Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0184

Datum uitspraak2001-02-16
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/185HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. C 99/185 HR Mr. Mok Zitting 1 december 2000 Conclusie inzake [Eiser] tegen [Verweerder] (niet verschenen) Edelhoogachtbaar college, 1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK 1.1. Verweerder in cassatie, [verweerder], is advocaat. Eiser van cassatie, [eiser], heeft hem in de arm genomen met het oog op het aanspannen van een (kort) geding. [Verweerder] heeft [eiser], bij brief van 3 maart 1998(1), geadviseerd de zaak te laten rusten. 1.2. [Verweerder] heeft [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter in Den Haag en betaling gevorderd van f 705 (f 600 + b.t.w.), in rekening gebracht bij declaratie van 3 maart 1998, met bijkomende rente en kosten. 1.3. [Eiser] heeft zich tegen deze vordering verweerd. Primair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er geen overeenkomst van dienstverlening had bestaan tussen hem en [verweerder], omdat hij niet om een advies had gevraagd. Subsidiair heeft hij betoogd dat [verweerder] toerekenbaar tekort was gekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. 1.4. Bij vonnis van 18 maart 1999 heeft de kantonrechter de vordering van [verweerder] tot een bedrag van f 470, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 maart 1998 tot de dag der algehele voldoening, toegewezen. Hij heeft overwogen dat het verweer van [eiser] geen hout snijdt. Daar er echter geen specifieke afspraak was gemaakt over het door [verweerder] uit te brengen advies en de hieraan verbonden kosten, achtte hij de vordering van [verweerder] niet onverkort toewijsbaar. Hij heeft daarom de hoogte van de vordering van [verweerder] bepaald aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid. 1.5. Van dit vonnis is [eiser] (tijdig) in cassatie gekomen. Hij heeft één cassatiemiddel doen aanvoeren. Tegen [verweerder] is verstek verleend. 2. BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL 2.1. Het cassatiemiddel houdt in dat de kantonrechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de hoogte van de vordering van [verweerder] aan de hand van de redelijkheid en billijkheid te bepalen. Na te hebben vastgesteld dat er niet een duidelijke afspraak was gemaakt over het door [verweerder] uit te brengen advies en de daaraan verbonden kosten, had de kantonrechter [verweerder] niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het middel. 2.2. Beroep in cassatie tegen een niet appellabel vonnis van een kantonrechter, zoals het onderhavige, is slechts mogelijk op één van de in art. 100 van de Wet RO genoemde gronden. Rechtsklachten vallen niet onder deze wetsbepaling. 2.3. Het cassatiemiddel bevat alleen een rechtsklacht. Dit blijkt zowel uit de tekst als uit de strekking van het middel. Na een algemene inleiding, begint de eigenlijke klacht van het middel immers met: "De kantonrechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ...". Voorts klaagt het middel dat de kantonrechter onjuiste (juridische) consequenties heeft getrokken uit het feit dat geen specifieke afspraak was gemaakt. 2.4. De schriftelijke toelichting(2) betoogt dat het middel klaagt over onbevoegdheid van de kantonrechter en overschrijding van diens rechtsmacht. De kantonrechter zou zich ambtshalve onbevoegd hebben moeten verklaren, omdat de bijzondere procedure van art. 32-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ), de begrotingsprocedure, had moeten worden gevolgd. 2.5. Een betoog van deze strekking valt in het middel echter niet te lezen. Het middel concentreert zich op het feit dat er geen specifieke afspraak is gemaakt en op de juridische gevolgen daarvan. Het rept niet van een bijzondere rechtsgang. Daarop loopt de onderhavige klacht al vast. 2.6. Bovendien heeft [eiser] in feitelijke aanleg uitdrukkelijk ontkend dat er een overeenkomst tussen [verweerder] en hem bestond. Hij zou uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt géén advies te wensen(3). Hij heeft voorts(4) uitdrukkelijk gesteld dat hij niet de hoogte of de omvang van de declaratie betwist. In een dergelijk geval zijn de artt. 32-40 WTBZ niet van toepassing(5). 2.7. Aangezien het cassatiemiddel niet voldoet aan de eisen van art. 100 Wet RO, is [eiser] niet ontvankelijk in zijn beroep. 3. CONCLUSIE De conclusie luidt tot niet-ontvankelijk verklaring van eiser in zijn beroep met veroordeling van eiser in de kosten. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1. Prod. 1 bij c.v.r. 2. Gegeven door een andere advocaat dan die welke het cassatiemiddel heeft opgesteld. 3. C.v.a., p. 1 (e.v.). 4. C.v.d., onder 7e, p. 3. Vgl. ook de brief van [betrokkene A] aan [eiser] van 6 augustus 1998 (prod. bij c.v.a. en prod. 4 bij c.v.r.), alsmede het antwoord van [eiser] van 22 augustus 1998 (prod. bij c.v.a. en prod. 3 bij c.v.r.). 5. HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4, m.nt. H.E. Ras en HR 20 september 1996, NJ 1997, 640, m.nt. S.C.J.J. Kortmann.


Uitspraak

16 februari 2001 Eerste Kamer Nr. C99/185HR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: voorheen mr. M.P.W. Hengst, thans mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [Verweerder], kantoorhoudende te [..], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instantie Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 14 oktober 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen: a. ƒ 705,-- ter zake van de factuur d.d. 3 maart 1998; b. de buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 sub BW over ƒ 705,--, ad ƒ 105,75, conform het incassotarief van de NOvA; c.de wettelijke rente over ƒ 705,-- vanaf 17 maart 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, tot en met 7 oktober 1998 bedragende ƒ 23,64. [Eiser] heeft de vordering bestreden. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 18 maart 1999 [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 470,--, met de wettelijke rente hierover vanaf 17 maart 1998, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met afwijzing van het meer of anders gevorderde. Het vonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend. [Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn beroep, met veroordeling van eiser in de kosten. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1 Het vonnis van de Kantonrechter wordt bestreden door een middel van cassatie waarin uitsluitend rechtsklachten zijn vervat, hiertoe strekkende dat de Kantonrechter, gelet op de in dat vonnis vastgestelde feiten, [verweerder] in zijn vordering niet-ontvankelijk had moeten verklaren. 3.2 Nu echter, zoals uit art. 100 RO blijkt, vonnissen van kantonrechters in burgelijke zaken, in cassatie niet met rechtsklachten kunnen worden bestreden, behoort [eiser] in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. 4. Beslissing De Hoge Raad: verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen als voorzitter, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 februari 2001.