
Jurisprudentie
AB0218
Datum uitspraak2001-01-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers00/123 WET
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers00/123 WET
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vaststelling schadegebied bij WTS2-regeling is geen algemeen verbindend voorschrift maar een concretiserend besluit van algemene strekking, vatbaar voor bezwaar en beroep ingevolge de Awb.
Ongegrond bezwaarschrift tegen mededeling dat eisers verzoek om tegemoetkoming niet in behandeling wordt genomen aangezien het schade-adres niet binnen het bij de WTS2-regeling vastgestelde schadegebied ligt. Eisers bezwaren hebben in wezen betrekking op de vaststelling van het schadegebied als zodanig en moeten dan ook worden geacht mede te zijn gericht tegen de vaststelling van het schadegebied bij de WTS2-regeling.
Volgens verweerder moet de vaststelling van het schadegebied worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, zodat daartegen ingevolge art. 8:2, onder a, in verbinding met art. 7:1, eerste lid Awb geen bezwaar en beroep openstaat.
De rechtbank acht dit standpunt niet juist. Een besluit tot vaststelling van een schadegebied in het kader van de WTS dient te worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omdat een zodanig besluit niet verder strekt dan het bepalen van de werkingssfeer van reeds bestaande algemeen verbindende normen (met name art. 4, eerste lid WTS) en geen zelfstandige normstelling inhoudt. De rechtbank wijst in dit verband op AbRS 17 augustus 1999, AB 1999/412 (url('AA3753',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=15061), AbRS 23 november 1999, JB 2000/23, en AbRS 13 januari 2000, JB 2000/27 (url('AA4601',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=18139)
Dat het schadegebied ingevolge art. 1, onder d WTS bij ministeriële "regeling" wordt vastgesteld, maakt dit niet anders. Dat gebiedsaanwijzingen als de onderhavige plaatsvinden aan de hand van op de concrete situatie toegesneden criteria - aan de hand waarvan wordt bepaald in welk(e) gebied(en) schade is ontstaan als gevolg van een bepaalde ramp of ongeval - brengt op zichzelf niet met zich dat gezegd kan worden dat bij een zodanige gebiedsaanwijzing (rechts)normen worden gesteld en dat de aanwijzing verder strekt dan het bepalen van de werkingssfeer van reeds bestaande algemeen verbindende normen.
Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat zijn besluit van 16 december 1998 tot vaststelling van het onderhavige schadegebied niet vatbaar is voor bezwaar en beroep ingevolge de Awb.
Gegrond beroep.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.
mr. K. van Duijvendijk
Awb 8:2.a
Wet Tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (WTS) 3
Regeling Tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (WTS2-regeling) 2.2
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Reg.nr.: 00/123 WET
UITSPRAAK
in het geding tussen:
A, te B, eiser,
en
de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 26 november 1999.
2. Feiten
Eiser woont aan de […] 36 te B, gemeente X, aan de westelijke oever van de IJssel.
Bij aanvraag c.q. melding van 24 december 1998 heeft eiser op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998, hierna: de WTS2-regeling, aan de dienst Landelijke Service bij Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, hierna: LASER, een tegemoetkoming in door zware regenval veroorzaakte schade verzocht.
Bij besluit van 20 januari 1999 heeft de teammanager van LASER namens verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn melding niet verder in behandeling wordt genomen, aangezien het schadeadres niet binnen het bij de WTS2-regeling vastgestelde schadegebied ligt.
Bij brief van 1 maart 1999 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij het thans bestreden besluit heeft de regiomanager van LASER namens verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.
Bij brief van 4 december 1999 heeft eiser bij de Nationale ombudsman een klacht ingediend omtrent de afhandeling van zijn voornoemde aanvraag. Bij brief van 2 februari 2000 heeft de Nationale ombudsman, onder verwijzing naar artikel 13 van de Wet Nationale ombudsman, eisers brief aan deze rechtbank overgedragen ter behandeling als beroepschrift.
3. Procesverloop
Eisers brief van 4 december 1999 is aangemerkt als beroepschrift. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 12 september 2000, waar eiser is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Caspers en mr. E.B. Horninge.
4. Motivering
De rechtbank heeft eisers brief van 4 december 1999, door de Nationale ombudsman ontvangen op 9 december 1999 en doorgezonden op 2 februari 2000, gelet op artikel 13 van de Wet Nationale ombudsman, aangemerkt als beroepschrift tegen het besluit van 26 november 1999, aangezien eiser in deze brief onder meer aangeeft dat in dit besluit voorbij wordt gegaan aan zijn bezwaar dat zijn schadeadres ten onrechte niet in het vastgestelde schadegebied is opgenomen.
In artikel 13 van de Wet Nationale ombudsman is bepaald dat het tijdstip, waarop het verzoekschrift door de ombudsman is ontvangen, beschouwd wordt als het tijdstip waarop de zaak bij de bevoegde instantie aanhangig is gemaakt. De wetgever heeft hiermee kennelijk beoogd niet-tijdige doorzending van bij de ombudsman ingekomen verzoekschriften niet voor risico van de indieners te laten komen.
Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de rechtbank bevoegd is van eisers beroepschrift kennis te nemen, alsmede dat het beroepschrift tijdig is ingediend.
De Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (Wet van 25 mei 1998, Stb. 325, hierna: WTS) geeft regels over tegemoetkoming in de schade en de kosten in geval van overstromingen door zoet water, aardbevingen of andere rampen en zware ongevallen.
