Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0208

Datum uitspraak2001-02-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummers01/054046-97
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH Parketnummer: 01/054046-97 Uitspraakdatum: 21 februari 2001 VERKORT VONNIS EX. ARTIKEL 36e, LID 1 SR. (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [veroordeelde] geboren te [geboorteplaats] in 1966, wonende te [woonplaats], [adres]. Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 december 2000. Onderzoek van de zaak. De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 41.175,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij vonnis van deze rechtbank van 5 november 1998 onder bovengenoemd parketnummer voornoemd is [veroordeelde] veroordeeld terzake: 1. Deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij van die organisatie bestuurder was. (1) 2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels. (2) 3. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels. (3) 4. Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. (4, 5, 6a, 6c, 6 e) 5. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. (6f, 6j, 6l) 6. Diefstal door twee of meer verenigde personen. (6g, 6h) 7. Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd. (6b, 6d, 6k, 6m) Tegen [veroordeelde] is een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) ingesteld. Op 13 maart 1998 werd door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie voor het instellen van een sfo een machtiging verleend. De officier van justitie heeft het sfo bij beschikking van 9 februari 2000 gesloten. De beschikking tot sluiting van het sfo is op 10 juli 2000 aan [veroordeelde] betekend. De ontnemingsvordering is op 7 september 2000 aan [veroordeelde] betekend. [veroordeelde] is daarbij opgeroepen om op 20 september 2000 ter terechtzitting te verschijnen voor de behandeling van de vordering. Het onderzoek ter terechtzitting is op 20 september 2000 geschorst, waarna met toepassing van artikel 511d, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), een schriftelijke voorbereiding heeft plaatsgevonden. Deze voorbereiding heeft er in bestaan dat de raadsman van [veroordeelde], mr. J.F.C. Schnitzler, bij brief van 21 september 2000 heeft gereageerd op de vordering. De officier van justitie gaf zijn schriftelijke reactie daarop bij brief van 17 november 2000. Ter zitting heeft de raadsman gereageerd op de brief van 17 november 2000. De beoordeling. Ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman van [veroordeelde] heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat de vordering in strijd met artikel 511b, derde lid Sv niet gelijktijdig met de beschikking tot sluiting van het sfo is betekend. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. In artikel 511, derde lid Sv is bepaald dat indien een sfo is ingesteld de vordering gelijktijdig met de sluiting van het sfo wordt betekend. Op 9 februari 2000 is het sfo gesloten. Blijkens de stukken is het besluit tot sluiting van het sfo op 10 juli 2000 aan [veroordeelde] betekend. De vordering is betekend op 7 september 2000. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met genoemde bepaling. In de wet is geen bijzondere regeling opgenomen waarbij is bepaald wat de rechtsgevolgen zijn van het schenden van het in artikel 511b, derde lid Sv opgenomen voorschrift. De rechtbank zoekt bij beantwoording van de vraag wat het rechtsgevolg moet zijn aansluiting bij artikel 359a Sv, dat op grond van artikel 511e, eerste lid Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard op de procedure ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank kan bij niet gelijktijdige betekening van de beschikking tot sluiting van het sfo en de ontnemingsvordering, rekening houdend met het belang dat artikel 511b, derde lid Sv beoogt te beschermen, de ernst van het verzuim en het door het verzuim veroorzaakte nadeel, het bedrag dat wordt gevorderd verminderen, de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering of bepalen dat de schending van 511b, derde lid Sv zonder rechtsgevolgen blijft. De rechtbank ziet in het onderhavige geval in de niet gelijktijdige betekening geen aanleiding de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel de vordering te matigen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Met het voorschrift van 511b, derde lid Sv wil de wetgever, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3) voorkomen