Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0239

Datum uitspraak2001-02-26
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 00/322 AW V02
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beschikbaar in de zin van art. 3.1.b, BWOO. Aansluiting bij art. 16 WW. Alsnog weigering van BWOO-uitkering per 1 december 1995, aangezien eiser niet feitelijk werkloos was en niet reëel beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Rechtbank: Voor het antwoord op de vraag of B na 1 december 1995 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, is bepalend of objectief is vast te stellen dat B beschikbaar was. Onder verwijzing naar de betekenis van het begrip 'beschikbaarheid' in art. 16 van de WW overweegt de rechtbank dat er sprake moet zijn van feitelijke beschikbaarheid. Tot niet-beschikbaarheid kan volgens vaste jurisprudentie geconcludeerd worden indien blijkt dat de betrokkene zich uitsluitend in theorie beschikbaar heeft gehouden en de beschikbaarstelling geen of een zeer gering realiteitsgehalte heeft. In casu is de rechtbank van oordeel dat eiser, in verband met (het opzetten van) zijn eigen bedrijf niet reëel beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. Beroep ongegrond. Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder. mr. drs. A. Houtman


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN SECTOR BESTUURSRECHT ENKELVOUDIGE KAMER Reg.nr.: AWB 00/322 AW V02 U I T S P R A A K inzake het geschil tussen mr. B.H. Werink, als curator in het faillissement van [eiser], wonende te [woonplaats eiser], eiser, en De Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, verweerder. 1. PROCESVERLOOP Verweerder heeft bij besluit van 28 september 1999 met terugwerkende kracht de eerder aan eiser toegekende uitkering ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) geweigerd en heeft het daartegen gerichte bezwaarschrift van 8 november 1999 bij het thans bestreden besluit van 21 februari 2000 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 31 maart 2000, op de in de brief van 1 mei 2000 aangegeven gronden, beroep inge-steld. Verweerder heeft op 29 mei 2000 de op de zaak betrek-king hebbende stukken aan de recht-bank toegezonden en een verweer-schrift ingediend. Bij brief van 4 juli 2000 heeft eiser nadere inlichtingen verstrekt. Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden. Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 2 februari 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, vergezeld van [eiser], voornoemd. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. J.H.J. van Gastel. 2. RECHTSOVERWEGINGEN Feiten [eiser] is van 1 juni 1991 tot 1 december 1995 als aio in dienst van de Rijksuniversiteit Groningen geweest. Dit betrof een dienstverband van 80% van een voltijdse aanstelling. [eiser] is in de eerste helft van de jaren negentig begonnen met activiteiten die moesten leiden tot het opzetten van een brouwerij. Op 2 januari 1995 is hij eigenaar geworden van een pand in [vestigingsplaats]. Feitelijk is [eiser] al vanaf oktober 1994 aan de slag gegaan om dit pand gereed te maken voor zijn brouwerij-activiteiten. Verweerder heeft [eiser] bij besluit van 16 januari 1996 per 1 december 1995 een uitkering ingevolge het BWOO toegekend. Dit besluit is als gevolg van een onderzoek door de opsporingsdienst van verweerder bij het besluit van 28 september 1999 ingetrokken. Daarbij is de uitkering alsnog per 1 december 1995 geweigerd. Het daartegen gerichte bezwaarschrift van 8 november 1999 is bij het besluit van 21 februari 2000 ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 oktober 1999 heeft verweerder een bedrag van ¦ 56.807,81 van [eiser] teruggevorderd. Eiser heeft daartegen bij schrijven van 2 december 1999 bezwaar aangetekend. Dat bezwaar is bij het besluit van 21 februari 2000 ongegrond verklaard. Het beroepschrift van eiser is enkel gericht tegen het eerstgenoemde besluit van 21 februari 2000. Standpunten van partijen Verweerder stelt dat uit het rapport van de opsporingsdienst blijkt dat [eiser] per 1 december 1995 niet feitelijk werkloos was en dat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Uit het rapport van de opsporingsdienst blijkt dat [eiser] vóór 1 december 1995 al zijn vrije tijd aan de brouwerij besteedde en na die datum al zijn beschikbare uren. Daaruit leidt verweerder af dat de door [eiser] in de brouwerij verrichte werkzaamheden na 1 december 1995 aanmerkelijk zijn toegenomen. Uit het rapport blijkt voorts dat [eiser] met name in de jaren 1996, 1997 en 1998 veelal zeven dagen in de week actief moet zijn geweest. Dat er in de onderneming van [eiser] in de loop der jaren steeds meer activiteiten werden verricht, blijkt volgens verweerder objectief verifieerbaar uit de ontwikkeling van de omzetten en uit het feit dat [eiser] vanaf 1 september 1996 personeelsleden in dienst heeft genomen. Eiser