Ingevolge artikel 3 van de WTS kan deze wet bij koninklijk besluit van toepassing worden verklaard in geval van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen, die van van ten minste vergelijkbare orde is als een overstroming door zoet water of een aardbeving.
Bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1999, Stb. 128, is de WTS van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de WTS heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in bepaalde categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving, dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet van toepassing is verklaard, alsmede in bepaalde categorieën van kosten die daarmee verband houden.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de WTS wordt verstaan onder schadegebied: het bij ministeriële regeling vastgestelde, in Nederland gelegen gebied waarin een overstroming door zoet water, een aardbeving, dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard, heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan schade is geleden, dan wel kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.
Bij Besluit van 16 december 1998, Strct. 244, heeft verweerder, gelet op de de artikelen 1, 4, 6, 7, 9 en 12 van de WTS, de WTS2-regeling vastgesteld, welke van toepassing is op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.
De WTS2-regeling bevat nadere regels omtrent de hoogte van de tegemoetkoming, de berekeningsgrondslag en de (aanvraag)procedure.
In artikel 2, tweede lid, van de WTS2-regeling worden als schadegebied, bedoeld in artikel 1, onder d, van de WTS aangewezen de gemeenten en delen van gemeenten die zijn vermeld in de bij de regeling behorende bijlage.
De gemeente X, waarin eisers schadeadres is gelegen, behoort niet tot het aldus vastgestelde schadegebied.
De rechtbank stelt vast dat eisers bezwaren in wezen betrekking hebben op de vaststelling van het schadegebied als zodanig. Eisers bezwaarschrift van 1 maart 1999 moet dan ook, zoals verweerder terecht bij het bestreden besluit heeft aangegeven, worden geacht mede te zijn gericht tegen de vaststelling van het schadegebied bij de WTS2-regeling.
Verweerder heeft zich dienaangaande bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vaststelling van het schadegebied moet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, zodat daartegen ingevolge artikel 8:2, onder a, in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar en beroep openstaat.
De rechtbank acht dit standpunt niet juist. Een besluit tot vaststelling van een schadegebied in het kader van de WTS dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omdat een zodanig besluit niet verder strekt dan het bepalen van de werkingssfeer van reeds bestaande algemeen verbindende normen (met name artikel 4, eerste lid, van de WTS) en geen zelfstandige normstelling inhoudt. De rechtbank wijst in dit verband op AbRS 17 augustus 1999, AB 1999/412, AbRS 23 november 1999, JB 2000/23, en AbRS 13 januari 2000, JB 2000/27. Dat het schadegebied ingevolge artikel 1, onder d, van de WTS bij ministeriële “regeling” wordt vastgesteld, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Namens verweerder is ter zitting uiteengezet dat, afhankelijk van de aard en kenmerken van een ramp of zwaar ongeval, telkens opnieuw specifieke criteria worden ontwikkeld aan de hand waarvan de vaststelling van het schadegebied plaatsvindt. Omdat deze specifieke criteria (impliciet) besloten liggen in de vaststelling van het schadegebied zelf, houdt die vaststelling, zo is betoogd, als zodanig een zelfstandige normstelling in, zodat sprake is van een algemeen verbindend voorschrift.
De rechtbank kan verweerder in dit betoog niet volgen. Dat gebiedsaanwijzingen als de onderhavige plaatsvinden aan de hand van op de concrete situatie toegesneden criteria - aan de hand waarvan wordt bepaald in welk(e) gebied(en) schade is ontstaan als gevolg van een bepaalde ramp of ongeval - brengt op zichzelf niet met zich dat gezegd kan worden dat bij een zodanige gebiedsaanwijzing (rechts)normen worden gesteld en dat de aanwijzing verder strekt dan het bepalen van de werkingssfeer van reeds bestaande algemeen verbindende normen.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat zijn besluit van 16 december 1998 tot vaststelling van het onderhavige schadegebied niet vatbaar is voor bezwaar en beroep ingevolge de Awb.
Geconstateerd moet worden dat eisers bezwaarschrift van 1 maart 1999, bij LASER ingekomen op 5 maart 1999, niet binnen de op grond van artikel 6:7 van de Awb geldende termijn van zes weken is ingediend. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding echter op de voet van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar, aangezien bij de bekendmaking van de WTS2-regeling voor wat betreft de vaststelling van het schadegebied is nagelaten de bezwaarmogelijkheid te vermelden, zoals voorgeschreven in artikel 3:45 van de Awb. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het - mede gelet op verweerders standpunt ter zake - niet onbegrijpelijk is te achten dat eiser kennelijk niet tijdig de mogelijkheid van bezwaar tegen de vaststelling van het schadegebied heeft onderkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers bezwaarschrift, voor zover gericht tegen de vaststelling van het schadegebied, ontvankelijk moet worden geacht.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op eisers bezwaren met betrekking tot de vaststelling van het schadegebied. Het bestreden besluit komt in zoverre in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb.
Voor wat betreft de ongegrondverklaring van eisers bezwaar, gericht tegen het buiten behandeling laten van zijn aanvraag, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, zodat het in zoverre wegens strijd met het bepaalde in de artikel 7:12 van de Awb niet in stand kan blijven.
Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
Niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
5. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak en dit besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak bekend maakt;
gelast de Staat der Nederlanden aan eiser het betaalde griffierecht van f 225,- te vergoeden.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op: