
Jurisprudentie
AB0203
Datum uitspraak2001-02-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR00/095HR
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR00/095HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Rek.nr. R00/095HR
Mr Strikwerda
Parket, 22 dec. 2000
conclusie inzake
het verzoek van de Gemeente Rotterdam
inzake het testament van [erflater]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 18 juli 2000, heeft de Gemeente Rotterdam, hierna: de Gemeente, zich gewend tot de Hoge Raad en op grond van art. 1 van de Wet van 1 mei 1925, Stb. 174, tot herziening in het algemeen belang van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen, zoals gewijzigd bij Wet van 31 mei 1956, Stb. 327, hierna: de Museumwet, de Hoge Raad verzocht het beding waaronder [erflater], hierna: de erflater, bij testament van 28 juni 1938 een verzameling postzegels heeft gelegateerd aan de Gemeente, te herzien, althans geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.
2. Op grond van het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken kan het volgende als vaststaand worden aangenomen.
(i) De erflater is op 73-jarige leeftijd op 22 maart 1953 te Rotterdam overleden.
(ii) Bij zijn overlijden was de erflater buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [de echtgenote], die op 29 januari 1975 is overleden. De erflater had geen wettige afstammelingen.
(iii) Blijkens een akte van boedelbeschrijving, op 18 augustus 1995 verleden voor notaris [A] te Rotterdam, heeft de erflater bij testament, op 28 juni 1938 verleden voor notaris [B] te Rotterdam, over zijn nalatenschap beschikt en daarbij onder meer verklaard te legateren:
"A. aan de Gemeente Rotterdam:
a. (...)
b. voor en ten behoeve van het Gemeente Archief
1. (...)
2. mijn belangrijke verzameling postzegels (waarin rariteiten van het Nederlandsch Taalgebied,
daaronder óók begrepen, die van Zuid-Afrika en België (te weten, die waarop de Nederlandsche
Taal voorkomt) ter bewaring, géén uitgezonderd, te Rotterdam;"
Uit de genoemde akte van boedelbeschrijving blijkt tevens dat de erflater dit legaat niet bij latere wilsbeschikkingen heeft herroepen of gewijzigd.
(iv) De Gemeente heeft het legaat aanvaard.
3. Het verzoek van de Gemeente strekt ertoe dat de Hoge Raad het in het hiervoor onder 2. onder (iii) aangehaalde gedeelte van het testament voorkomende beding:
"... ter bewaring, géén uitgezonderd, te Rotterdam"
in het algemeen belang zal herzien, althans geheel of gedeeltelijk vervallen zal verklaren, en dienaangaande zal bepalen:
primair: dat deze postzegelcollectie vanaf het door de Hoge Raad te bepalen tijdstip in bruikleen mag worden gegeven aan de "Stichting Museum voor Communicatie", voorheen "Stichting Het Nederlandse PTT Museum" te 's-Gravenhage;
subsidiair: dat alleen maar de in het legaat voorkomende woorden "te Rotterdam" vervallen, althans dat het geciteerde, in het legaat voorkomende beding vervalt.
4. Aangezien na het overlijden van de erflater meer dan veertig jaren zijn verlopen, het beding waarvan herziening c.q. vervallen verklaring wordt verzocht niet is een beding waarbij een stichting in het leven wordt geroepen, de Gemeente degene is die het beding moet naleven, en het beding betreft de plaats waar en de wijze waarop de gelegateerde postzegelverzameling in een voor het publiek toegankelijke verzameling moet worden bewaard, is voldaan aan de formele vereisten die in art. 1 van de Museumwet worden gesteld, zodat de Gemeente in zoverre in haar verzoek kan worden ontvangen.
5. Nu de erflater zonder wettige nakomelingen is overleden en de echtgenote van de erflater is overleden, kan het bepaalde bij art. 3 lid 2 van de Museumwet geen toepassing vinden.
6. Dat de erflater het legaat in de gestelde vorm heeft gemaakt kan slechts indirect worden vastgesteld uit de onder 2, onder (iii) genoemde akte van boedelbeschrijving. Een afschrift van het testament van 28 juli 1938 is niet overgelegd en kan ook niet worden overgelegd, omdat, blijkens de als productie C bij het verzoekschrift overgelegde brief d.d. 17 mei 2000 van [betrokkene C], kandidaat-notaris te Amsterdam, het gehele protocol van notaris [A] tot aan 1940 (bij het bombardement van Rotterdam) verloren is gegaan.
