Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0235

Datum uitspraak2001-02-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers50084
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Vonnis : 1 februari 2001 Rolnummer : 50084/1999 De arrondissementsrechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van: [S.], wonende te K. eiser, procureur: thans mr. W.J.H.M. Lejeune; tegen: [v.S.], wonende te B., gedaagde, procureur: mr. R.J.A.F. Caris. 1. Het verloop van de procedure Eiser, hierna te noemen "[S.]", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde, hierna te noemen "[v.S.]", heeft daarna geantwoord. Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij brieven van 29 november 1999 en 10 december 1999 zijn door [S.] stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. [S.] heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties. [v.S.] heeft geconcludeerd voor dupliek. Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 2. Het geschil 2.1 [S.] is gehuwd met mevrouw [P.], hierna te noemen [P.]. In 1998 ontstonden er tussen hen huwelijksproblemen, naar aanleiding waarvan zij een echtscheidingsprocedure zijn gestart en [S.] de echtelijke woning heeft verlaten. In verband met die procedure heeft [P.], buiten medeweten van [S.], omstreeks juni 1998 de verzameling Dinky Toys van [S.] verpakt in een zestal dozen en deze, samen met een aantal schilderijen, gebracht naar het privé-adres van [v.S.], alwaar de dozen en de schilderijen met toestemming van [v.S.] zijn opgeslagen op een kamer op de bovenverdieping van die woning. [v.S.], zijn partner en [P.] waren reeds jaren met elkaar bekend, met name vanwege hun gezamenlijke hobby, het bezoeken van en deelnemen aan hondententoonstellingen. 2.2 Omdat de relatie tussen [S.] en [P.] zich weer enigszins had gestabiliseerd, heeft [P.] zich in maart 1999 weer gemeld bij de woning van [v.S.] om de verzameling op te halen. Aldaar heeft [P.] ontdekt dat een groot deel van de Dinky Toys ontbrak. [v.S.] kon hiervoor geen verklaring geven. [P.] heeft vervolgens [S.] op de hoogte gesteld van de verdwijning van de Dinky Toys. 2.3 Op 20 maart 1999 bezocht [S.] een miniatuur-autoruilbeurs in Houten. Aldaar trof hij bij een Engelse handelaar, [Po.], een tiental van zijn verdwenen Dinky Toys aan. Van deze [Po.] heeft hij vervolgens vernomen dat deze de betreffende Dinky Toys, alsmede een groot aantal andere Dinky Toys, heeft gekocht van dhr. [V.O.]. [V.O.] was de vriend van de dochter van [v.S.] en heeft gedurende de relatie met de dochter van [v.S.] een periode bij [v.S.] in huis gewoond. 2.4 Naar aanleiding van voornoemde ontdekking is door [S.] aangifte gedaan bij de politie en vervolgens is [V.O.] aangehouden en verhoord. Tijdens de verhoren heeft [V.O.] bekend dat hij in de periode van december 1998 tot maart 1999, tijdens afwezigheid van de familie [v.S.], verschillende malen Dinky Toys uit de bij [v.S.] opgeslagen dozen heeft meegenomen en een deel daarvan heeft verkocht aan [Po.]. De overige gestolen Dinky Toys had hij niet verkocht en deze zijn hangende het strafrechtelijk onderzoek aan [S.] teruggegeven. [V.O.] is voor de diefstal van de Dinky Toys uiteindelijk strafrechtelijk veroordeeld. 2.5 [S.], [P.], [v.S.], diens partner en diens dochter zijn in verband met die diefstal eveneens door de politie verhoord. [P.] is tevens gehoord door de politierechter in het kader van de strafrechtelijke procedure jegens [V.O.]. De van hun verklaringen opgemaakte processen-verbaal zijn door partijen overgelegd in de onderhavige procedure. 2.6 [S.] heeft [v.S.] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. Hij stelt zich op het standpunt dat [v.S.] tekort is geschoten in zijn wettelijke c.q. contractuele (zorg-)verplichting dan wel dat [v.S.] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en op grond daarvan onder meer de waarde van de ontbrekende Dinky Toys dient te vergoeden. Deze waarde bedraagt volgens [S.] f 231.759,50. 2.7 [S.] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat [v.S.] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen: een bedrag van f 231.759,50; de wettelijke rente over f 231.759,50 vanaf 29 maart 1999 tot aan de dag der algehele voldoening; een bedrag van f 5.000,- wegens buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; het een en ander met veroordeling van [v.S.] in de kosten van de procedure. 2.8 De vordering wordt door [v.S.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek en het proces-verbaal van de comparitie na antwoord. 3. De beoordeling 3.1 [S.] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat tussen partijen een overeenkomst van bewaarneming ex artikel 7:600 BW heeft te gelden. Deze overeenkomst is aanvankelijk gesloten tussen [P.] en de partner van [v.S.]. [P.], met wie [S.] in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd, heeft als rechthebbende van het gehele (gemeenschappelijke) vermogen, waarin zij gelijkelijk gerechtigd is, de Dinky Toys in bewaring gegeven. Die rechtshandeling valt [S.] derhalve toe te rekenen, aldus [S.]. [v.S.] heeft voordat de Dinky Toys hem (in zijn woning) zijn toevertrouwd, daarvoor toestemming gegeven, zodat volgens [S.] [v.S.] die rechtshandeling (het in bewaring (te zullen) nemen van de Dinky Toys) (eveneens) dient te worden toegerekend. 3.2 [S.] stelt dat [v.S.] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis om de Dinky Toys zorgvuldig te bewaren en terug te geven. Volgens [S.] heeft [P.] toen zij de verzameling bij [v.S.] in bewaring gaf, medegedeeld dat deze een waarde had van minimaal f 250.000,-. Voorts zou zij gezegd hebben dat zij deze in bewaring gaf in verband met haar huwelijksproblemen en gevraagd hebben of er geen officiële registratie van moest plaatsvinden, hetgeen [v.S.] niet nodig vond. Van [v.S.], zeker nu hij notaris en dus een professionele dienstverlener is, mag volgens [S.] worden verwacht dat hij de nodige maatregelen treft om bij het in bewaring aanvaarden van zaken er op toe te zien dat duidelijk is wat precies in bewaring wordt genomen en dat hij die zaken zorgvuldig en veilig opslaat en bewaart. Tot zijn zorgverplichting behoorde ook dat hij de nodige maatregelen trof om verdwijning en diefstal te voorkomen. In die verplichting is hij tekort geschoten, temeer nu hij wist althans kon weten dat het om een zeer kostbare verzameling ging. 3.3 [v.S.] heeft betwist dat er tussen partijen een overeenkomst tot bewaarneming tot stand is gekomen. Volgens [v.S.] heeft [P.] zijn partner verzocht om een aantal dozen met inhoud bij hen in huis te plaatsen in verband met ruimtegebrek in haar eigen woning, niet in verband met huwelijksperikelen. Deze heeft daarin toegestemd, met de mededeling dat dit op eigen risico was. Hen is nimmer kenbaar gemaakt dat de dozen een waardevolle inhoud hadden; er is enkel gesproken over autootjes. Een relatie met de beroepsmatige activiteiten van [v.S.] is niet aanwezig en [P.] heeft ook nimmer gevraagd om een officiële registratie via zijn kantoor. Als er al een overeenkomst tot bewaarneming tot stand is gekomen, dan kan [S.] volgens [v.S.] niet worden aangemerkt als partij bij die overeenkomst, daar hij deze niet zelf is aangegaan en zich daarom ook in formele zin niet op eventuele rechtsgevolgen daarvan kan beroepen. 3.4 Uit de hiervoor weergegeven stellingen van [v.S.] blijkt dat [P.] met de partner van [v.S.] is overeengekomen dat de dozen met inhoud tijdelijk in de woning van [v.S.] konden worden opgeslagen. Op grond hiervan kan in ieder geval het bestaan van een overeenkomst tot bewaarneming tussen [P.] en de partner [v.S.] worden aangenomen. In hoeverre [v.S.] zelf, naast zijn partner, bij de afspraken met [P.] omtrent het opslaan van de dozen betrokken is geweest, is aan de hand van de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken niet duidelijk komen vast te staan. [v.S.] heeft in ieder geval kennis genomen van het feit dat deze dozen in zijn woning werden opgeslagen en heeft daarmee ingestemd. Dientengevolge kan hij worden aangemerkt als partij bij die overeenkomst. Uit hetgeen door [S.] is gesteld blijkt evenwel niet dat [S.] kan worden aangemerkt als partij bij de door hem gestelde overeenkomst tot bewaarneming. Uit die stellingen blijkt duidelijk dat door [P.] de verzameling