd. Verweerder had eiser immers niet voor zijn extra werkzaamheden beloond vanwege het feit dat eiser over die periode een toelage ontving terwijl, naar het oordeel van de rechtbank, die toelage los stond van de door hem extra verrichte werkzaamheden.
De rechtbank merkt daarbij op dat de overweging waaraan eiser refereert geen overweging van de rechtbank betreft. De rechtbank geeft daar slechts het standpunt van verweerder en de bezwarencommissie weer. Volgens dat standpunt komt aan eiser over de projectperiode de bezoldiging van bedrijfsleider toe. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eiser die bezoldiging in de vorm van een gratificatie doen toekomen.
Blijkens de overgelegde stukken heeft eiser gedurende de periode van 16 juni 1989 tot 16 juni 1991 naast zijn reguliere werkzaamheden, werkzaamheden als projectleider voor de op te richten AOD verricht. Gelet op hetgeen hieromtrent naar voren is gebracht ging het hierbij om extra werkzaamheden in een afgebaken-de periode.
De rechtbank heeft noch in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht noch in de overgelegde stukken een aanknopingspunt kunnen vinden op grond waarvan die extra werkzaamheden zouden moeten worden beloond door eiser achteraf met terugwerkende kracht in te schalen in schaal 12, periodiek 8.
Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder die beloning niet in de vorm van een gratificatie aan eiser heeft kunnen uitkeren. Het beroep van eiser zal derhalve ongegrond worden verklaard.
3. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuurs-recht, enkelvoudige kamer,
RECHT DOENDE,
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken
op 26 februari 2001, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.
De griffier, wnd. De rechter
De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebben-den binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
Afschrift verzonden op: 26 februari 2001
typ: jb