
Jurisprudentie
AB0229
Datum uitspraak1999-07-28
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers28358 HA ZA 1998-1001
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers28358 HA ZA 1998-1001
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO
zaaknummer: 28358 ha za 1998-1001
datum uitspraak vonnis: 28 juli 1999
Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:
[EISERES],
wonende te [Woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
procureur: mr. E.M. Yspeert,
advocaat: mr. C.L. Kranendonk te Beverwijk,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende te [Woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
procureur: mr. W.H. Kesler.
Gehoord partijen,
Gezien de stukken,
Overweegt:
Over het procesverloop:
In conventie en in reconventie:
Eiseres in conventie, verweerster in reconventie, verder te noemen [Eiseres], heeft voor eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van de inleidende dagvaarding.
Gedaagde in conventie, eiser in reconventie, verder te noemen [Gedaagde], heeft geconcludeerd voor antwoord. Tevens heeft hij een vordering in reconventie geformuleerd.
Vervolgens zijn de navolgende processtukken in het geding gebracht:
van de zijde van [Eiseres]: een conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, waarbij zij haar eis heeft verminderd;
van de zijde van [Gedaagde]: een conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, waarbij hij zijn eis heeft vermeerderd;
van de zijde van [Eiseres]: een akte verzet vermeerdering van eis;
van de zijde van [Eiseres] een conclusie van dupliek in reconventie;
Bij rolbeschikking d.d. 14 april 1999 is het verzet tegen de vermeerdering van de eis afgewezen.
Tenslotte hebben partijen de processtukken, waarvan de inhoud voorzover niet reeds weergegeven als hier herhaald en ingelast geldt, overgelegd en vonnis gevraagd.
Over het recht:
In conventie en in reconventie:
1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet betwiste overgelegde producties, het navolgende vast.
Partijen zijn op 14 mei 1969 te [Plaats] buiten gemeenschap van goederen gehuwd.
De huwelijksvoorwaarden die tussen partijen gelden zijn als productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie in het geding gebracht.
Artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden luidt als volgt:
“Hetgeen van de jaarlijkse inkomsten der echtgenoten zal resteren, nadat daaruit de in het vorige artikel eerste lid bedoelde kosten, alsmede alle overige lasten en belastingen zijn voldaan, zal tussen de echtgenoten gelijkelijk worden verdeeld. Zodra de gemeen-schappelijk huishouding feitelijk ophoudt te bestaan, eindigt de verplichting tot verdeling.
Het recht om vaststelling en/of verrekening te vorderen, als bedoeld in dit artikel, vervalt na het jaar volgende op dat, waarop deze vaststelling en verrekening betrekking hebben.”
Na problemen in de echtelijke relatie heeft [Eiseres] begin oktober 1995 de voormalige echtelijke woning aan de [Adres] te [Woonplaats] verlaten.
Bij beschikking d.d. 3 december 1996 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem het huwelijk tussen partijen door echtscheiding ontbonden.
De echtscheidingsbeschikking is op 15 januari 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Losser.
Bij voormelde beschikking d.d. 3 december 1996 van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem zijn partijen gelast over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen, indien en voor zover tussen hen enigerlei goederengemeenschap mocht bestaan.
Partijen bezitten in gemeenschappelijke eigendom de onroerende zaak bestaande uit een woonhuis met opstallen ondergrond en tuin, gelegen aan de [Adres] te [Woonplaats], gemeente [Gemeente], kadastraal bekend gemeente [Gemeente], sectie K nummer 2901 (verder: de woning).
De woning is op 29 november 1995 getaxeerd op een waarde van ¦ 300.000,--.
2. [Eiseres] heeft, zakelijk weergeven, het volgende gesteld.
a) De woning dient tegen betaling van de helft van de overwaarde aan [Eiseres] te worden toegescheiden aan [Gedaagde]. Als peildatum voor de waardebepaling van de woning dient te worden uitgegaan van het moment van de feitelijke scheiding en deling.
b) Op 18 augustus 1995 is ten gevolge van een verhoging van de hypothecaire last op de woning een bedrag van ¦ 100.021,-- overgeboekt op de bankrekening van [Gedaagde], zodat dat bedrag vanuit het gemeenschappelijk vermogen is overgegaan naar het privévermogen van [Gedaagde]. In verband daarmee dient de helft van dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, aan [Eiseres] toe te vallen.