dat na sluiting van het sfo nog nodeloos wordt getalmd met het aanhangig maken van de vordering ter terechtzitting. Gezien de korte periode tussen de beide betekeningen -tussen de betekening van de sluiting van het sfo en de vordering ligt een periode van ongeveer zeven weken- acht de rechtbank het rechtsbelang dat artikel 511, derde lid Sv beoogt te beschermen in de onderhavige zaak niet in dermate ernstige mate geschonden, dat daaraan consequenties dienen te worden verbonden. Bij het voorgaande heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [veroordeelde] ook niets heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat hij door schending van artikel 511, derde lid Sv in zijn belangen is geschaad. Hij heeft volstaan met te stellen dat artikel 511, derde lid Sv is geschonden en dat de officier van justitie om die reden niet-ontvankelijk is. De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering niet, zoals is voorgeschreven in artikel 511b, eerste lid Sv, zo spoedig mogelijk bij de rechtbank aanhangig is gemaakt. Volgens de raadsman dient overschrijding van de redelijk termijn voor het indienen van de vordering te leiden tot verlaging van het bedrag dat [veroordeelde] aan de Staat zou moeten betalen. De rechtbank stelt voorop dat de vordering is ingediend binnen de in artikel 511b, eerste lid Sv genoemde termijn van twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank. Deze termijn van twee jaar is echter een uiterlijke termijn. Ingevolge artikel 511b, eerste lid Sv geldt als uitgangspunt dat de vordering zo spoedig mogelijk aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank. Ook uit andere bepalingen betreffende de regeling ter zake van ontneming van wederrechtelijk voordeel, ondermeer artikel 126e en artikel 511b, derde lid Sv, blijkt dat de wetgever belang hecht aan een voortvarende afhandeling van de ontnemingsprocedure. Het sfo is aangevangen in maart 1998. Blijkens de rapportage inzake het sfo van de Regiopolitie Brabant Zuidoost, Afdeling Regionale Recherche, Financial Desk was het onderzoek op 26 mei 1999 afgerond. In de periode van 26 mei 1999 tot 7 september 2000 hebben geen onderzoeksactiviteiten meer plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de procedure niet eerder afgerond had kunnen worden. Zo acht de rechtbank het niet aannemelijk dat, zoals de officier van justitie heeft betoogd, zoveel tijd nodig was om te beoordelen of het indienen van een vordering gerechtvaardigd was. Naar het oordeel van de rechtbank stelt [veroordeelde] zich terecht op het standpunt dat de procedure onwenselijk lang heeft geduurd en dat de redelijke termijn voor het indienen van de vordering is overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding het ontnemingsbedrag te verlagen met een percentage van 5%. De vordering De raadsman van [veroordeelde] heeft aangevoerd dat ten onrechte bij de ontnemingsvordering is betrokken het voordeel dat [veroordeelde] zou hebben genoten van een strafbaar feit waarvoor hij door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch bij het op 24 augustus 1999 gewezen arrest is vrijgesproken, dan wel waarvan het Gerechtshof de dagvaarding nietig heeft verklaard. In het sfo is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het vonnis van de rechtbank. Het geschil spitst zich toe op de in de dagvaarding genummerde feiten 6b subsidiair , 6c primair en 6d subsidiair. De rechtbank heeft [veroordeelde] veroordeeld voor opzetheling van 350 uit een vrachtwagen gestolen kleurentelevisies (6b subsidiair, wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op ƒ 8.000,-), diefstal in vereniging met braak van 56 kopieerapparaten en 7 laserkopieerapparaten (6c primair, wederrechtelijk voordeel berekend op ƒ 10.625,-) en opzetheling van uit een vrachtwagen gestolen kleding en rugzakken (6d subsidiair, wederrechtelijk voordeel berekend op ƒ 500,-). Het Gerechtshof heeft [veroordeelde] vrijgesproken van het onder 6c ten laste gelegde en de dagvaarding betreffende feit 6b subsidiair en 6d subsidiair nietig verklaard. De officier van justitie heeft aangevoerd dat bij de vordering kunnen worden betrokken feiten waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld door het Hof alsmede voor soortgelijke feiten waarvan voldoende aannemelijk is dat [veroordeelde] daarvan op enigerlei wijze voordeel heeft gehad. De officier volstaat met te stellen dat de