Dinky Toys bij [v.S.] is ondergebracht en dat zij dit buiten medeweten van [S.] heeft gedaan. Het is ook niet aannemelijk dat [S.] hiertoe toestemming zou hebben verleend. Uit het bestaan van een huwelijksgemeenschap tussen [P.] en [S.] vloeit niet voort dat [S.] partij wordt bij die door [P.] gesloten overeenkomst met betrekking tot tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, zelfs al zou het daarbij gaan om onder het bestuur van [S.] vallende goederen ten aanzien waarvan [P.] onbevoegd heeft beschikt. Noch de tekst van de wet, noch de jurisprudentie en literatuur geven steun voor een anders luidend oordeel. 3.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient thans de vraag te worden beantwoord of kan worden gezegd dat [v.S.] jegens [S.] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door [S.] ten gevolge van de diefstal van de Dinky Toys geleden schade. Daartoe dient te worden beoordeeld of de zorgplicht van [v.S.] zover strekte dat hij de onderhavige diefstal had dienen te voorkomen. Aan de hand van hetgeen door partijen is gesteld en de door hen overgelegde processen-verbaal van de door alle betrokkenen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen, kan niet worden vastgesteld dat [v.S.] bekend is geweest met de daadwerkelijke inhoud van de dozen en de waarde van de verzameling Dinky Toys op het moment dat deze bij hem in huis stond opgeslagen. Alleen door [P.] is bij het verhoor door de politie verklaard dat zij bij het afleveren van de dozen zou hebben medegedeeld dat deze dozen Dinky Toys bevatten en welke waarde deze minimaal vertegenwoordigen, doch gelet op de verklaring die zij voor de rechter heeft afgelegd kan aan de juistheid van die eerste verklaring worden getwijfeld. De andere personen hebben allen ontkend dat [P.] deze mededeling zou hebben gedaan. Alleen al vanwege het gebrek aan wetenschap over de inhoud en de waarde van de inhoud van de dozen hoefde van [v.S.] niet te worden verwacht dat hij vergaande maatregelen trof ter voorkoming van diefstal. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat door [P.] eisen zijn gesteld ten aanzien van, dan wel dat er tussen partijen afspraken zijn gemaakt over, de wijze waarop de dozen dienden te worden opgeslagen en de mate van zorgvuldigheid die bij het bewaren daarvan betracht diende te worden. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat [v.S.] van [P.] een vergoeding heeft dan wel zou ontvangen voor het opslaan van de dozen. Gelet daarop kon van [v.S.] ook niet worden gevergd dat hij voor die dozen met inhoud een diefstalverzekering zou afsluiten. Het had veeleer op de weg van [S.] gelegen om deze verzameling te verzekeren. De dozen met de Dinky Toys zijn in overleg met en met instemming van [P.] gestald in een kamer op de bovenverdieping van de woning van [v.S.]. Op het moment dat de dozen daar werden gestald woonde [V.O.] in verband met zijn verkering met de dochter van [v.S.] op dat adres. Later is hij met de dochter van [v.S.] bij zijn moeder gaan wonen. Hij had echter ook toen nog vrije toegang tot de woning van [v.S.]. [P.] was hiermee bekend. Gelet op diens relatie met de dochter van [v.S.] en gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden kon niet worden verwacht van [v.S.] dat hij maatregelen had getroffen om te voorkomen dat [V.O.] toegang had tot de dozen met de Dinky Toys. Het is ook niet bevreemdend dat [v.S.] niet bedacht is geweest op een diefstal door [V.O.]. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat [v.S.] uit hoofde van onrechtmatige daad niet aansprakelijk is voor de door [S.] ten gevolge van de diefstal van Dinky Toys geleden schade. 3.6 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de vordering van [S.] dient te worden afgewezen. [S.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. 4. Uitspraak De rechtbank: wijst het gevorderde af; veroordeelt [S.] in de kosten van de procedure aan de zijde van [v.S.] gevallen en tot op heden begroot op: vast recht f 1.795,- salaris procureur f 8.100,-. Dit vonnis is gewezen door mr. Huinen, coördinerend vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.