c) Op 1 november 1994 is door partijen uit het gemeenschappelijk vermogen een bedrag van ¦ 200.000,-- geleend aan [Naam Zoon], de zoon van partijen. De door de zoon verschul-digde rente en aflossingen zijn voldaan aan [Gedaagde]. De helft van het geleende bedrag vermeerderd met de helft van de maandelijkse betalingen die de zoon na 1 november 1995 aan [Gedaagde] heeft verricht, komen aan [Eiseres] toe.
d) [Eiseres] heeft recht op toedeling van de zaken die zij bij het sluiten van huwelijk volgens de staat van huwelijksaanbrengsten heeft aangebracht, althans van de zaken die tijdens het huwelijk ter vervanging van die zaken zijn aangeschaft.
e) Op grond van het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden heeft [Eiseres] recht op de helft van de inboedelzaken van de woning. Zij maakt aanspraak op de helft van de inboedelzaken die omschreven zijn in de boedelbeschrijving d.d. 12 juli 1996 van gerechtsdeurwaarder A.J.J. Vanhommerig, dan wel op betaling van een bedrag van ¦ 5.000,--, zijnde de helft van de waarde van de inboedel-zaken. Enige inboedelzaken heeft [Eiseres] reeds op 2 juni 1997 ontvangen.
f) Omstreeks juli 1996 heeft [Gedaagde] aan [Eiseres] een bedrag van ¦ 55.000,-- voldaan bij wege van voorschot op het aandeel van [Eiseres] in de boedel. Bij de scheiding en deling van de zaken die aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehoren moet met die betaling rekening worden gehouden.
In verband met het vorenstaande vordert [Eiseres], na eisvermindering, dat [Gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld overeenkomstig het in het petitum van de dagvaarding onder de punten 1 tot en met 5 gevorderde.
3. [Gedaagde] heeft zich tegen de vorderingen van [Eiseres] verweerd. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
a) [Eiseres] heeft de echtelijke woning begin oktober 1995 verlaten, zodat de verplichting tot bijeenvoeging en verdeling op dat moment is geëindigd. Daaruit vloeit dat de verrekenplicht slechts betrekking heeft op het overgespaarde inkomen en de opbrengst uit de belegging daarvan tot begin oktober 1995.
b) Voor zover de vorderingen van [Eiseres] betrekking hebben op het overgespaard inkomen over de periode vóór 1 oktober 1993 zijn deze verjaard.
c) Het bedrag van circa ¦ 100.000,-- dat aan partijen is betaald in verband met die nieuwe hypothecaire geldlening van 18 augustus 1995 is geheel aangewend voor de betaling van gemeenschappelijke belastingschulden. Nu het bedrag van ¦ 100.000,-- is aangewend voor de betaling van belastingschulden komt dat bedrag, gelet op het bepaalde in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, niet voor verrekening in aanmerking. Het verrekenbeding als genoemd in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden is bovendien niet van toepassing omdat de hypothecaire schuld is aangegaan ten laste van een gemeenschapsgoed.
Dat artikel heeft voorts slechts betrekking op hetgeen van de inkomsten van partijen zal resteren. Voormeld bedrag van ¦ 100.000,-- is niet verkregen uit enig inkomen, maar uit een verhoging van de hypotheek.
d) Op 27 juni 1996 heeft [Eiseres] een kort geding tegen [Gedaagde] aanhangig gemaakt, waarbij zij een voorschot heeft gevorderd op de scheiding en deling dan wel verrekening. In verband met die vordering heeft [Gedaagde] aan [Eiseres] een bedrag van ¦ 55.000,-- voldaan, zijnde de helft van de waarde van de woning per eind 1995 verminderd met de daarop rustende hypothecaire schuld van ¦ 190.000,--. Daarmee heeft een partiële verdeling plaatsgevonden voor wat betreft de aan partijen in eigendom toebehorende woning.
