
Jurisprudentie
AB0230
Datum uitspraak2000-03-29
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers28358 HA ZA 1998-1001
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers28358 HA ZA 1998-1001
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO
zaaknummer: 28358 ha za 1998-1001
datum uitspraak vonnis: 29 maart 2000
Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:
[EISERES],
wonende te [Woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
procureur: mr. Ph. C. Kleyn van Willigen,
advocaat: mr. C.L. Kranendonk te Beverwijk,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende te [Woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
procureur: mr. W.H. Kesler.
Gehoord partijen,
Gezien de stukken, waaronder een afschrift van het door deze rechtbank tussen partijen gewezen vonnis d.d. 21 juli 1999.
Overweegt:
Over het procesverloop:
In conventie en in reconventie:
Overeenkomstig hetgeen in voormeld vonnis is bepaald heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
Beide partijen hebben op 24 november 1999 een akte genomen, waarbij zij producties in het geding hebben gebracht.
Op 8 december 1999 heeft [Eiseres] een antwoordakte genomen, waarbij zij haar eis heeft vermeerderd.
Op 15 december 1999 heeft [Gedaagde] een akte genomen waarbij hij zich tegen de vermeerdering van eis heeft verzet.
Bij rolbeschikking d.d. 15 december 1999 is het verzet tegen de vermeerdering van eis afgewezen.
Op 9 februari 2000 heeft [Gedaagde] een akte genomen.
Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis ver-zocht.
Over het recht:
In conventie en in reconventie,
Verjaring
1. In de conclusie van antwoord in conventie heeft [Gedaagde] gesteld dat de vorderingen tot verdeling betrekking hebbende op overgespaard inkomen vóór 1 oktober 1993 zijn verjaard.
De vorderingen onder 1. en 2. zoals die in het petitum van de inleidende dagvaarding zijn weergegeven, zien op de echtelijke woning en een hypotheekovereenkomst die met betrekking tot die echtelijke woning is gesloten.
De vordering onder 3. van het petitum van de inleidende dagvaarding heeft betrekking op een geldlening aan de zoon van partijen. [Eiseres] stelt dat die lening afkomstig is uit het gemeenschappelijk vermogen van partijen. De notariële akte waarin die lening is vastgelegd dateert van 1 november 1994 en is derhalve van latere datum dan 1 oktober 1993.
Hetgeen in het petitum van de inleidende dagvaarding wordt gevorderd onder 4. en 5. heeft betrekking op de verdeling van roerende zaken.
Vooralsnog ziet de rechtbank niet in hoe de vorenbedoelde vorderingen betrekking zouden kunnen hebben op de verdeling van overgespaard inkomen en op grond waarvan die vorderingen onder de werking van artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden zouden vallen.
Ook [Gedaagde] zelf is blijkbaar die mening voor in ieder geval een aantal van de vorderingen van [Eiseres] toegedaan (punt 2 conclusie van dupliek in conventie).
In verband met het vorenstaande zal de rechtbank [Gedaagde] opdragen om bij akte per vordering van [Eiseres] uiteen te zetten waarom die vordering volgens hem betrekking zou hebben op overgespaard inkomen in de zin van artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden en tevens waarom die vordering verjaard zou zijn.
Voormalige echtelijke woning
2. [Gedaagde] heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat naar aanleiding van het op 27 juni 1996 door [Eiseres] tegen [Gedaagde] aanhangig gemaakte kort geding een partiële scheiding en deling voor wat betreft de woning heeft plaatsgevonden, zodat [Eiseres] in redelijkheid niet opnieuw scheiding en deling van de woning kan vorderen.
3. Bij akte d.d. 24 november 1999 heeft [Eiseres] de gedingstukken die betrekking hebben op het vorengenoemde kort geding in geding gebracht.
Uit die stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank slechts dat partijen zijn overeengeko-men dat [Gedaagde] als voorschot op de boedelscheiding die nog plaats zou moeten vinden aan [Eiseres] een bedrag van ¦ 55.000,-- zou betalen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat er sprake is van een partiële scheiding en deling met betrekking tot de woning.
[Gedaagde] heeft gesteld dat hij voormeld bedrag van ¦ 55.000,-- aan [Eiseres] heeft voldaan. [Eiseres] heeft erkend dat zij dit bedrag heeft ontvangen. Vast staat derhalve dat die betaling heeft plaatsgevonden, zodat deze bij boedelscheiding dient te worden betrokken.
4. Aangezien, anders dan [Gedaagde] heeft gesteld, scheiding en deling van de aan partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende woning nog niet heeft plaatsgevonden, dient dit alsnog te gebeuren.
