Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0174

Datum uitspraak2001-02-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/127080-97
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM Parketnummer: 13/127080-97 Datum uitspraak: 21 februari 2001 op tegenspraak VERKORT VONNIS van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer , in de strafzaak tegen: Verdachte, geboren te geboorteplaats op geboortedatum, adres en woonplaats. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2001. 1. Telastelegging. Aan verdachte is telastegelegd dat hij op of omstreeks 5 februari 1997 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (ongeveer) 50 milligram Alloferine, in elk geval een hoeveelheid Alloferine toegediend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair: hij op of omstreeks 5 februari 1997, te Amsterdam, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer], op uitdrukkelijk en ernstig verlangen van die [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, (ongeveer) 50 milligram Alloferine, in elk geval een hoeveelheid Alloferine toe te dienen, waardoor die [slachtoffer] is overleden; Artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht, 2. hij op of omstreeks 5 februari 1997 te Amsterdam opzettelijk een valse schriftelijke verklaring heeft afgegeven nopens een oorzaak van overlijden, hebbende hij als arts daar toen opzettelijk een verklaring van overlijden afgegeven betrekking hebbend op [slachtoffer] (in scheiding van D.), geboren op geboortedatum, waarin hij valselijk en in strijd met de waarheid verklaart ervan overtuigd te zijn dat de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Artikel 228 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank leest het in de 4e regel van het onder 2 telastegelegde vermelde "1911" als "1912", aangezien hier, gelet op het dossier, sprake is van een kennelijke verschrijving. Door de verbetering van deze verschrijving wordt verdachte niet in de verdediging geschaad. 2. Voorvragen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. De verdediging heeft als verweer opgeworpen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Als gekeken wordt naar wat in casu feitelijk is gebeurd en onder welke omstandigheden dit gebeurde, dan gaat het hier om een andere kwestie dan het soort levensbeëindiging waarbij een toetsing aan zorgvuldigheidseisen door de rechter passend en gewenst zou zijn. In het licht van de omstandigheden van dit geval is het onbegrijpelijk dat verdachte in verband met het beëindigen van de situatie waarin mevrouw [slachtoffer] zich bevond, in wezen alleen vanwege de keuze voor het "verkeerde middel", strafrechtelijk wordt vervolgd. In casu staat vast dat verdachte integer en in het belang van zijn patiënt heeft gehandeld. Geenszins is komen vast te staan dat verdachte na het levensbeëindigend handelen een sfeer van geheimzinnigheid heeft opgeroepen. Daarom had het belang van verdachte om uit het strafrechtelijk circuit te blijven zwaarder moeten wegen dan het algemeen belang dit levensbeëindigend handelen ter toetsing aan de rechter voor te leggen. Het Openbaar Ministerie had derhalve in de onderhavige zaak niet in redelijkheid kunnen komen tot de beslissing strafrechtelijk te vervolgen. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn beschikking van 17 mei 1999 op het hoger beroep tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 24 november 1998, gegeven op het bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging van verdachte, geoordeeld dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de beslissing van het vervolgen van verdachte kon komen. Het Hof overwoog daartoe dat met de vervolging van verdachte het zwaarwegende belang gemoeid is van handhaving van de norm dat een arts niet tot direct levensbeëindigend handelen mag overgaan dan onder zeer specifieke omstandigheden en met inachtneming van strikte