Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0177

Datum uitspraak2000-12-12
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2000/351
Statusgepubliceerd


Uitspraak

12 december 2000 derde civiele kamer rolnummer 2000/351 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: de stichting Woningstichting De Goede Woning (voorheen: Woningbouwvereniging De Goede Woning), gevestigd en kantoorhoudende te Apeldoorn, appellante, procureur: mr J.C.N.B. Kaal, tegen: [geïntimeerde] wonende te [woonplaats geïntimeerde], geïntimeerde, procureur: mr J.M.J. Huver. 1 Het geding in eerste aanleg Met betrekking tot het verloop van het geding en de overwegingen en beslissingen in eerste aanleg verwijst het hof naar het door de rechtbank te Zutphen op 9 maart 2000 tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres gewezen tussenvonnis, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht. 2 Het geding in hoger beroep Bij exploot van 19 april 2000 heeft appellante, verder te noemen De Goede Woning, geïntimeerde, verder te noemen [geïntimeerde], aangezegd in hoger beroep te komen van dat vonnis en [geïntimeerde] gedagvaard om te verschijnen voor dit hof. Bij memorie van grieven heeft De Goede Woning na te noemen grieven tegen het vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof, zonodig met aanvulling en verbetering van gronden, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen, en, mocht het hof ervoor kiezen het gehele geschil zelf af te doen, opnieuw recht doende [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, (het hof leest:) althans haar die vordering zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof dat vonnis, zonodig met verbetering en/of aanvulling van gronden zal bevestigen met veroordeling van De Goede Woning in de kosten van het hoger beroep. Partijen hebben de stukken vervolgens overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De grieven De grieven van De Goede Woning luiden als volgt. Grief 1 Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen en beslist (rechtsoverweging 5.7) dat het niet op de weg van [geïntimeerde] ligt om feiten en omstandigheden met betrekking tot de toedracht te bewijzen. Grief 2 Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis onder punt 5.1 overwogen: "Aan een buitentrap mag in het algemeen als norm gesteld worden dat deze in normale weersomstandigheden gebruikt kan worden. Deze norm kan met name op een buitentrap, die als de onderhavige, naar haar aard en locatie structureel en door verschillende personen wordt gebruikt, worden toegepast." Grief 3 Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis onder punt 5.2 overwogen: "Uit de brief van het KNMI, zoals eveneens gedeeltelijk geciteerd bij de vaststaande feiten, blijkt dat 31 december 1994 een dag met vochtig weer was, zodat vastgesteld wordt dat de bielzen op die dag glad waren. Dit weertype kwalificeert als normaal, hetgeen leidt tot de conclusie dat de trap niet voldeed aan de norm als hiervoor onder 5.1 aangegeven. De trap vertoonde dan ook een gebrek dat gevaar voor personen opleverde." Grief 4 Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis onder punt 5.6 overwogen: "Gezien onder meer het tijdsverloop en de toedracht van en na de valpartij is geen absolute zekerheid meer te verkrijgen over het al dan niet aanwezig zijn van bladeren of andere objecten op het bewuste trappetje op de bewuste dag, maar zelfs als er op het trappetje al bladeren of andere objecten zouden hebben gelegen neemt dit niet weg dat er sprake was van gladde bielzen, die een meer voor de hand liggende oorzaak vormen van de valpartij dan wat losliggend blad. Welke andere objecten eventueel op het trappetje gelegen kunnen hebben laat De Goede Woning geheel in het midden. Aan dit onderdeel van haar stellingen wordt reeds daarom voorbij gegaan, nog daargelaten dat enerzijds niet valt in te zien waarom die objecten door [geïntimeerde] niet zouden zijn opgemerkt en anderzijds voor dergelijke objecten hetzelfde geldt als hiervoor ten aanzien van de bladeren is overwogen. Het verweer dat de bielzen wellicht nog glad waren van mogelijke vorst van de dag ervoor wordt verworpen, nu dit verweer onvoldoende gemotiveerd is tegen de achtergrond van de temperatuur genoemd in de eerder genoemde brief van het KNMI." Grief 5 Ten onrechte heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en daarbij overwogen (rechtoverweging 5.8): "De Goede Woning is dan ook aansprakelijk voor de door [geïntimeerde] beweerde doch door De Goede Woning betwiste schade. Hiermee vervalt eveneens het niet nader gemotiveerde verweer dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zou zijn in haar vordering uit hoofde van de artikelen 6:174 en 6: 162 BW, nu er in de wet noch in de rechtspraak aanknopingspunten worden gevonden om te concluderen dat deze vorderingen niet naast een vordering uit hoofde van wanprestatie kunnen worden ingesteld." 