De waarde van de woning is op 29 november 1995 getaxeerd op ¦ 300.000,--. Gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat die waardering voor hen bindend zal zijn.
Aangezien de taxatie van de woning inmiddels meer dan vier jaar geleden heeft plaats-ge-vonden, kan in redelijkheid voor de vaststelling van de waarde van de woning niet meer van die taxatie worden uitgegaan. De waarde van de woning zal derhalve opnieuw moeten worden vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe deskundigenbericht te gelasten.
5. De rechtbank stelt zich voor tot deskundige te benoemen:
Gerard Ferdinand Hagels
Brinkstraat 111
7512 EC Enschede
tel. 053-4323225
De rechtbank is voornemens de deskundige te vragen wat op het moment dat hij de taxatie zal verrichten de vrije onderhandse verkoopwaarde van de woning is.
6. In verband met het vorenstaande zal de rechtbank partijen opdragen zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), het aantal te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.
Vordering in reconventie
7. Na de door [Gedaagde] bij zijn conclusie van repliek in reconventie gedane eisvermeerdering is het de rechtbank niet duidelijk wat [Gedaagde] nu precies vordert en wat de grondslag van die vorderingen is. In verband met het vorenstaande zal de rechtbank [Gedaagde] opdragen om bij akte op een overzichtelijke wijze aan te geven wat hij thans vordert en wat de grondslag voor elk van zijn vorderingen is.
Golf Cabrio
8. In zijn conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie heeft [Gedaagde] gesteld dat [Eiseres] bij haar vertrek uit de voormalige echtelijke woning een auto van het merk Volkswagen, type Golf Cabrio heeft meegenomen en dat zij deze heeft verkocht voor een bedrag van ¦ 25.000,--. Voorts heeft hij gesteld dat die auto tot de gemeenschap behoorde en dat deze afkomstig is uit het overgespaarde inkomen van de man, zodat de waarde van die auto bij de verrekening betrokken dient te worden.
9. [Eiseres] heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat de auto aan haar in eigendom toebehoorde en dat deze derhalve ingevolge de huwelijksvoorwaarden buiten de verrekening dient te blijven. Voorts heeft zij gesteld dat zij de auto in gebruik had en dat het kenteken en het verzekeringsbewijs op haar naam stonden.
10. [Gedaagde] heeft erkend dat de auto op naam van [Eiseres] stond. Aangezien partijen voorts buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd en [Gedaagde] niet heeft gesteld op grond waarvan deze auto in een tussen partijen bestaande gemeenschap zou vallen, gaat de rechtbank ervan uit dat de auto in eigendom aan [Eiseres] toebehoorde.
Het enkele feit dat de auto zou zijn voldaan uit inkomsten van [Gedaagde] brengt, nu partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, niet zonder meer met zich mee dat de waarde van die auto zou moeten worden verrekend. Aangezien [Gedaagde] voorts niet heeft aangevoerd op grond waarvan in dit geval wèl verrekening zou dienen plaats te vinden, zal de rechtbank de waarde van die auto bij de verdeling buiten beschouwing laten.
Bankrekening [Nummer]
11. [Gedaagde] heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat [Eiseres] een bedrag van ¦ 20.486,63 aan de gemeenschap heeft onttrokken, doordat zij dit bedrag van een gemeenschappelijke rekening van partijen heeft opgenomen. Ter staving van zijn stelling heeft [Gedaagde] bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, als productie 7 een rekeningafschrift d.d. 25 september 1995 in het geding gebracht van de bankrekening met het nummer [Nummer] bij de Rabobank te [Plaats].
12. [Eiseres] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat de voormelde rekening bij de Rabobank een gezamenlijke rekening van partijen betreft, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Aangezien partijen voorts niet hebben aangegeven waartoe die rekening werd aangehouden, zal de rechtbank ervan uit gaan dat die rekening bedoeld was om daarvan de kosten van de huishouding te voldoen.
De redelijkheid en billijkheid brengen in dat geval in beginsel met zich mee dat het saldo van de rekening toekomt aan ieder der echtgenoten voor de helft, ongeacht van wiens zijde de stortingen op die rekening hebben plaatsgevonden.
13. Uit het bankafschrift d.d. 25 september 1995, blijkt dat op 25 september 1995 contant een bedrag van ¦ 20.486,63 van de voormelde bankrekening is opgenomen. [Eiseres] heeft de stelling van [Gedaagde] dat dit bedrag door [Eiseres] is opgenomen onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal er derhalve vanuit gaan dat [Eiseres] op
25 september 1995 een bedrag van ¦ 20.486,63 van een gemeenschappelijke rekening heeft opgenomen.