zorgvuldigheidseisen. Ook ervan uitgaande dat verdachte integer en in het belang van zijn patiënte heeft gehandeld, blijft volgens het Hof het zwaarwegende belang bestaan om de handelwijze van verdachte ter toetsing aan bovengenoemde norm aan de strafrechter voor te leggen. Daarbij is mede van belang dat de positie van verdachte als arts meebrengt dat van hem verantwoording moet kunnen worden gevraagd van zijn levensbeëindigend handelen, ook nu het een moeilijke keuze betrof die onder zware emotionele omstandigheden moest worden gemaakt. De Hoge Raad is in zijn beschikking van 26 september 2000, gegeven op het beroep in cassatie tegen voornoemde beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam, van oordeel dat de verwerping van het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft en niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad merkt daarbij op dat de enkele omstandigheid dat een arts tot levensbeëindigend handelen overgaat met de oprechte bedoeling de belangen van zijn patiënt te dienen, niet zonder meer behoeft te impliceren dat zijn handelen in overeenstemming is met alle zorgvuldigheidseisen die dat handelen aanvaardbaar kunnen maken, waaronder in beginsel begrepen een uitdrukkelijk en consistent geuite doodswens van de patiënt en de raadpleging van een onafhankelijke arts. Op grond van het voorgaande, de omstandigheid dat verdachte naar hij zelf zegt in dit geval niet heeft voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen die aan levensbeëindigend handelen gesteld worden aangezien het hier in overwegende mate om palliatief handelen ging en het mogelijk grensverleggende karakter van de onderhavige zaak daardoor, is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid kon komen tot de beslissing verdachte strafrechtelijk te vervolgen teneinde de onderhavige zaak ter toetsing aan de rechter te kunnen voorleggen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. 3. Waardering van het bewijs. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. op 5 februari 1997 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (ongeveer) 50 milligram Alloferine toegediend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 2. op 5 februari 1997 te Amsterdam opzettelijk een valse schriftelijke verklaring heeft afgegeven nopens een oorzaak van overlijden, hebbende hij als arts daar toen opzettelijk een verklaring van overlijden afgegeven betrekking hebbend op [slachtoffer] (in scheiding van D.), geboren op geboortedatum, waarin hij valselijk en in strijd met de waarheid verklaart ervan overtuigd te zijn dat de dood van voornoemde S. [slachtoffer] ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. 4. Het bewijs. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Nadere bewijsoverweging: Voor de rechtbank staat vast - evenals voor het Medisch Tuchtcollege in zijn beslissing van 4 mei 1998 - dat mevrouw [slachtoffer] is komen te overlijden als direct gevolg van de haar door verdachte toegediende Alloferine. De rechtbank verwijst daartoe onder meer naar het rapport van dr. C.J. Kalkman, anesthesioloog, van 3 maart 1998, die zeker acht dat de injectie Alloferine onmiddellijk de dood ten gevolge heeft gehad. 5. De strafbaarheid van de feiten. De verdediging heeft als verweer opgeworpen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 telastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte heeft gehandeld in noodtoestand. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De situatie waarvoor verdachte zich geplaatst zag, werd erdoor gekenmerkt dat zijn patiënte zich in de allerlaatste stervensfase bevond en haar lijden als uitzichtloos moest worden beschouwd. Haar kamer was doortrokken van de stank van haar wonden en verdachte verwachtte dat zij al zou overlijden tijdens en tengevolge van haar noodzakelijke verzorging. Het was voor verdachte duidelijk dat consultatie van een andere arts op dat moment geen toegevoegde waarde had. De aanwezige dochters van mevrouw [slachtoffer] drongen sterk aan op actief ingrijpen van verdachte en gaven aan dat hun moeder enkele dagen daarvoor had gesmeekt haar uit haar lijden te verlossen. Mevrouw [slachtoffer] zelf was op dat moment niet meer aanspreekbaar. Verdachte achtte aannemelijk dat mevrouw [slachtoffer] deze situatie zelf niet zou hebben gewild. Verdachte bevond zich in een noodtoestand en heeft in het conflict van plichten, te weten: opdracht geven zijn patiënt te verzorgen ook al zou zij daardoor overlijden dan wel niets doen en wachten tot ze vanzelf zou overlijden òf door actief ingrijpen het stervensproces verkorten, een keuze gemaakt die objectief beschouwd en gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval redelijkerwijze bezien, gerechtvaardigd was. Strafrechtelijk is verdachte, gelet op alle bijzonderheden van het geval, geen relevant verwijt te maken. Er is sprake van afwezigheid van alle schuld. De rechtbank gaat bij haar beoordeling van dit verweer uit van de volgende feitelijke omstandigheden: Mevrouw [slachtoffer] is geboren op geboortedatum en was vanaf omstreeks 1980 ingeschreven in de huisartsenpraktijk van verdachte. Verdachte had veelvuldig contact met haar, met name in de tijd vlak voor haar overlijden. Mevrouw [slachtoffer] had onder meer hartproblemen en forse osteoporose. Begin 1995 is zij met haar echtgenoot verhuisd naar zorgcentrum De Open Hof te Amsterdam. Vanaf juli 1996 leefde mevrouw [slachtoffer] apart van haar echtgenoot. Vanaf ultimo 1996 werd mevrouw [slachtoffer] in toenemende mate bedlegerig. Omdat zij nauwelijks te mobiliseren was en haar bed niet meer wilde uitkomen, ontstonden ernstige decubituswonden. Verdachte heeft in die periode meermalen tevergeefs getracht mevrouw [slachtoffer] te overtuigen van het belang van fysiotherapie en heeft haar erop gewezen dat haar wens om in bed te blijven liggen haar dood naderbij kon brengen. Verdachtes beleid was gericht op het bevorderen van mevrouw [slachtoffer]’ mobiliteit en bestrijding van haar ongemak en pijn, aanvankelijk met MS Contin en later met Durogesicpleisters 50 mcg, beide toedieningsvormen van morfine. Daarbij heeft verdachte met mevrouw [slachtoffer] besproken dat deze vorm van pijnbestrijding een levensverkortend effect kon hebben. Voorts zijn verdachte en de verzorgenden blijven proberen mevrouw [slachtoffer] tot beweging te motiveren. Op 21 januari 1997 kwam verdachte bij mevrouw [slachtoffer] en bleek zij helemaal niet meer uit bed te komen. Zij had toen ook ernstige necrose onder een van haar hielen, waarvoor zij in het AMC is behandeld. Desgevraagd heeft mevrouw [slachtoffer] die dag aan verdachte aangegeven te willen leven, waarop aan haar duidelijk is gemaakt dat zij dan haar bed diende uit te komen. Op 27 januari 1997 heeft verdachte de dosering van de Durogesicpleisters verhoogd tot 75 mcg. Voorts heeft hij ter bestrijding van de pijn tijdens de verzorging morfinezetpillen voorgeschreven. Op 28 januari 1997 heeft verdachte wederom rechtstreeks gevraagd of mevrouw [slachtoffer] wilde inslapen waarop mevrouw [slachtoffer] heeft gezegd dat zij dat niet wilde en dat zij haar kinderen wilde blijven zien. Verdachte heeft het beleid - pijnstilling en optimale verzorging van de decubituswonden - derhalve gecontinueerd. Mevrouw [slachtoffer] at nog maar weinig en de necrose gaf een penetrante stank af. Op 31 januari 1997 heeft [collega van] verdachte die in zijn praktijk werkzaam was, mevrouw [slachtoffer] gezien. Zij heeft op die dag een extra Durogesicpleister van 50 mcg laten plakken en daarmee de totale dosis van dat middel verhoogd tot 125 mcg. Dit ondanks het tevoren gegeven advies van verdachte terughoudend te zijn met de toediening van morfine, nu mevrouw [slachtoffer] gekozen had voor het leven. Hierdoor is het proces dat uiteindelijk zou leiden tot de dood van mevrouw [slachtoffer] in