7. Dat het testament is teniet gegaan, tast de geldigheid van de uiterste wilsbeschikking als rechtshandeling niet aan. Het bewijs van het bestaan en de inhoud van de uiterste wilsbeschikking kunnen door alle bewijsmiddelen worden geleverd. Zie E.M. Meijers, WPNR 3686, blz. 355; Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, 10e dr. 1989, blz. 20; W. Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, 1992, blz. 37; Asser-Perrick, 1996, nr. 269; Pitlo-Van der Burght, Erfrecht, 9e dr. 1997, blz. 195. Naar mijn oordeel wordt het bestaan en de inhoud van het testament van 28 juli 1938 genoegzaam bewezen door de genoemde akte van boedelbeschrijving.
8. De stelling van de Gemeente dat de aan haar gelegateerde postzegelverzameling moet worden aangemerkt als een voorwerp van geschiedkundige en wetenschappelijke aard, wordt voldoende aannemelijk gemaakt door de inhoud van de als productie I bij het verzoekschrift overgelegde brief d.d. 11 april 1998 van [betrokkene D], directeur van het PTT Museum, waarin onder meer wordt verklaard:
"De Collectie Van Rede bevat postzegels, postwaardestukken, sluitzegels en veiling- en tentoonstellingscatalogi, die betrekking hebben op landen uit het Nederlandse taalgebied. Het betreft voornamelijk België, Congo, Zuid-Afrika, Suriname en Indië en bevat objecten uit de periode circa (17e eeuw) 1791 - 1950.
(...).
De collectie is een bron bij het onderzoek naar posttarieven en -routes, overbrengingsduur, het postwezen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en tijdens de Onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië."
9. De Gemeente grondt haar verzoek op - zie ik het goed - twee stellingen. De eerste stelling (verzoekschrift onder 6a, 6c en 6d) betreft het belang van de toegankelijkheid van de verzameling. Daartoe wordt aangevoerd dat de verzameling thans in een kluis ligt, waarin zij alleen maar wordt bewaard, en dat het de Gemeente ontbreekt aan mogelijkheden om de toegankelijkheid en bruikbaarheid te verbeteren. De Rotterdamse musea hebben te kennen gegeven geen belangstelling of plaats voor de verzameling te hebben, terwijl bij plaatsing van de collectie in het Museum voor Communicatie te 's-Gravenhage de collectie op deugdelijke wijze voor wetenschappers en collectioneurs kan worden ontsloten. De tweede stelling (verzoekschrift onder 6b) betreft het belang van conservering van de verzameling. Bij de Gemeente zou de tot dit conserveren benodigde specialistische kennis ontbreken, terwijl deze kennis wel aanwezig is bij het Museum voor Communicatie.
10. Naar de wettelijke maatstaven kan het verzoek worden toegewezen, indien herziening van het beding in het algemeen belang is en zoveel mogelijk aansluit bij de bedoeling van de erflater. Zie over deze maatstaven en de toepassing daarvan door de Hoge Raad E.E.A. Luijten, Stichting & Vereniging 1994, blz. 105 e.v. en blz. 135 e.v., en A.S. Hartkamp, Wijziging en opheffing van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen: van Museumwet tot Nieuw BW, in: Bestuur onder controle, Ars Notariatus LXXX, 1999, blz. 15 e.v.
11. Op grond van de bewoordingen van het testament moet worden aangenomen dat het de bedoeling van de erflater is geweest om de gelegateerde verzameling op een vaste plaats, namelijk in het Gemeente Archief te Rotterdam, te bewaren en op die plaats als verzameling bijeen te houden. Voorts mag op grond van het feit dat de erflater de gelegateerde verzameling als "belangrijk" heeft aangeduid, worden aangenomen dat het strookt met de bedoeling van de erflater dat de collectie niet alleen maar op de door hem aangegeven plaats wordt bewaard, doch ook dat de verzameling aldaar geraadpleegd kan worden door belangstellende wetenschappers en collectioneurs.
