
Jurisprudentie
AB0232
Datum uitspraak2001-02-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers28358 HA ZA 1998-1001
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers28358 HA ZA 1998-1001
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO
zaaknummer: 28358 ha za 1001 van 1998
datum uitspraak vonnis: 14 februari 2001 (ak)
Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:
[EISERES],
wonende te [woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw ,
procureur: mr. Ph. C. Kleyn van Willigen,
advocaat: mr. C.L. Kranendonk te Beverwijk,
tegen
[GEDAAGDE],
overleden 9 oktober 2000,
voorheen wonende te [woonplaats] (gemeente […]),
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man ,
procureur: mr. W.H. Kesler.
Gehoord partijen,
Gezien de stukken, waaronder thans ook het tussen partijen gewezen vonnis van deze rechtbank van 9 augustus 2000.
Overweegt:
Over het procesverloop:
In conventie en in reconventie:
Overeenkomstig hetgeen in voormeld vonnis is bepaald, hebben beide partijen een akte na interlocutoir vonnis genomen.
Vervolgens heeft het bij tussenvonnis van 23 februari 2000 gelaste deskundigenonderzoek plaatsgevonden. De rapportage die de deskundige naar aanleiding van zijn bevindingen heeft opgemaakt, bevindt zich bij de stukken.
Bij brief van 10 oktober 2000 heeft de procureur van de man meegedeeld dat de man op 9 oktober 2000 is overleden.
Vervolgens hebben de vrouw en wijlen de man achtereenvolgens geconcludeerd na deskundigenbericht. Van de zijde van de man is hierbij aangegeven dat de enig erfgenaam van de man, de zoon [Naam zoon], wonende de [Woonplaats] aan de [Straatnaam], de procedure wenst voort te zetten.
Ten slotte hebben partijen de processtukken overgelegd ter vonniswijzing.
Over het recht:
In conventie en in reconventie:
1. De rechtbank neemt over hetgeen dienaangaande in voormeld vonnis is overwogen.
Lening aan zoon
2. In voormeld vonnis is de vrouw opgedragen zich uit te laten over de vraag op welke wijze het bedrag van f 200.000,- dat volgens haar uit het gemeenschappelijk vermogen aan de zoon is geleend, in het gemeenschappelijk vermogen zou zijn gevloeid.
3. De vrouw stelt dat, gezien de door de belastingdienst vastgestelde aanzienlijke verhogingen van het belastbaar inkomen van wijlen de man die geresulteerd hebben in een aantal naheffingsaanslagen, er in de periode 26 oktober 1993 tot 1 november 1994 voldoende overgespaarde inkomsten zijn geweest om de betaling van f 200.000,- aan de zoon te doen. De vrouw is dan ook van mening dat het hier gaat om onverteerde inkomsten en inkomen het welk zij zelf heeft verworven door arbeid ten behoeve van de onderneming van de man te verrichten.
4. Ten aanzien van de datum waarop het bedrag van de lening aan de zoon ter beschikking is gesteld, een punt waarover de rechtbank door zowel de vrouw als wijlen de man nader geïnformeerd wenste te worden, heeft de vrouw geen datum genoemd waarop haar inziens het bedrag van de lening aan de zoon ter beschikking is gesteld. Uit hetgeen de vrouw wel vermeld, begrijpt de rechtbank dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat dit bedrag op of kort voor 1 november 1994 via de gemeenschappelijke rekening aan de notaris is overgemaakt dan wel contant aan de notaris is overhandigd. De vrouw geeft aan terzake geen bescheiden te hebben.