Aangezien [Eiseres] voorts niet heeft aangegeven waartoe dit bedrag is aangewend, zal de rechtbank ervan uit gaan dat [Eiseres] dit bedrag aan de gemeenschap heeft onttrokken.
Bankrekening [Nummer]
14. [Gedaagde] heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat [Eiseres] in totaal een bedrag van
¦ 11.000,-- heeft onttrokken aan een gemeenschappelijke bankrekening van partijen met het nummer [Nummer] bij de Rabobank te Losser. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [Eiseres] driemaal een bedrag van die bankrekening heeft laten overboeken naar haar eigen spaarrekening en dat [Eiseres] een bedrag van ¦ 5.000,-- contant van die rekening heeft opgenomen. Ter staving van zijn stelling heeft [Gedaagde] bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, als producties 8 tot en met 10, een aantal rekeningafschriften in het geding gebracht.
15. Hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 12. heeft overwogen geldt mutatis mutandis eveneens voor deze bankrekening, zodat het saldo van de rekening toekomt aan ieder der echtgenoten voor de helft, ongeacht van wiens zijde de stortingen op die rekening hebben plaatsgevonden.
16. Uit de rekeningafschriften d.dis. 29 augustus 1995, 12 september 1995 en 26 september 1995 blijkt dat er drie maal een bedrag van ¦ 2.000,-- van bankrekening [Nummer] is overgemaakt naar een spaarrekening.
[Eiseres] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat de spaarrekening waarnaar de drie bedragen van ¦ 2.000,-- zijn overgeboekt een spaarrekening van haar is.
Uit het rekeningafschrift d.d. 10 oktober 1995 blijkt dat op 27 september 1995 contant een bedrag van ¦ 5.000,-- van de bankrekening met het nummer [Nummer] is opgenomen. [Eiseres] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat zij dit bedrag contant heeft opgenomen, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.
Voorts heeft [Eiseres] niet aangegeven waartoe de bedragen die zij heeft opgenomen zijn aangewend, zodat de rechtbank ervan uit zal gaan dat [Eiseres] deze bedragen aan de gemeenschap heeft onttrokken.
17. [Eiseres] heeft aangevoerd dat de vorenbedoelde onttrekkingen hebben plaatsgevonden toen partijen nog samenwoonden en deze derhalve niet bij de verrekening zouden moeten worden betrokken.
18. Deze stelling van [Eiseres] dient te worden verworpen.
Partijen hebben begin oktober 1995 de samenwoning verbroken. De onttrekkingen hebben zo kort voor deze datum plaatsgevonden dat in redelijkheid niet valt in te zien waarom deze onttrekkingen buiten de scheiding en deling zouden moeten blijven.
Roerende zaken volgens staat van aanbrengsten.
19. Onder verwijzing naar de huwelijksvoorwaarden heeft [Eiseres], zakelijk weergegeven, gesteld dat zij recht heeft op afgifte van de zaken die worden genoemd in de aan de akte van huwelijkse voorwaarden gehechte staat van aanbrengsten, althans op de zaken die ter vervanging van de aangebrachte zaken zijn aangeschaft.
20. [Gedaagde] heeft gesteld dat de zaken die op de staat van aanbrengsten staan niet meer aanwezig zijn.
21. Aangezien [Eiseres] deze stelling van [Gedaagde] niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft betwist, zal de rechtbank ervan uit gaan dat de zaken die op de staat van aanbrengsten niet meer aanwezig zijn.
22. Indien zaken gedurende het huwelijk door andere gelijksoortige zaken worden vervangen heeft dat, anders dan [Eiseres] lijkt te willen stellen, niet automatisch tot gevolg dat die zaken deel gaan uitmaken van hetzelfde vermogen als de zaken ter vervanging waarvan zij dienen. [Eiseres] heeft niet gesteld op grond waarvan zij de eigendom zou hebben verkregen van zaken die zijn aangeschaft ter vervanging van zaken die voorkomen op de staat van aanbrengsten. Voorts heeft zij niet gesteld om welke zaken het zou gaan.
Gelet op het vorenstaande en het bepaalde in artikel 7 eerste volzin van de huwelijksvoorwaarden, gaat de rechtbank ervan uit dat voor zover er zaken zijn aangeschaft ter vervanging van zaken die worden genoemd op de staat van aanbrengsten, deze zaken
deel uitmaken van de inboedel en aan ieder der echtgenoten voor de helft in eigendom toebehoren.
23. Gelet op het vorenstaande dient de vordering van [Eiseres] tot afgifte van de zaken die worden genoemd in de aan de akte van huwelijkse voorwaarden gehechte staat van aanbreng-sten, althans op de zaken die ter vervanging van de aangebrachte zaken zijn aangeschaft, te worden afgewezen.
