Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0198

Datum uitspraak2001-02-23
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/166HR
Statusgepubliceerd


Uitspraak

23 februari 2001 Eerste Kamer Nr. C99/166HR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P.J. Kreijger, t e g e n Mr. E.N. MULLER, zowel in persoon als in zijn hoedanigheid van (voormalig) curator van [eiser], wonende te Katwijk, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. F.E. Boonstra. 1. Het geding in feitelijke instanties Bij vonnis van 22 januari 1997 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] in staat van faillissement verklaard. Daarbij is verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - aangesteld tot curator. [Eiser] heeft bij brief van 6 januari 1999 via zijn advocaat - mr. D.J.A. van den Berg - aan de gezamenlijke schuldeisers laten weten dat hij hun een akkoord aanbiedt. Op 20 januari 1999 is een verificatievergadering gehouden. Tijdens deze vergadering is het door [eiser] aangeboden akkoord met de op grond van art. 145 F. vereiste meerderheid aangenomen. Na behandeling ter openbare terechtzitting heeft de Rechtbank het akkoord bij beschikking gehomologeerd en het salaris van de voormalig curator vastgesteld op ƒ 369.718,36. In het dictum van voormelde beschikking staat abusievelijk als datum van beschikking 9 februari 1999 vermeld. De Rechtbank heeft deze fout bij beschikking van 5 maart 1999 hersteld. Beide beschikkingen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen beide beschikkingen van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Bij dagvaarding heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank te 's-Gravenhage, gedagtekend 9 februari 1999 en 5 maart 1999. De eerstgenoemde uitspraak betreft een homologatie van een akkoord en de vaststelling van het salaris van de curator en is ingevolge art. 153 F. gegeven als beschikking. Ook de als tweede genoemde uitspraak, waarbij de vermelding van een foutieve datum is verbeterd, is een beschikking. Het beroep is dan ook ten onrechte bij dagvaarding ingesteld. [Eiser] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep. 4. Beslissing De Hoge Raad: verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 23 februari 2001. Rolnr.: C99/166 mr. Wesseling-van Gent Zitting: 8 december 2000 Conclusie inzake: [Eiser] tegen MR E.N. MULLER, (voormalig) curator in het faillissement van [eiser] Edelhoogachtbaar College, 1. Feiten en procesverloop(1) 1.1 Deze zaak is inhoudelijk gelijk is aan de parallelle rekestprocedure met het nummer R99/075, waarin heden eveneens wordt geconcludeerd. De feiten en het procesverloop zijn in beide zaken dezelfde, met dien verstande dat [eiser] in de onderhavige zaak bij dagvaarding van 29 april 1999 zowel tegen de homologatiebeschikking als tegen de (herstel)beschikking van 5 maart 1999 beroep in cassatie heeft ingesteld. De voormalig curator heeft onder overlegging van zijn verweerschrift in de zaak R99/075 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [Eiser] heeft het beroep nog schriftelijk doen toelichten. 2. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1 Namens [eiser] is één middel van cassatie voorgesteld, dat is opgebouwd uit drie onderdelen. De onderdelen 1 en 2 komen op tegen de vaststelling van het salaris van de (voormalig) curator. Onderdeel 3 bestrijdt de herstelbeschikking van 5 maart 1999. 2.2 De bestreden uitspraken betreffen een beslissing waarbij de rechtbank op de voet van art. 150-153 een akkoord heeft gehomologeerd. Art. 71 lid 2 F schrijft voor dat de rechtbank daarbij tevens het salaris van de curator dient vast te stellen. Hoewel de artikelen 71 lid 2 F en 159 F spreken van "het vonnis van homologatie" gaat het daarbij om een beschikking (art. 153 F), zowel waar het de homologatie van het akkoord als de vaststelling van het salaris betreft(2). Ook het herstel van de foutieve datum heeft - terecht - bij beschikking plaatsgevonden(3). Dit betekent dat het onderhavige cassatieberoep ten onrechte bij dagvaarding is ingesteld. 2.3 De conclusie op grond van het voorgaande is dan ook dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn beroep. Het middel behoeft daarmee verder geen bespreking. 3. Conclusie Deze strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep in cassatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, A-G 1 Zie mijn conclusie in de parallelle zaak R 99/075 2 Polak-Wessels, Het akkoord, 1999, blz. 49-50, onder verwijzing naar de MvT, te kennen uit Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet 2-II (heruitgave Van der Feltz), blz. 187-188; Polak-Polak, blz. 202; zie ook het citaat uit de MvT (Van der Feltz II, blz. 145) in A.D.W. Soedira, De inhoud van een akkoord, in: De curator, een octopus, 1996, blz. 221. 3 Zie hierover A-G Bakels in zijn conclusie voor HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672 en de noot van H.J. Snijders bij dat arrest.