4 De vaststaande feiten De door de rechtbank als vaststaand aangemerkte feiten (rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8) zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 5 De beoordeling van de grieven 5.1 De vorderingen van [geïntimeerde] strekken er, voor zoveel hier van belang, toe een verklaring voor recht te verkrijgen dat De Goede Woning aansprakelijk is voor de door haar, [geïntimeerde], als gevolg van het ten processe bedoelde ongeval geleden en te lijden schade en De Goede Woning te doen veroordelen tot vergoeding van die schade op te maken bij staat en te verevenen volgens de wet. Zij heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat zij op 31 december 1994, 's ochtends, bij het lopen op een van het complex aan [naam wooncomplex] deel uitmakende, buiten gelegen trap ten val is gekomen doordat de houten bielzen, waarvan de trap ten dele was gemaakt, glad was. [geïntimeerde] heeft haar vorderingen primair gebaseerd op artikel 6:174 BW, subsidiair op artikel 6:162 BW en meer subsidiair op artikel 7A:1586 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat de trap waarom het hier gaat een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW en dat De Goede Woning bezitter van de trap is. 5.2 De Goede Woning heeft in de toelichting op de vijfde grief onder meer aangevoerd dat, nu een contractuele verhouding tussen [geïntimeerde] als huurster en haar als verhuurster bestaat, men niet kan toekomen aan een vordering uit onrechtmatige daad, echter tevergeefs. De regeling met betrekking tot wanprestatie bij de huurovereenkomst staat er niet aan in de weg dat de huurder tegen de verhuurder een vordering uit onrechtmatige daad instelt, wanneer er onafhankelijk van de schending van contractuele verplichtingen onrechtmatig door de verhuurder is gehandeld, gelijk zich -in de stellingen van [geïntimeerde] bij haar primaire vordering- hier voordoet. 5.3 De eerste en vierde grief klagen er beide over dat de rechtbank zonder nadere instructie de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval De Goede Woning op de voet van artikel 6:174 BW aansprakelijk heeft geoordeeld voor de door [geïntimeerde] geleden (en te lijden) schade. De Goede Woning neemt daarbij het standpunt in dat het aan [geïntimeerde] is haar stellingen te bewijzen. 5.4 De Goede Woning heeft de door [geïntimeerde] gestelde toedracht van het ongeval gemotiveerd betwist. Zij heeft weliswaar erkend dat [geïntimeerde] ten val is gekomen op het complex van [naam wooncomplex], maar heeft betwist dat dit gebeurd is op de bielzen trap. Voorts heeft De Goede Woning als verweer gevoerd dat, als al vast is komen staan dat [geïntimeerde] op de trap ten val is gekomen, nog niet vast staat dat de gladde bielzen de val veroorzaakt hebben. Wat dit laatste betreft heeft De Goede Woning als mogelijke oorzaak van de val genoemd een onvoorzichtige stap van [geïntimeerde], gladde bladeren (of andere objecten) op de trap of glad schoeisel van [geïntimeerde]. 5.5 Deze grieven zijn ten dele terecht voorgedragen. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 177 Rv zou het in beginsel op de weg van [geïntimeerde] liggen de door haar gestelde toedracht van het ongeval te bewijzen. De omstandigheid dat de trap als een opstal in de zin van artikel 6:174 BW (op welke bepaling de vorderingen van [geïntimeerde] primair zijn gebaseerd) moet worden aangemerkt, maakt dit niet anders. 5.6 Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feiten en de inhoud van de overgelegde producties acht het hof evenwel het vermoeden gewettigd dat de door [geïntimeerde] gestelde toedracht, behoudens door De Goede Woning te leveren tegenbewijs, juist is. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Allereerst heeft de rechtbank onbestreden vastgesteld dat het bewonerscomité al vanaf mei 1992 klachten heeft geuit over de gladheid van de bielzen trappen op het terrein van [naam wooncomplex] en dat dit comité op 12 april 1994 aan de huurcommissie heeft geschreven dat deze trappen levensgevaarlijk zijn en dat vele bewoners en bezoekers hierdoor ernstige verwondingen hebben opgelopen, zoals botbreuken en gescheurde enkelbanden. Daarbij komt dat [naam bewoonster wooncomplex] in haar brief van 30 oktober 1995 aan S.R.K. Rechtsbijstand (productie 1 bij conclusie van repliek) heeft geschreven dat, toen zij op de bewuste dag bij haar voordeur bezig was, een gil hoorde, vervolgens is gaan kijken en toen [geïntimeerde] onderaan de trap zag liggen. Anders dan De Goede Woning in de toelichting op de eerste grief heeft gesteld heeft [naam bewoonster wooncomplex] dus niet slechts gezien dat [geïntimeerde] op de grond lag, maar heeft zij eveneens aangegeven waar zij [geïntimeerde] aantrof, te weten onderaan de trap. De Goede Woning dient in de gelegenheid te worden gesteld tegenbewijs tegen dit vermoeden te leveren. 5.7 De grieven twee en drie komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat de trap niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en dan ook een gebrek vertoonde dat gevaar voor personen opleverde. Het hof acht dit oordeel echter juist. Anders dan De Goede Woning betoogt, mag aan een trap als deze de eis gesteld worden dat men hem ook bij vochtig weer met inachtneming van normale oplettendheid en voorzichtigheid kan betreden, zonder het gevaar te lopen dat men ten val komt. Aan die eis voldoet de trap klaarblijkelijk niet, gelet op de hiervoor gememoreerde -onbestreden- klachten van het bewonerscomité vanaf mei 1992 over gladheid van de bielzen trappen, alsmede op het vaststaande gegeven dat al eerder verschillende andere mensen op de trappen ten val zijn gekomen met meer of minder ernstig letsel als gevolg. Dat de bielzen trappen van [naam wooncomplex] bij vochtige weersomstandigheden glad waren, is voldoende komen vaststaan. De stelling van De Goede Woning dat zij de trap goed heeft onderhouden doet daaraan niet af. Opmerking verdient tenslotte dat de gladheid van de trappen op eenvoudige wijze had kunnen worden weggenomen door de bielzen te vervangen door stenen of beton, hetgeen inmiddels ook is geschied (productie 2 conclusie van repliek). De tweede en derde grief falen. 5.8 De Goede Woning stelt in de toelichting op haar vijfde grief voorts dat de rechtbank ten onrechte het causale verband tussen het gebrek en de schade van [geïntimeerde] heeft aangenomen en dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt dit verband te bewijzen. De grief berust in zoverre echter op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft enkel de aansprakelijkheid van De Goede Woning vastgesteld op grond van de primaire grondslag van [geïntimeerde]'s vordering en heeft, zoals mede blijkt uit rechtsoverweging 5.12 van het vonnis, nog geen beslissing gegeven over de vraag of de door [geïntimeerde] gevorderde schade het gevolg is van het ongeval. Deze grief faalt ook in zoverre. 5.9 Het hof merkt in dit verband overigens wel op dat, indien De Goede Woning niet zou slagen in het in rechtsoverweging 5.6 genoemde tegenbewijs, aangenomen zou moeten worden aangenomen dat [geïntimeerde] op de bielzen trap ten val is gekomen en dat, nu vaststaat dat de trap niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, daarmee in beginsel het causale verband tussen de gladheid van de trap en de schade van [geïntimeerde] zou zijn gegeven, maar dat alsdan De Goede Woning in de gelegenheid zou moeten worden gesteld tegenbewijs te leveren in die zin dat zij zou worden toegelaten te bewijzen dat de schade ook zonder de gladheid van de trap zou zijn ontstaan. 6 De slotsom De slotsom luidt dat de grieven een en vier voor een deel slagen, maar dat de grieven voor het overige falen. Het hof zal, alvorens verder te beslissen, De Goede Woning toelaten tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat [geïntimeerde] ten val is gekomen op de bielzen trap. BESLISSING Het hof, rechtdoende in hoger beroep: alvorens verder te beslissen: laat De Goede Woning toe tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat [geïntimeerde] ten val is gekomen op de ten processe bedoelde bielzen trap; bepaalt dat, indien De Goede Woning bedoeld tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr P.H. van Ginkel, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip; bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden januari, februari en maart 2001 zullen worden opgegeven ter rolzitting van 9 januari 2001, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voormelde opgave van een of meer partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Van Ginkel en Wesseling-Lubberink en uitgesproken in tegenwoor-digheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 12 december 2000.