aannemelijkheid gebaseerd is op het proces verbaal op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet uitsluit dat wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen dat is genoten uit strafbare feiten waarvan men is vrijgesproken, indien aannemelijk is dat deze feiten door betrokkene zijn begaan, dan wel indien aannemelijk is dat deze strafbare feiten, door anderen gepleegd, er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat betrokkene er wederrechtelijk voordeel uit heeft verkregen. (art. 36e, derde lid Sr) Ten aanzien van wederrechtelijk genoten voordeel uit het genoemde strafbare feit 6c. In het sfo, waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd, is aan [veroordeelde] als mededader van de diefstal een deel van de opbrengst ( ƒ 10.625,-) toegerekend. [veroordeelde] zelf verklaart dat hij ƒ 1000,- heeft ontvangen voor de verkoop van de goederen. Het sfo is gesloten voor het arrest van het Gerechtshof en gaat nog uit van de veroordeling voor genoemd feit door de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat, nu [veroordeelde], na sluiting van het sfo, van de diefstal is vrijgesproken, het op de weg van de officier van justitie ligt te motiveren waarom het desondanks toch aannemelijk is dat het feit door [veroordeelde] is begaan, dan wel waarom hij uit het strafbaar feit meer voordeel heeft genoten dan het bedrag dat hij zelf heeft genoemd. De enkele verwijzing naar het sfo en het proces verbaal acht de rechtbank daartoe niet voldoende, omdat het sfo uitgaat van veroordeling voor het betreffende strafbare feit en omdat op basis van dit zelfde proces verbaal het Hof tot een vrijspraak is gekomen. De rechtbank komt tot de conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [veroordeelde] het strafbare feit heeft begaan. Met toepassing van artikel 36e, derde lid zal het voordeel dat [veroordeelde] heeft verkregen uit het strafbare feit worden bepaald op ƒ 1000,-, het bedrag dat hij zelf heeft genoemd. Ten aanzien van het wederrechtelijk genoten voordeel uit de feiten 6b subsidiair en 6d subsidiair. Het Gerechtshof heeft de dagvaardingen nietig verklaard, omdat bij de aan [veroordeelde] betekende dagvaarding een deel van de tenlastelegging van feit 6 subsidiair was weggevallen. Het Gerechtshof heeft daarom niet beoordeeld of deze tenlastegelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat er ook thans nog voldoende aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten door [veroordeelde] zijn gepleegd. Bovendien acht de rechtbank het aannemelijk dat [veroordeelde] de in het sfo genoemde bedragen heeft ontvangen. De rechtbank hecht daarbij onder meer belang aan de verklaringen van de medeverdachten en de omstandigheid dat [veroordeelde], zoals ook door het Hof bewezen verklaard, deel uitmaakte van de criminele organisatie die de betreffende diefstallen pleegde en dat [veroordeelde] daarbij een leidinggevende rol speelde. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij door de rechtbank bij vonnis van 5 november 1998 is veroordeeld, met uitzondering van het strafbare feit dat op de dagvaarding is genummerd 6c primair. In het financieel onderzoek wordt becijferd dat het door veroordeelde ten deze verkregen voordeel bedraagt ƒ 41.175,-. De rechtbank schat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op ƒ 31.550. Het in het sfo genoemde bedrag wordt verminderd met het ten onrechte toegerekende voordeel uit het strafbare feit 6c. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de redelijke termijn voor het indienen van de vordering is overschreden aanleiding om het te betalen bedrag vast te stellen op ƒ 29.972,-. Toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen: 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht. D E U I T S P R A A K Legt aan [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van ƒ 29.997,- (zegge: negenentwintigduizendnegenhonderdzevenennegentig gulden) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 120 dagen, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij door middel van of uit de baten van strafbare feiten heeft verkregen. Deze uitspraak is gegeven door, mr. M.H. Kobussen, voorzitter, mr. M.I. Heijning-Horst en mr. A.M. Kooijmans - de Kort, leden, in tegenwoordigheid van , griffier mr. L.M.J. Timmers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2001 Mr. M.I. Heijning - Horst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.