5. Van de zijde van wijlen de man wordt ten aanzien van de geldlening aan de zoon het volgende gesteld: het bedrag van f 200.000,- is op 25 oktober 1993 per kas opgenomen en dezelfde dag aan de zoon ter hand gesteld in de vorm van een lening. Hiervan is aanvankelijk niets op schrift gesteld. Om enige zekerheid te verkrijgen omtrent de betaling van de lening is op 1 november 1994 een hypotheekakte opgesteld. Weliswaar staat in de hypotheekakte dat het geld op 1 november 1994 aan de zoon ter beschikking is gesteld, doch zulks is niet juist. Verdere bescheiden terzake van de geldlening kunnen niet in het geding worden gebracht.
6. De rechtbank overweegt thans als volgt.
7. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw met haar verwijzing naar het door de belastingdienst over het jaar 1993 vastgestelde belastbare inkomen van wijlen de man op f 208.750,-, haar stelling dat het bedrag van de geldlening aan de zoon ten bedrage van f 200.000,- afkomstig is uit het gemeenschappelijk vermogen van partijen terwijl het saldo op de gemeenschappelijke rekening een jaar voordat volgens de vrouw het bedrag van de lening aan de zoon ter beschikking is gesteld niet meer dan f 556,16 bedroeg, onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op haar weg gelegen zulks te doen, nu wijlen de man zich wel gemotiveerd heeft uitgelaten over de herkomst van het bedrag dat aan de zoon is geleend. De vrouw heeft weliswaar aangeboden haar stellingen te bewijzen hetgeen zij heeft gespecificeerd door aan te bieden de inkomenspositie van wijlen de man over de jaren 1990 tot en met 1995 door middel van financiële bescheiden nader te adstrueren, doch de rechtbank passeert dit bewijsaanbod als zijnde van onvoldoende relevantie voor de voorliggende vraag.
8. Gelet op het vorenstaande zal de vordering van de vrouw tot betaling van een bedrag van f 100.000,- vermeerderd met de helft van de vruchten en opbrengsten van voornoemd bedrag, worden afgewezen.
Voormalige echtelijke woning
9. De door de rechtbank benoemde deskundige heeft in het door hem uitgebrachte taxatierapport de vrije onderhandse verkoopwaarde van de woning aan de [Straatnaam] te [Woonplaats], vrij van huur en gebruik en ontruimd, op 14 september 2000 vastgesteld op f 444.000,-. Zowel door de vrouw als van de zijde van wijlen de man zijn geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de verrichte taxatie, zodat de rechtbank de waarde van de voormalige echtelijke woning vaststelt op f 444.000,-.
10. Aangezien partijen het er over eens zijn dat de woning aan de man toegescheiden dient te worden, zal de rechtbank de woning aan de [Adres] te [Woonplaats] toescheiden aan wijlen de man. Gezien de hoogte van de hypothecaire geldlening van f 190.000,- ten gevolge waarvan de overwaarde van de voormalige echtelijke woning wordt vastgesteld op f 254.000,-, zal de rechtbank bepalen dat aan de vrouw wegens overbedeling van wijlen de man terzake van de voormalige echtelijke woning, een bedrag van f 127.000,- toekomt.
Verhoging hypothecaire last
11. Terzake de stelling van de vrouw dat in verband met een verhoging van de hypothecaire last op de voormalige echtelijke woning een bedrag van f 100.021,- vanuit het gemeenschappelijk vermogen is overgegaan naar het privévermogen van wijlen de man en op grond waarvan zij de helft van dit bedrag vordert, stelt wijlen de man het volgende: het bedrag dat is uitbetaald in verband met de nieuwe hypothecaire geldlening is volledig aangewend voor de betaling van belastingschulden. Hierbij komen de belastingschulden ingevolge de huwelijksvoorwaarden voor rekening van beide partijen gezamenlijk. Bovendien gaat het beroep op verrekening (artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden) niet op omdat het verrekenbeding alleen geldt voor hetgeen van de jaarlijkse inkomsten van de echtgenoten zal resteren nadat daaruit onder meer de belastingen zijn voldaan. Het aangaan van een hypothecaire geldlening behoort niet tot de jaarlijkse inkomsten zodat verrekening niet aan de orde is.
