
Jurisprudentie
AB0176
Datum uitspraak2001-02-19
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers01/102
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Assen
Zaaknummers01/102
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank Assen
Kenmerk: 01 / 102 WRO19 P10 G02
U I T S P R A A K
Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Assen, verweerder.
I. Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2000 heeft verweerder aan [vergunninghouder] te [woonplaats] vrijstelling op voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder WRO) en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van het horecabedrijf op het perceel Groningerstraat 95-97 te Assen
Verzoeker heeft bij brief van 1 januari 2001 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.
Bij brief van 18 januari 2001 heeft mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen, het door verzoeker ingediende bezwaar aangevuld.
Tevens heeft hij namens verzoeker bij brief van eveneens 18 januari jl. aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verweerder heeft bij brief van 25 januari jl. de gedingstukken alsmede een verweer-schrift ingezonden.
Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.
Het verzoek is behandeld ter zitting op 7 februari jl., alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Sluyter. Hij heeft het verzoek nader toegelicht.
Voor verweerder zijn verschenen [gemachtigden], ambtenaren in dienst van de gemeente Assen. Zij hebben het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.
De president heeft de behandeling ter zitting geschorst.
De behandeling is voortgezet op 12 februari jl., alwaar partijen in vorenomschreven samenstelling zijn verschenen.
Partijen hebben nogmaals hun standpunten toegelicht c.q. aangevuld en vragen van de president beantwoord.
II. Motivering
Algemeen
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht-bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Feiten
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de president de volgende feiten en omstandigheden.
[Vergunninghouder] te [woonplaats] (verder [vergunninghouder]) heeft op 16 november 1999 bij verweerder een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk/geheel vernieuwen en veranderen van het aan de Groningerstraat 95-97 te Assen gelegen horecabedrijf. Daarbij zijn -in vergelijking met eerder door [vergunninghouder] ingediende verzoeken- een aantal wijzigingen aangebracht.
De gemeentelijke welstandscommissie heeft in haar vergadering van 13 januari 2000 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het onderhavige bouwplan.
De Raad van de gemeente Assen heeft op 16 maart 2000 ten aanzien van het onderhavige perceel een voorbereidingsbesluit genomen, daartoe overwegende dat het ingediende bouwplan strijdig is met het vigerende bestemmingsplan ‘Noord’, maar dat men bereid is vrijstelling op voet van het bepaalde in artikel 19 van de WRO te verlenen.
Nadat verweerder het voornemen bekend heeft gemaakt om medewerking te verlenen aan het door [vergunninghouder] ingediende bouwplan door middel van toepassing van artikel 19 van de WRO, heeft verzoeker bij brief van 5 april 2000 zijn bedenkingen daartegen kenbaar gemaakt.
Verzoeker is ter zake van zijn bedenkingen op 25 april 2000 gehoord.
Op 8 augustus 2000 heeft verweerder besloten de bedenkingen van verzoeker te weerleggen en het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe te verzoeken een verklaring van geen bezwaar te verstrekken.
Verzoeker is bij brief van 11 augustus 2000 hiervan op de hoogte gesteld.
Op 23 oktober 2000 heeft het college van Gedeputeerde Staten aan verweerder medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen verlenen van de gevraagde bouwvergunning met behulp van een vrijstelling ex artikel 19 van de WRO.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder op voet van het bepaalde in artikel 19 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de verbouw van het horecabedrijf aan de Groningerstraat 95-97 te Assen.
[Vergunninghouder] verzoeker zijn van dit besluit op de hoogte gesteld bij brieven van
8 november 2000, verzonden op 16 november 2000. In deze brieven wordt aan het slot het volgende vermeld:
“Wij maken u erop attent dat de betreffende besluiten tot de vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor het verbouwen van een horecabedrijf en de verlening van de bouwvergunning bekendgemaakt worden door middel van een publicatie in de rubriek “Berichten van de Brink” in de “Koerier”.
Gedurende een termijn van zes weken, ingaande op de dag na de dag van bekendmaking, kunt u eventuele bezwaren bij ons college indienen.”
In de “Koerier” van 22 november 2000 is mededeling gedaan van het bestreden besluit, waarbij is vermeld dat het besluit is verzonden op 16 november 2000. Voorts is vermeld dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending naar de aanvrager een bezwaarschrift kunnen indienen.
Standpunten van partijen
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift doet verzoeker aanvoeren dat hij door de brief van 8 november 2000 op het verkeerde been is gezet. Afgaande op de mededeling in die brief, liep de bezwaartermijn tot en met 4 januari 2001.
Verzoeker is van mening dat er onvoldoende grondslag is voor anticipatie. Volgens verzoeker is het enige formele vereiste waaraan is voldaan het nemen van een kaal voorbereidingsbesluit.
Voorts voert verzoeker aan dat de verwachte geluidsoverlast geenszins buiten beschouwing kan worden gelaten bij een beslissing omtrent het verlenen van vrijstelling.
