Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0212

Datum uitspraak2000-10-11
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/3587
Statusgepubliceerd


Indicatie

Witte-illegalenbeleid / gezinsleven. Verzoeker verblijft vanaf ongeveer december 1993 tot november 1995 legaal en daarna - naar hij stelt - illegaal in Nederland. Verzoeker is (wederom) bezig een omgangsregeling te doen vaststellen door de rechtbank. Dat verzoek zal op 6 november 2000 door de rechtbank worden behandeld. Reeds om die reden dient de beslissing van verweerder om verzoeker op korte termijn uit te zetten te worden beschouwd als een inmenging in verzoekers recht op respect voor het familie- en gezinsleven met zijn zoon. De president is evenwel niet tot de overtuiging gekomen dat deze inmenging, onder deze omstandigheden, na afweging van alle daarbij betrokken belangen, thans noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het belang dat verzoeker heeft bij het persoonlijk in rechte adequaat kunnen behartigen van zijn wens/verzoek om een meer betekenisvolle inhoud aan zijn familie- en gezinsleven te kunnen geven, zijnde naar het oordeel van de president - in navolging van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 11 juli 2000 in de zaak Ciliz - een belang dat artikel 8 EVRM beoogt te beschermen, acht de president op dit moment dermate groot, dat dit opweegt tegen het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitzetting. Genoemd belang van eiser is immers onverbrekelijk verbonden met de eventuele totstandkoming van de omgangsregeling als zodanig en is derhalve aan te merken als een onmisbare randvoorwaarde voor de uitoefening van het familie- en gezinsleven. Toewijzing verzoek.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht president Uitspraak artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 00/3587 VRWET inzake : A, verblijvende te B, verzoeker, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Verzoeker, geboren op [...] 1967, bezit de Pakistaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 15 november 1993 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 21 oktober 1999 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen als bedoeld in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Bij besluit van 19 mei 2000 heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 30 mei 2000, aangevuld op 1 juli 2000. Bij de uitreiking van het bestreden besluit heeft verweerder meegedeeld dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd. 2. Bij verzoekschrift van 19 mei 2000, aangevuld op 1 juli 2000 en 22 september 2000, heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 14 juli 2000 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 20 september 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en met toepassing van artikel 33b Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J.M. Schermer, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. J. van Koesveld, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. II. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de beslissing om de uitzetting niet achterwege te laten te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening. De beslissing de uitzetting niet achterwege te laten is evenzeer onrechtmatig indien die beslissing in strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b Vw onrechtmatig indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft. 2. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in de bodemprocedure. 3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij – naast andere belangen – in het bijzonder een zeer zwaarwegend, door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermd, belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hij (opnieuw) doende is om via de rechtbank een omgangsregeling te bewerkstelligen met zijn in Nederland wonende zoon. Het daartoe op 2 augustus 2000 ingediende verzoek zal op 6 november 2000 door de rechtbank worden behandeld. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorgenomen uitzetting niet onrechtmatig is, omdat zijn belang bij uitzetting van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen groter is dan het belang van verzoeker. 5. Het huwelijk van verzoeker is ontbonden op 7 oktober 1996. De voormalige echtgenote van verzoeker is belast met het ouderlijk gezag over verzoekers zoon. Op basis van de overgelegde stukken heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat een eerder verzoek om een omgangsregeling vast te stellen op 28 mei 1997 door de rechtbank is afgewezen. Overwegingen daartoe waren dat op dat moment het recht op omgang diende te worden ontzegd aan verzoeker omdat omgang met onmiddellijke ingang in strijd moest worden geacht met zwaarwegende belangen van het kind. Voorts heeft de rechtbank in het kader van de afwijzing – samengevat – overwogen dat niet kan worden aanvaard dat verzoekers zoon gedurende zijn gehele jeugd de omgang met zijn vader zal moeten missen als gevolg van de enkele weigering van de moeder en dat verzoekers voormalige echtgenote daarom uiterlijk in mei 1998 voorstellen aan verzoeker dient te doen voor omgang tussen verzoeker en zijn zoon. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep bevestigd dat verzoeker in beginsel recht heeft op omgang met zijn zoon. Wel heeft ook het Gerechtshof – uiteindelijk, na eerst een proefomgangsregeling te hebben vastgesteld – het verzoek afgewezen. Ter zitting heeft verzoeker naar voren gebracht dat dit het gevolg is geweest van het feit dat hij door de tegenwerking van zijn voormalige echtgenote geen invulling heeft kunnen geven aan deze proefomgangsregeling. 6. De president overweegt dat – gelet op het voorgaande – naar zijn voorlopig oordeel buiten twijfel is dat er tussen verzoeker en zijn zoon sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Dat de invulling van dat familie- en gezinsleven tot op heden sober is geweest doet daar niet aan af. Voorts is door verweerder niet bestreden dat verzoeker (wederom) doende is een omgangsregeling te doen vaststellen door de rechtbank. Een mogelijke uitzetting van verzoeker op korte termijn zal zijn kans op succes in die procedure (aanzienlijk) negatief (kunnen) beïnvloeden. Dat brengt de president tot het voorlopig oordeel dat reeds om die reden de beslissing van verweerder om verzoeker op korte termijn uit te zetten dient te worden beschouwd als een inmenging in verzoekers recht op respect voor het familie- en gezinsleven met zijn zoon. 7. Verzoeker verblijft reeds lange tijd in Nederland; vanaf ongeveer december 1993 tot november 1995 legaal en daarna -naar hij stelt- illegaal. De reden dat aan hem thans een vergunning tot verblijf wordt geweigerd is dat verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de zogenoemde tijdelijke regeling witte illegalen. Zo beschikt verzoeker eerst vanaf maart 1994 – en niet reeds vanaf 1 januari 1992, zoals vereist – over een sociaal-fiscaal nummer (sofinummer). In dit kader merkt de president op dat de datum van afgifte van een sofinummer onbetwist is gebleven. Hoewel deze inmenging in eisers gezinsleven – marginaal toetsend – thans dan ook in overeenstemming lijkt met de inhoud van de Vw en het daarop gebaseerde beleid (waaronder de inhoud van TBV 1999/23), alsmede een legitiem doel (de bescherming van het economische welzijn) dient, is de president evenwel niet tot de overtuiging gekomen dat deze inmenging, onder deze omstandigheden, na afweging van alle daarbij betrokken belangen, thans noodzakelijk is in een democratische samenleving. De president onderkent dat verweerder belang heeft bij de uitzetting van verzoeker. Echter, het belang dat verzoeker heeft bij het persoonlijk in rechte adequaat kunnen behartigen van zijn wens/verzoek om een meer betekenisvolle inhoud aan zijn familie- en gezinsleven te kunnen geven, zijnde naar het oordeel van de president – in navolging van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 11 juli 2000 in de zaak Ciliz tegen Nederland (JV 2000, 187) – een belang dat artikel 8 EVRM beoogt te beschermen, acht de president op dit moment dermate groot, dat dit opweegt tegen het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitzetting. Genoemd belang van eiser is immers onverbrekelijk verbonden met de eventuele totstandkoming van de omgangsregeling als zodanig en is derhalve aan te merken als een onmisbare randvoorwaarde voor de uitoefening van het familie- en gezinsleven. Bij het voorgaande heeft de president overigens mede betrokken dat niet geheel valt uit te sluiten dat het rechterlijk oordeel over de gevraagde omgangsregeling mede van invloed kan zijn op de besluitvorming in bezwaar over het al dan niet verlenen van een verblijfsvergunning. 8. Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat de gevraagde voorziening dient te worden getroffen. 9. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden. 10. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, lid 4 van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president. III. BESLISSING De president 1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder verzoeker niet uit Nederland verwijdert totdat op het bezwaarschrift is beslist; 2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier; 3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,- (zegge tweehonderdenvijfentwintig gulden). Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2000 door mr. A. Wolfsen, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, griffier. Afschrift verzonden op: 12 december 2000 Conc.: GM Coll: Bp: - D: B