Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0210

Datum uitspraak2001-01-08
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/2831
Statusgepubliceerd


Indicatie

Witte-illegalenbeleid. De aanvraag van een vtv op grond van het witte-illegalenbeleid is ingediend ná beëindiging van het beleid geldig tot 31 december 1997 en vóór de ingangsdatum van TBV 1999/23. Ten tijde van de aanvraag waren geen contra-indicaties als zodanig geformuleerd. Ten aanzien van verzoeker kan sprake zijn van een ongunstiger beleid. Toewijzing verzoek.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht president Uitspraak artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 00/2831 VRWET inzake : A, verblijvende te B, verzoeker, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Verzoeker, geboren op [...] 1966, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 16 juni 1999 heeft hij zich bij de Korpschef te Amsterdam-Amstelland gemeld met het verzoek hem een vergunning tot verblijf te verlenen wegens klemmende redenen van humanitaire aard op grond van het witte-illegalenbeleid. Bij besluit van 20 juli 1999 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Bij brief van 3 augustus 1999 heeft verzoeker tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 november 1999 heeft verzoeker verzocht om toelating op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen als weergegeven in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Bij besluit van 14 april 2000 is het bezwaar van 3 augustus 2000 gegrond verklaard, de aanvraag van 16 juni 1999 alsnog in behandeling genomen en zijn de aanvragen niet ingewilligd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 27 april 2000. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft verweerder bij brief van 14 april 2000 meegedeeld dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd. 2. Bij verzoekschrift van 27 april 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 3 juli 2000 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 31 augustus 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en, met toepassing van artikel 33b Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door mr. T.L. Tan, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. Y. Kalden, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. II. OVERWEGINGEN 1. De president gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker is medio 1988 voor het eerst Nederland ingereisd. Een eerdere aanvraag van verzoeker ter verkrijging van een vergunning tot verblijf op grond van het witte-illegalenbeleid heeft niet geresulteerd in verblijfsaanvaarding. De procedure is geëindigd bij uitspraak van 18 juni 1999 van deze rechtbank en zittingsplaats (kenmerk AWB 96/13675 VRWET), waarbij het beroep ongegrond is verklaard. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat aannemelijk is dat verzoeker gebruik heeft gemaakt van door hem gekochte (ver)vals(t)e documenten. 2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen als weergegeven in TBV 1999/23. Gebleken is dat verzoeker gebruikt heeft gemaakt van (ver)vals(t)e documenten. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juni 1997, onder rechtsoverweging II/7. Voorts is uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 27 november 1998 gebleken en door verzoeker niet weersproken dat verzoeker op 15 oktober 1997 bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Amsterdam is veroordeeld tot 60 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte, in plaats van vier weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf, wegens overtreding van artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Om die reden heeft verweerder het verzoek niet voorgelegd ter advisering aan de commissie van burgemeesters. Niet gebleken is dat er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan een vergunning tot verblijf had moeten worden verleend. 3. Verzoeker meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert hij aan dat hij weliswaar gebruik heeft gemaakt van een valse vestigingsvergunning, maar dat hij zoals vele illegalen noodgedwongen daartoe is gekomen. Hij is hier echter voor gestraft en veroordeeld en heeft de opgelegde arbeid verricht. Voorts zijn bij de dertien hongerstakers van de Agneskerk die de aanzet hebben gegeven tot de tijdelijke regeling witte illegalen, twee personen, die niet aan alle voorwaarden zoals neergelegd in TBV 1999/23 voldeden, desondanks in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf. Ze waren eerder uitgezet en Nederland opnieuw binnengekomen. Daar staat tegenover dat verzoeker vanaf zijn binnenkomst in Nederland op 22-jarige leeftijd van 1988 tot medio 1998 steeds door arbeid in zijn onderhoud heeft kunnen voorzien. Hij spreekt uitstekend Nederlands en is geheel ingeburgerd. Hij heeft zijn adolescentenjaren hier doorgebracht en heeft nauwe banden met in Nederland wonende personen. 4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de vreemdelingen die betrokken waren bij de hongerstaking in de Agneskerk vielen onder het oude beleid. TBV 1999/23 is nieuw beleid. Het is niet mogelijk om bij een aanvraag onder nieuw beleid in het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel te verwijzen naar een zaak die nog onder het oude beleid viel. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van de president van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juni 2000 (kenmerk AWB 00/2311). Bovendien is er geen sprake is van gelijke gevallen, nu verzoeker nimmer is uitgezet. Ter zitting stelt verweerder dat de aanvraag is ingediend op grond van TBV 1999/23. Op grond van dit beleid en op grond van het oude witte-illegalenbeleid is sprake van een contra-indicatie ingeval de vreemdeling (ver)vals(t)e documenten in zijn bezit heeft. 5. Eiser stelt zich ter zitting op het standpunt dat hij enkel een beroep doet op klemmende redenen van humanitaire aard. Het beroep op TBV 1999/23 laat eiser ter zitting vallen. De president overweegt het volgende. 6. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de beslissing om de uitzetting niet achterwege te laten te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening. De beslissing de uitzetting niet achterwege te laten is evenzeer onrechtmatig indien die beslissing in strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b Vw onrechtmatig indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft. 7. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in de bodemprocedure. 8. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. 9. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc). 10. Een verzoek om advies over de mate van inburgering door de commissie van burgemeesters wordt ingevolge TBV 1999/23 slechts in behandeling genomen indien -onder meer- wordt voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling niet in het bezit is geweest dan wel gebruik heeft gemaakt van valse dan wel vervalste documenten en dat er geen sprake is van criminele antecedenten. Voorts is in eerdergenoemd TBV bepaald dat reeds gedane verzoeken om heroverweging, die op de datum van publicatie van de onderhavige circulaire nog in behandeling zijn, worden beschouwd als een verzoek om advies in de zin van dit TBV. 11. De president stelt vast dat in TBV 1999/23 is bepaald dat het enkele bezit van valse of vervalste documenten een contra-indicatie is voor verlening van een vergunning tot verblijf op basis van TBV 1999/23. Het hanteren van deze contra-indicatie kan niet als onredelijk worden beschouwd, nu vorenbedoelde documenten voor de vreemdeling de mogelijkheid hebben geschapen om buiten medeweten van de Nederlandse overheid alhier te wonen en te werken. 12. De aanvraag van 16 juni 1999 dient beoordeeld te worden aan de hand van het toen geldende beleid. Het „oude“ witte-illegalenbeleid was geldig tot 31 december 1997. Het beleid zoals neergelegd in TBV 1999/23 gold met ingang van 1 oktober 1999. Naar aanleiding van de Agneskerk-zaken heeft de Staatssecretaris in zijn brief van 1 februari 1999 (TK 1998-1999, 25457, nr. 12) gesteld dat bij aanvragen ingediend ná 1 januari 1998 getoetst wordt of er sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat toelating op grond van klemmende redenen geïndiceerd is. Gekeken dient te worden naar een samenstel van factoren zoals zeer lange verblijfsduur in Nederland, medische factoren, gezinsomstandigheden en overige klemmende redenen van humanitaire aard. Het gebruik van (ver)vals(t)e documenten was ten tijde van deze aanvraag van verzoeker niet als zodanig als contra-indicatie geformuleerd. Bij de bestreden beslissing is beslist dat de aanvraag van 16 juni 1999 ten onrechte buiten behandeling is gesteld. De president is van oordeel dat in bezwaar een volledige heroverweging mogelijk is, waarbij mede een rol speelt dat ten aanzien van verzoeker sprake kan zijn van een voor verzoeker ongunstiger beleid. Verweerder kan in dat geval gebruik maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het nadien geformuleerde beleid inzake contra-indicaties. 13. De president is van oordeel dat verweerder niet afdoende heeft gemotiveerd waarom verweerder in casu zonder aandacht te geven aan zijn bevoegdheid ex artikel 4:84 Abw heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen heeft. Daaraan hoeft niet af te doen dat is gebleken dat verzoeker in 1997 tot 60 uur dienstverlening is veroordeeld. Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat het besluit ten aanzien waarvan verzoeker heeft gevraagd om schorsende werking, niet deugdelijk is gemotiveerd. 14. Mitsdien komt het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking. 15. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden. 16. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, lid 4 van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president. III. BESLISSING De president 1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder verzoeker niet uit Nederland mag verwijderen totdat op het bezwaarschrift is beslist; 2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier; 3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,- (zegge tweehonderdenvijfentwintig gulden). Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2001, door mr. W.J. van Bennekom, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. M.H.R. de Boer, griffier. Afschrift verzonden op: 18 januari 2001 Conc.: MB Coll: Bp: - D: B