12. Verplaatsing van de collectie naar het Museum voor Communicatie te 's-Gravenhage, zoals wordt beoogd met de verzochte herziening van het beding, zou in strijd komen met de bedoeling van de erflater. De Gemeente heeft naar mijn oordeel vooralsnog onvoldoende duidelijk gemaakt waarom, in het licht van de wettelijke maatstaven, naleving van het beding niet meer gerechtvaardigd is. Zowel met betrekking tot de vraag waarom het Gemeente Archief niet in staat is passende conserveringsmaatregelen te nemen, als met betrekking tot de vraag naar de toegankelijkheid, of het gebrek daaraan, van de collectie voor belangstellenden in het Gemeente Archief, geeft het verzoekschrift onvoldoende opheldering. De enkele omstandigheid dat in het Museum voor Communicatie conservering en toegankelijkheid van de collectie beter is gewaarborgd dan in het Rotterdamse Gemeente Archief, is naar mijn oordeel niet voldoende om herziening van het beding in het algemeen belang gerechtvaardigd te achten. Weliswaar geldt voor herziening van een bij een erfstelling of legaat gemaakt beding niet het vereiste dat onverkorte naleving daarvan onmogelijk is geworden (vgl. HR 16 juni 1978, NJ 1979, 139 nt. WMK), maar het enkel voorhanden zijn van een aantrekkelijker alternatief moet onvoldoende worden geacht om af te wijken van de bedoelingen van de erflater.
13. Ik zou daarom de Hoge Raad in overweging willen geven om, alvorens op het verzoek te beslissen, op de voet van art. 2 lid 4 van de Museumwet een vertegenwoordiger van de Gemeente, bij voorkeur de leidinggevende ambtenaar van het Gemeente Archief, en [betrokkene E], conservator bij de Stichting Museum voor Communicatie, genoemd in het verzoekschrift onder 9, te horen.
De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, een verhoor als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Museumwet zal bepalen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
23 februari 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/095HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
DE GEMEENTE ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.
1. Het verzoek
Op 18 juli 2000 is bij de Hoge Raad ingekomen een verzoekschrift van de Gemeente Rotterdam - verder te noemen: de Gemeente - waarbij de Gemeente toepassing verzoekt van de Wet van 1 mei 1925, Stb. 174, tot herziening in het algemeen belang van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen, zoals gewijzigd bij Wet van 31 mei 1956, Stb. 327 (verder: de Museumwet). De Gemeente heeft verzocht het beding waaronder [erflater] - verder te noemen: de erflater - bij testament van 28 juni 1938 aan haar een verzameling postzegels heeft gelegateerd, te herzien, althans geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.
2. Behandeling van het verzoek
Uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken blijkt dat de erflater zonder wettige afstammelingen is overleden en dat de echtgenote van de erflater is overleden.
De Advocaat-Generaal L. Strikwerda heeft op 22 december 2000 geconcludeerd dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, een verhoor als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Museumwet zal bepalen.
3. Beoordeling van het verzoek
3.1 Op grond van het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken kan het volgende als vaststaand worden aangenomen.
(i) De erflater is - 73 jaar oud - op 22 maart 1953 te Rotterdam overleden.
(ii) De erflater was buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [de echtgenote] die op 29 januari 1975 is overleden. De erflater had geen wettige afstammelingen.
(iii) De erflater heeft bij testament, op 28 juni 1938 verleden voor notaris [B] te Rotterdam, over zijn nalatenschap beschikt en daarbij onder meer verklaard te legateren:
"A. aan de Gemeente Rotterdam:
a. ( ... )
b. voor en ten behoeve van het Gemeente Archief
1. ( ... )
2. mijn belangrijke verzameling postzegels (waarin rariteiten van het Nederlandsch Taalgebied, daaronder ook begrepen, die van Zuid-Afrika en België (te weten, die waarop de Nederlandsche Taal voorkomt) ter bewaring, géén uitgezonderd, te Rotterdam;"
3.2 Het verzoek van de Gemeente strekt ertoe dat de Hoge Raad het in het hiervoor in 3.1 onder (iii) aangehaalde bij legaat gemaakte beding, wat het daarin voorkomende gedeelte met de woorden "ter bewaring, géén uitgezonderd, te Rotterdam" betreft in het algemeen belang zal herzien, althans geheel of gedeeltelijk vervallen zal verklaren, en dienaangaande zal bepalen:
primair: dat deze postzegelcollectie vanaf het door de Hoge Raad te bepalen tijdstip in bruikleen mag worden gegeven aan de "Stichting Museum voor Communicatie", voorheen "Stichting Het Nederlandse PTT Museum" te 's-Gravenhage;
subsidair: dat alleen de in het legaat voorkomende woorden "te Rotterdam" vervallen, althans dat het aangehaalde, in het legaat voorkomende, beding vervalt.