In verband daarmee is de vordering van [Eiseres] om thans scheiding en deling te vorderen naar de actuele waarde van de woning in strijd met de redelijkheid en de billijkheid.
e) De op 1 november 1994 aan de zoon van partijen verstrekte lening is niet gefinancierd uit het gemeenschappelijk vermogen zoals [Eiseres] stelt, maar uit de verkoopopbrengst van een paard dat aan [Gedaagde] in eigendom toebehoorde. De verkoopopbrengst is gestort op de gezamenlijke rekening van partijen en via die rekening aan de zoon ter beschikking gesteld. [Gedaagde] heeft derhalve een vordering op de gemeenschap van ¦ 200.000,--. De inkomsten die [Gedaagde] uit de lening heeft genoten komen aan hem toe nu op grond van de huwelijkse voorwaarden alleen de overgespaarde inkomsten dienen te worden verrekend en niet de vermogensinkomsten. De verrekeningsvordering van [Eiseres] is bovendien verjaard.
f) Van de inboedelzaken heeft [Eiseres] al een aantal meegenomen bij haar vertrek uit de woning in oktober 1995. Voorts heeft zij reeds ontvangen de zaken die strekken tot het dagelijks gebruik en de zaken die worden genoemd op de lijst die als productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie in het geding is gebracht.
g) Bij haar vertrek uit de woning heeft [Eiseres] een personenauto meegenomen van het merk Volkswagen, type Golf Cabrio. Die auto is verkocht voor een bedrag van
¦ 25.000,--. De volkswagen behoorde tot de gemeenschap.
h) [Eiseres] heeft bij haar vertrek in oktober een bedrag van ¦ 20.486,63 meegenomen.
i) [Eiseres] heeft in de periode voorafgaande aan haar vertrek in totaal een bedrag van ¦ 11.000,-- van de gemeenschappelijke rekening laten overboeken naar een eigen spaarrekening.
j) Het bedrag dat tussen partijen verrekend dient te worden bedraagt in totaal
¦ 124.906,63. Partijen dienen derhalve ieder een bedrag van ¦ 62.453,31 te ontvangen. [Eiseres] heeft reeds een bedrag van ¦ 111.486,63 ontvangen. [Eiseres] heeft derhalve een bedrag van ¦ 49.033,31 te veel ontvangen, vermeerderd met het eventuele surplus op haar spaarrekening.
4. Vooralsnog begrijpt de rechtbank [Gedaagde] aldus dat hij op grond van hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd in reconventie, na eisvermeerdering, vordert dat [Eiseres] wordt veroordeeld om aan [Gedaagde] te betalen een bedrag van ¦ 49.033,31, te vermeerderen met de helft van de spaarrekening van [Eiseres] en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de eis in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening.
5. [Eiseres] heeft zich tegen de vordering in reconventie verweerd. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:
a) De Golf Cabrio behoorde aan [Eiseres] in eigendom toe;
b) Het saldo van haar spaarrekening heeft [Eiseres] in de loop van de jaren opgebouwd. Het betreft privé-vermogen van [Eiseres], zodat [Gedaagde] daarop geen rechten kan doen gelden;
c) De hiervoor onder rechtsoverweging 3 sub i bedoelde overboekingen hebben plaats-gevonden toen partijen nog samenwoonden, zodat niet valt in te zien op welke grond [Gedaagde] teruggave dan wel verrekening van deze bedragen kan vorderen.
6. In de stellingen van partijen ziet de rechtbank aanleiding een comparitie van partijen te gelasten ten einde inlichtingen te verkrijgen en een vereniging te beproeven.
Ter gelegenheid van de comparitie zal in ieder geval aan [Gedaagde] worden gevraagd zijn vordering in reconventie nader toe te lichten, aangezien het de rechtbank, na zijn bij conclusie van repliek in reconventie gedane eisvermeerdering niet duidelijk is wat [Gedaagde] nu precies vordert en wat de grondslag van die vordering is.
7. Uit oogpunt van proceseconomie zal de rechtbank bepalen dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is anders dan tegelijk met hoger beroep van het nog te wijzen eindvonnis.
8. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
RECHTDOENDE:
In conventie en in reconventie:
I Gelast partijen om vergezeld van hun raadslieden te verschijnen voor het lid van deze rechtbank en kamer mr. Lemain, ten deze tot rechter-commissaris benoemd, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 6. is overwogen.
II Verwijst de zaak naar de civiele zitting van deze rechtbank van woensdag 25 augustus 1999 voor dagbepaling comparitie van partijen, ambtshalve peremptoir.
III Bepaalt dat eisers uiterlijk op de vrijdag voordien schriftelijk aan de griffier opgave zullen hebben gedaan van de verhinderdata van partijen.
IV Bepaalt dat van dit vonnis niet eerder hoger beroep zal kunnen worden ingesteld dan tegelijk met hoger beroep van het nog te wijzen eindvonnis.
V Houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen te Almelo door mrs. Lemain, Jue en Dam en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 28 juli 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.