Inboedelzaken
24. Onder verwijzing naar de huwelijkse voorwaarden heeft [Eiseres], zakelijk weergegeven, gesteld dat zij recht heeft op afgifte van de helft van de inboedelzaken.
In verband met deze stelling heeft [Eiseres] de vordering ingesteld zoals omschreven in punt 5 van het petitum van de inleidende dagvaarding.
De rechtbank begrijpt daaruit dat [Eiseres] afgifte vordert van de helft van de inboedelzaken, dan wel, indien [Gedaagde] daaraan niet wenst mee te werken, betaling vordert van een bedrag van ¦ 5.000,-- wegens overbedeling.
Zij heeft erkend dat zij de inboedelzaken die worden genoemd in de verklaring d.d. 2 juni 1997 (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie) van [Gedaagde] heeft ontvangen.
25. [Gedaagde] heeft met betrekking tot dit geschilpunt onder meer gesteld dat het hem niet onredelijk voorkomt dat [Eiseres] wegens de verdeling van de inboedelzaken een bedrag van
¦ 5.000,-- toekomt.
26. Uit de stelling van [Gedaagde] leidt de rechtbank af dat hij niet bereid is om de helft van de inboedelzaken aan [Eiseres] af te geven en voorts dat hij zich niet verweert tegen de stelling van [Eiseres] dat hij dan wegens overbedeling aan [Eiseres] een bedrag van ¦ 5.000,-- dient te voldoen.
27. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank alle inboedelzaken, met uitzondering van de zaken die worden genoemd in de verklaring d.d. 2 juni 1997 (productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie) aan [Gedaagde] toebedelen onder de verplichting van [Gedaagde] om wegens die toedeling aan [Eiseres] een bedrag van ¦ 5.000,-- te betalen.
Pensioenrechten
28. [Eiseres] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat [Gedaagde] wordt veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling van eventuele pensioenrechten van [Gedaagde].
Bij conclusie van repliek in conventie heeft [Eiseres] gesteld dat handhaving van die vordering zinledig is, omdat [Gedaagde] heeft aangegeven dat hij geen pensioenrechten heeft opgebouwd.
29. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat dit deel van de vordering geen onderwerp van geschil meer is.
Spaarrekening van [Eiseres]
30. [Gedaagde] heeft gesteld dat het saldo van de spaarrekening van [Eiseres] in de verrekening zou moeten worden betrokken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het saldo van die rekening gevormd is uit overgespaarde inkomsten die verrekend zouden moeten worden.
31. [Eiseres] heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat het saldo van haar spaarrekening aan haar toebehoort en dat [Gedaagde] daarop geen rechten kan doen gelden.
32. Partijen zijn buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd. De spaarrekening van [Eiseres] behoort derhalve tot haar vermogen, zodat het saldo van die spaarrekening in beginsel buiten de verdeling behoort te blijven.
[Gedaagde] heeft de stelling van [Eiseres] dat zij het saldo van die rekening in de loop der jaren heeft opgebouwd, niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Voorts heeft hij zijn stelling dat het saldo van die rekening uitsluitend zou bestaan uit overgespaarde inkomsten onvoldoende onderbouwd.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het saldo van de spaarrekening van [Eiseres], behoudens hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 16. is overwogen, bij de verdeling buiten beschouwing dient te blijven.
33. Uit het vorenstaande volgt dat [Gedaagde] geen belang meer heeft bij zijn vordering dat [Eiseres] wordt veroordeeld om bescheiden met betrekking tot haar spaarrekening in het geding te brengen. Die vordering zal derhalve worden afgewezen.
Uitsluiting hoger beroep
34. Uit oogpunt van proceseconomie zal de rechtbank bepalen dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is anders dan tegelijk met hoger beroep van het nog te wijzen eindvonnis.
RECHTDOENDE:
I Draagt [Eiseres] op zich bij akte uit te laten overeenkomstig het bepaalde in de rechtsoverwegingen 6.
II Draagt [Gedaagde] op zich bij akte uit te laten overeenkomstig het bepaalde in de rechtsoverwegingen 1., 6. en 7.
III Verwijst de zaak voor het nemen van de akten naar de civiele rolzitting van deze rechtbank van woensdag 26 april 2000.
IV Bepaalt dat van dit vonnis niet eerder hoger beroep zal kunnen worden ingesteld dan tegelijk met hoger beroep van het nog te wijzen eindvonnis.
V Houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen te Almelo door mrs. Lemain, Jue en De Jong en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 29 maart 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.