3.3 De Gemeente heeft ter ondersteuning van haar verzoek, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
(a) De verzameling postzegels bevindt zich in een kluis van de Archiefdienst van de Gemeente. Deze verzameling moet worden beschouwd als een voortbrengsel van kunst en behoort aldus tot ons erfgoed. De verzameling moet ook worden beschouwd als een verzameling voorwerpen van geschiedkundige en/of wetenschappelijke aard. Het beding heeft betrekking op de plaats waar deze verzameling wordt bewaard.
(b) De Gemeente mist de mogelijkheden en de kennis om de verzameling elders in te passen en de toegankelijkheid en bruikbaarheid ervan te verbeteren.
(c) Het bewaren van de postzegels brengt mee dat de postzegels worden geconserveerd. De daartoe vereiste specialistische kennis ontbreekt bij de Gemeente.
(d) De onderhavige verzameling vertegenwoordigt in kunstzinnig en wetenschappelijk opzicht een grote waarde. Het opbergen ervan in een kluis wordt "niet-toereikend" geacht.
(e) De te Rotterdam gevestigde musea hebben verklaard dat zij geen belangstelling hebben voor de verzameling, althans dat deze verzameling niet past binnen hun doelstelling.
(f) Het algemeen belang is ermee gediend dat de verzameling wordt bewaard in het in 3.2 genoemde museum. Daardoor kan de verzameling op deugdelijke wijze worden ontsloten voor wetenschappers en collectioneurs.
3.4 Aan de vereisten die worden gesteld in art. 1 van de Museumwet, is voldaan, zoals uiteengezet in onderdeel 4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda.
3.5 De duidelijke strekking van het beding is dat de verzameling postzegels als één geheel te Rotterdam zal worden bewaard. Voorts mag worden aangenomen dat het strookt met de bedoeling van de erflater dat deze verzameling aldaar kan worden geraadpleegd door belangstellende wetenschappers en collectioneurs.
3.6 De Hoge Raad acht zich nog onvoldoende voorgelicht met betrekking tot de volgende vragen.
(a) Kan nader worden toegelicht op grond waarvan moet worden aangenomen dat de onderhavige postzegelverzameling kan worden aangemerkt als een voorwerp van geschiedkundige en wetenschappelijke aard ?
(b) Kan worden verduidelijkt waarom het Gemeente Archief niet in staat is (i) passende conserveringsmaatregelen te nemen en (ii) op passende wijze te bevorderen dat de toegankelijkheid van de verzameling is gewaarborgd ?
(c) Waarom is er geen andere passende mogelijkheid de verzameling in Rotterdam te bewaren en open te stellen ?
(d) Kan worden verduidelijkt waarom het algemeen belang herziening van het beding rechtvaardigt en waarom, in het bijzonder, bewaring van de verzameling bij de Stichting Museum voor Communicatie uit oogpunt van algemeen belang noodzakelijk is ?
Daartoe zal de Hoge Raad op de voet van art. 2 lid 4 van de Museumwet een vertegenwoordiger van de Gemeente, bij voorkeur de leidinggevende ambtenaar van het Gemeente Archief, en [betrokkene E], conservator bij het Museum voor Communicatie, horen. De Gemeente zal bij deze gelegenheid desgewenst ook andere personen kunnen doen horen over de voormelde vragen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
bepaalt een verhoor als bedoeld in art. 2 lid 4 van de Museumwet;
bepaalt dat de hiervoor genoemde personen kunnen worden gehoord ter zitting van de Hoge Raad op vrijdag 6 april 2001 des voormiddags te 10.45 uur in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's-Gravenhage;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 23 februari 2001.