12. De vrouw stelt vervolgens primair dat geen enkele belastingschuld van wijlen de man haar raakt. Subsidiair stelt ze zich op het standpunt dat de naheffing van de omzetbelasting haar niet raakt omdat de omzetbelasting niet als een gemeenschappelijke schuld kan worden aangemerkt.
13. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
14. Uit de als productie 1 bij conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie overgelegde brief van de ING Bank van 18 augustus 1995 blijkt dat het bedrag van f 100.021,- dat in verband met het passeren van de hypotheekakte is betaald door de ING Bank, geboekt is op rekeningnummer [rekeningnummer]. Blijkens het als productie 2 bij akte van 24 november 1999 overgelegde bankafschrift blijkt dat rekeningnummer [rekeningnummer] de gemeenschappelijke rekening was van partijen. De rechtbank kan de vrouw dan ook niet volgen in haar stelling dat genoemd bedrag is overgeboekt op de bankrekening van de man.
15. Voorzover de vrouw bedoeld heeft dat met een verhoging van de hypothecaire lening op een gemeenschappelijke onroerende zaak belastingschulden van wijlen man in privé zijn voldaan, wijst de rechtbank op hetgeen in artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden is opgenomen. Hieruit blijkt dat hetgeen van de jaarlijkse inkomsten van de echtgenoten resteert nadat hieruit onder meer de belastingen zijn voldaan, tussen de echtgenoten zal worden verdeeld. In de huwelijksvoorwaarden is geen onderscheid gemaakt tussen omzetbelasting dan wel inkomstenbelasting, doch wordt in zijn algemeenheid gesproken van belastingen. Voorts kan de rechtbank niet inzien op grond waarvan een dergelijk onderscheid gemaakt zou moeten worden. Immers, de hoogte van de te betalen omzetbelasting is direct van invloed op de resterende jaarlijkse inkomsten die voor verdeling op grond van de huwelijksvoorwaarden in aanmerking kan komen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat nu de primaire en subsidiaire stellingen van de vrouw niet opgaan en door haar niet wordt betwist dat het bedrag van f 100.021,- dat op 18 augustus 1995 op de gemeenschappelijke rekening van partijen is geboekt, is aangewend voor de betaling van belastingschulden, de vordering van de vrouw op dit punt afgewezen dient te worden.
16. Aangezien zowel wijlen de man als de vrouw aan de vermeerdering van eis de voorwaarde hebben verbonden dat de rechtbank van oordeel mocht zijn dat voor de afrekening tussen partijen aansluiting gezocht dient te worden bij de regeling van het deelgenootschap en aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, zal de rechtbank hetgeen gevorderd is bij vermeerdering van eis in conventie respectievelijk in reconventie, niet bespreken.
17. Het voorgaande overziend komt de rechtbank tot de volgende opstelling.
Aan de vrouw komt toe:
½ van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning f 127.000,-
vordering wegens overbedeling terzake van de inboedelzaken f 5.000,-
totaal f 132.000,-
De vrouw heeft reeds een bedrag van f 55.000,- als voorschot op de boedelverdeling ontvangen, terwijl zij tevens tot een bedrag van f 31.486,63 aan de gemeenschap heeft onttrokken, zodat haar nog een bedrag van f 61.256,68 toekomt.
18. In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn geweest, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.
RECHTDOENDE
In conventie en in reconventie:
Deelt alle inboedelzaken, met uitzondering van de zaken die worden genoemd in de verklaring van 2 juni 1997 (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie) toe aan wijlen de man.
Scheidt de woning aan de [Adres] te [Woonplaats] toe aan wijlen de man.
Veroordeelt wijlen de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van f 61.256,68 (zegge: éénenzestigduizend tweehonderdzesenvijftig gulden en achtenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag ingaande 14 oktober 1998 tot de dag van algehele voldoening.
Compenseert de kosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Kuipers, Jue en Lemain en is op 14 februari 2001 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.