Tenslotte vreest verzoeker voor precedentwerking, met name daar waar het het naastgelegen chinees restaurant betreft.
Verweerder voert primair aan dat het door verzoeker ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu dit buiten de wettelijk gestelde termijn is ingediend.
Voor wat betreft verzoekers vrees voor geluidsoverlast stelt verweerder dat bij de beoordeling van een bouwaanvraag slechts beoordeeld wordt of de realisatie daarvan planologisch gezien mogelijk is en dat om die reden de vrees voor geluidsoverlast niet kan worden meegenomen in een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 van de WRO.
Naar het oordeel van verweerder vindt geen bouwkundige verandering plaats die ingrijpende planologische gevolgen impliceert.
Het gaat in de ogen van verweerder om een kleinschalige gebruiksverandering hetgeen het volgen van de vrijstellingsprocedure ex artikel 19 van de WRO zonder meer rechtvaardigt.
Tenslotte stelt verweerder zich op het standpunt dat van precedentwerking geen sprake kan zijn omdat elk voornemen om een vrijstelling te verlenen elke keer opnieuw apart beoordeeld wordt.
Verzoekers gemachtigde heeft ter zitting nog aangegeven dat de vrees dat het terras hangende de afhandeling van het bezwaarschrift in gebruik zal worden genomen alleszins gerechtvaardigd is en dat daarmee het spoedeisende belang van verzoeker is gegeven.
Ter zitting heeft verweerder nog aangegeven dat het terras onder de huidige aan [vergunninghouder] verleende exploitatievergunning niet is toegestaan en dat bij een eventuele nieuw te verlenen vergunning de betrokken belangen zullen worden afgewogen.
Beoordeling
Formeel
Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
Op grond van het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb is in het onderhavige geval de bekendmaking van bestreden besluit geschied door toezending aan [vergunninghouder] en verzoeker.
Nu het besluit op 16 november 2000 is verzonden, vloeit hieruit voort dat 28 december 2000 de laatste dag was waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend, mits het bezwaarschrift niet later dan een week na afloop van de bezwaartermijn zou zijn ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb).
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In dit verband overweegt de president dat in de brief van 8 november 2000 aan verzoeker door verweerder is aangegeven dat het bestreden besluit bekend zal worden gemaakt door publicatie in de rubriek ‘Berichten van de Brink’ in ‘De Koerier’.
In de daarop volgende alinea heeft verweerder aangegeven dat gedurende een termijn van zes weken, ingaande op de dag na de dag van bekendmaking, een bezwaarschrift kan worden ingediend.
De president stelt vast dat verzoeker hieruit niet anders kon afleiden dan dat voor hem de bezwaartermijn zou aanvangen op de dag na publicatie in de “Koerier”. Duidelijk is dat verweerder hiermee een onjuiste bezwaartermijn heeft aangegeven, althans, daar waar het de aanvang van deze termijn betreft.
Verweerder heeft dit ter zitting ook met zoveel woorden bevestigd en gesteld dat het de bedoeling was verzoeker, voor wat betreft de geldende bezwaartermijn, te verwijzen naar de publicatie in ‘De Koerier’. Dit is echter niet gebeurd.
De vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift, waarvoor de president zich ambtshalve ziet gesteld, laat zich in casu - gelet op het vorenstaande - dan ook vertalen in de vraag of het verzoeker tegengeworpen kan worden dat hij, na ontvangst van de brief van 8 november 2000, naar aanleiding van de publicatie in ‘De Koerier’ de aanvangsdatum van de voor hem geldende bezwaartermijn niet heeft geverifieerd.
Nu de brief van 8 november 2000, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, beantwoordt de president deze vraag ontkennend.
Nu het bezwaarschrift wel binnen zes weken na publicatie in de “Koerier” is ingediend, vloeit hieruit voort dat de te late indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar moet worden geacht, zodat niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift op die grond achterwege dient te blijven.
Ten aanzien van het voor een verzoek om een voorlopige voorziening vereiste spoedeisende belang overweegt de president dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het door verweerder te nemen besluit op verzoekers bezwaren nog wel enkele maanden op zich kan laten wachten. Hierbij dient uiteraard te worden bedacht dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 7:10 van de Awb, binnen 14 weken na de ontvangst van het bezwaarschrift, derhalve uiterlijk medio april, op verzoekers bezwaren dient te beslissen.
Dit impliceert dat - wanneer de weeromstandigheden dat toelaten - het terras in beginsel in die periode in gebruik zou kunnen worden genomen, zodat verzoeker in beginsel een spoedeisend belang heeft bij de thans gevraagde voorlopige voorziening.
Dit zou alleen anders kunnen zijn, wanneer verweerder te kennen zou hebben gegeven handhavend tegen een eventuele ingebruikname van het terras op te zullen treden, bijvoorbeeld wegens het ontbreken van de vereiste vergunning(en).
Nu verweerder hieromtrent ter zitting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft en de vraag of in een voorkomend geval handhavend zal worden opgetreden niet eenduidig heeft beantwoord, is de kans blijven bestaan dat verzoeker hangende de bezwaarprocedure wordt geconfronteerd met een ingebruikname van het terras en dat verweerder daar niet (direct) tegen zal optreden.
Dit impliceert dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de thans gevraagde voorlopige voorziening.
Inhoudelijk
Nu de bezwaren van verzoeker uitsluitend betrekking hebben op de realisering van het terras, zal de president de door hem te maken beoordeling daartoe beperken.
Op het in geding zijnde perceel rust ingevolge het vigerend bestemmingsplan de bestemming ‘garagebedrijven met bijbehorende erven’. Het thans op dit perceel aanwezige horecabedrijf is eerder gerealiseerd met toepassing van artikel 19 van de WRO.
Duidelijk is dat het onderhavige bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, zodat ter realisering van het thans ter beoordeling voorliggend bouwplan het volgen van een anticipatieprocedure is aangewezen. Voorts kan worden geconcludeerd dat is voldaan aan de formele vereisten voor het volgen van een anticipatieprocedure.
Met betrekking tot de materiële vereisten voor deze procedure overweegt de president het volgende.
Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is de anticipatieprocedure van artikel 19 van de WRO in beginsel geschikt, indien het gaat om een bouwplan waarbij zodanige dringende belangen zijn gemoeid dat bezwaarlijk op de afronding van een bestemmingsplanprocedure kan worden gewacht alvorens die plan kan worden verwezenlijkt. Deze procedure kan ook worden gevolgd indien het gaat om een plan dat dermate geringe planologische effecten heeft, dat om die reden van de belanghebbende bij dat plan niet kan worden gevergd te wachten op het van kracht worden van het nieuwe bestemmingsplan, mits de belangen van derden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regiem, alsmede de uitstraling van het bouwplan op de omgeving dan wel de ingreep op de bestaande situatie, ingrijpender is, dienen er ingevolge de jurisprudentie zwaardere eisen te worden gesteld aan de urgentie van de verwezenlijking van het bouwplan alsmede aan het planologisch kader waarop vooruit wordt gelopen. Bij dit planologisch kader gaat het zowel om de inhoud en de reikwijdte van de hierop betrekking hebbende stukken als ook om het karakter en het gewicht van de besluitvorming die daaromtrent heeft plaatsgevonden.
Anticipatie is in beginsel mogelijk op basis van een enkele verklaring van de gemeenteraad dat een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid. Hiervoor is echter geen plaats indien het gemeentebestuur niet werkelijk voornemens is om (binnen afzienbare tijd) een nieuw planologisch regiem tot stand te brengen. Dit weegt des te zwaarder naarmate de inbreuk, als hiervoor omschreven, groter is.
Ten aanzien van de zwaarte van de planologische ingreep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een kleinschalige gebruiksverandering die zal leiden tot een betere uitstraling van het pand.
De stelling dat er sprake is van een kleinschalige gebruiksverandering kan de president niet volgen. De betreffende grond, van niet-onbetekenende omvang, aan de voorzijde van het pand was in gebruik als parkeerterrein, terwijl de grond na vrijstelling in gebruik genomen kan worden als terras. Daarmee heeft de bedoelde grond feitelijk een horecabestemming gekregen. Derhalve kan bezwaarlijk gesproken worden van een kleinschalige gebruiksverandering. Dat een en ander de uitstraling van het bijbehorende pand ten goede zou komen, doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat geen bouwkundige veranderingen hebben plaatsgevonden.
Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de president derhalve niet op een deugdelijke motivering.
De president acht het thans voorts onzeker of verweerder bij een op het bezwaarschrift van eiser te nemen besluit alsnog een toereikende motivering voor het verlenen van vrijstelling zal kunnen aanreiken.
De president ziet dan ook aanleiding, gelet op de in geding zijnde belangen, het bestreden besluit te schorsen tot een week na de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar. Daarbij heeft de president in aanmerking genomen dat door een schorsing [vergunninghouder] niet onevenredig in zijn belangen zal worden geschaad, nu de maximale duur van de schorsing - gelet op de door verweerder in acht te nemen beslistermijn- reeds op voorhand vast staat en niet valt te verwachten dat het terras in die periode - gelet op de weersomstandigheden- veelvuldig zal kunnen worden opengesteld.
De president ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van zijn verzoek heeft moeten maken. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ 1.775,- wegens verleende rechtsbijstand.
III. Beslissing
De president:
I. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot een week na de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar;
I. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure ten bedrage van ƒ 1.775,-;
I. bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,- aan hem vergoedt;
I. wijst de gemeente Assen aan als de rechtspersoon die de onder II en III genoemde bedragen dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, fungerend president en uitgesproken in het
openbaar op
door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.
mr. W.P. Claus mr. J.H. de Wildt
Afschrift verzonden op:
typ: mh