stelt dat [eiser] verweerder altijd heeft laten weten waar hij mee bezig was en dat verweerder niettemin een uitkering heeft toegekend. [eiser] mocht er daarom op vertrouwen dat hij recht had op een uitkering. Eiser voert met het oog hierop aan dat in het aanvraagformulier voor een BWOO-uitkering geen rekening wordt gehouden met arbeid die in het weekeinde wordt verricht. [eiser] heeft samen met zijn personeelschef van de universiteit besloten enkel de uren op te geven die hij door de week in zijn brouwerij werkte. Dat waren er in principe acht. [eiser] bleef echter steeds 32 uren per week beschikbaar voor de arbeidsmarkt, aldus eiser. In dit verband is van belang dat [eiser] in 1995 32 uren per week als aio werkte en daarnaast gemiddeld 24 uren per week in zijn brouwerij, waarvan een groot deel in het weekeinde, aldus eiser. Nadat [eiser]s aanstelling als aio op 1 december 1995 was beëindigd, is [eiser] niet méér in de brouwerij gaan werken dan daarvoor. [eiser] was, uitgaande van een 56-urige werkweek, vanaf 1 december 1995 dan ook 32 uren per week voor arbeid beschikbaar, aldus eiser. Inzake het geschil Blijkens artikel 3, lid 1 BWOO is werkloos de betrokkene die: a. tenminste vijf of tenminste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op verminderde doorbetaling van zijn loon over die uren, en b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Blijkens artikel 6, lid 1, onder a BWOO eindigt het recht op uitkering voor zover de betrokkene niet langer werkloos is. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat [eiser] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor de arbeidsmarkt en derhalve niet werkloos is geweest. Voor het antwoord op de vraag of [eiser] na 1 december 1995 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, is bepalend of objectief is vast te stellen dat [eiser] beschikbaar was. Onder verwijzing naar de betekenis van het begrip 'beschikbaarheid' in artikel 16 van de Werkloosheidswet overweegt de rechtbank dat er sprake moet zijn van feitelijke beschikbaarheid. Tot niet-beschikbaarheid kan volgens vaste jurisprudentie geconcludeerd worden indien blijkt dat de betrokkene zich uitsluitend in theorie beschikbaar heeft gehouden en de beschikbaarstelling geen of een zeer gering realiteitsgehalte heeft. Uit de beschikbare stukken leidt de rechtbank af dat [eiser] zich na 1 december 1995 volledig bezig hield met het opzetten en uitbouwen van zijn brouwerij. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank dermate omvangrijke activiteiten dat zij een volledige dagtaak moeten hebben omvat. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan de verklaring van [eiser] van 31 mei 1999 dat hij na zijn ontslag meer uren aan de brouwerij besteedde dan voorheen en dat hij soms wel zeven dagen per week aan het werk was. Voorts hecht de rechtbank in dit kader belang aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] - zelfstandige ondernemers in de naast de brouwerij gelegen panden - van 22 resp. 23 februari 1999, waaruit blijkt dat [eiser] zeker 40 uren per week op zijn bedrijf was, en aan de jaarrekeningen waaruit blijkt dat de omzet van de brouwerij in de jaren 1995 tot en met 1997 is gestegen. Tot slot acht de rechtbank van belang dat [eiser] in de periode september 1996 tot en met september/oktober 1998 personeel in dienst had. Voor het oordeel dat [eiser] vanaf 1 december 1995 niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt vindt de rechtbank voorts steun in het gedrag en de houding van [eiser]. Zo blijkt uit de door [eiser] ingevulde 'werkbriefjes' dat hij gedurende de uitkeringsperiode nooit enige sollicitatie heeft verricht. Het beeld dat [eiser] zijn werkzaamheden in zijn eigen bedrijf niet kon combineren met een andere functie wordt daardoor versterkt. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de beschikbaarheid van eiser voor de arbeidsmarkt van een dermate gering realiteitsgehalte dat bezwaarlijk kan worden gesproken van beschikbaarheid in de zin van artikel 3, eerste lid, sub b BWOO. Dit impliceert tevens dat [eiser] er niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat hij recht op een uitkering had. Verweerder heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat [eiser] niet werkloos was en derhalve niet in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge het BWOO. Het beroep is dan ook ongegrond. 3. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuurs-recht, enkelvoudige kamer, RECHT DOENDE, verklaart het beroep ongegrond Aldus gegeven door mr.drs. A. Houtman, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 26 februari 2001, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier. De griffier, wnd. De rechter De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebben-den binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht. Afschrift verzonden op: 26 februari 2001 typ: jb