een stroomversnelling geraakt. Op 3 februari 1997 heeft verdachte mevrouw [slachtoffer] bezocht en daarbij geconstateerd dat zij in foetushouding in een diepe roes lag. Mevrouw [slachtoffer] dronk en at nauwelijks meer en was voor verdachte niet meer aanspreekbaar. Omdat volgens De Open Hof mevrouw [slachtoffer] onrustig was als ze wakker was en dan lag te schreeuwen, heeft verdachte met de zorgmanager van De Open Hof afgesproken dat deze mevrouw [slachtoffer] zonodig valium zou toedienen. Op 4 februari 1997 is verdachte bij mevrouw [slachtoffer] teruggeweest. Zij bleek toen geen valium te hebben gekregen. Om haar rustig te laten slapen heeft verdachte haar toen vier ampullen Phenobarbital à 100 mg toegediend. Hij liet nog vier ampullen van voornoemd middel achter en sprak met de zorgmanager af dat hij deze die avond zou toedienen. Verdachte verwachtte dat mevrouw [slachtoffer] na de toediening van deze tweede dosis zou komen te overlijden. De daarop volgende ochtend, 5 februari 1997, heeft verdachte mevrouw [slachtoffer] wederom bezocht. Hij was verbaasd dat zij toen nog leefde. Haar twee dochters waren de hele nacht bij haar geweest. Mevrouw [slachtoffer] lag nog steeds in dezelfde houding en de stank van de necrose was zeer hevig. Zij reageerde niet op pijnprikkels. Naar verdachte bleek, had de zorgmanager van De Open Hof opdracht gegeven mevrouw [slachtoffer] niet meer te verschonen. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] toen twee ampullen morfine toegediend. Toen de dochters vervolgens aangaven dat hun moeder deze toestand nooit gewild zou hebben, heeft verdachte met hen besproken dat naar verwachting hun moeder in de komende uren uit zichzelf zou overlijden, maar dat hij dit overlijden ook zou kunnen bespoedigen. Daarop hebben de dochters te kennen gegeven dat hun voorkeur uitging naar de laatste optie. Verdachte heeft toen nog getracht hierover contact te hebben met de zorgmanager van De Open Hof, maar die bleek niet bereikbaar. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat mevrouw [slachtoffer] voor levensbeëindiging zou hebben gekozen als zij had geweten in welke situatie zij zou komen te verkeren. Vanuit deze veronderstelling en in de veronderstelling dat mevrouw [slachtoffer] de avond daarvoor een tweede dosis Phenobarbital had gekregen en dat toediening van nog meer barbituraten niet het beoogde effect zou hebben, heeft verdachte toen mevrouw [slachtoffer] 4 à 5 ampullen van elk 2 mg Alloferine toegediend, in de verwachting dat zij daardoor spoedig zou komen te overlijden. Zeer korte tijd hierna is mevrouw [slachtoffer] overleden. Ten aanzien van de vraag of deze feitelijke omstandigheden een noodtoestand opleveren die het levensbeëindigend handelen van verdachte rechtvaardigen, overweegt de rechtbank het volgende: Van ondraaglijk lijden van mevrouw [slachtoffer] was op het moment van toedienen van deze laatste injectie geen sprake, nu niet bleek dat zij pijn leed, zij niet onrustig was en geen blijk gaf zich bewust te zijn van haar omgeving en de afschuwelijke toestand waarin zij zich bevond. Voorts speelt een rol dat zij kort tevoren nog ondubbelzinnig te kennen had geven niet te willen sterven. Dat mevrouw [slachtoffer] in een erbarmelijke toestand verkeerde en dat verdachte beschikte over de mogelijkheid mevrouw [slachtoffer] in die omstandigheid op de - in de woorden van verdachte - meest ethische manier te laten overlijden, impliceert niet dat verdachte daarbij in de gegeven omstandigheden voor levensbeëindigend handelen moest kiezen. Zijn overtuiging dat mevrouw [slachtoffer] haar lot in zijn handen had willen leggen en dat zij verder leven in deze toestand niet zou hebben gewild, maakt dat niet anders. Onder deze omstandigheden had verdachte niet mogen kiezen voor het toedienen van een middel als Alloferine, met het enkele doel het leven van mevrouw [slachtoffer] te beëindigen. De rechtbank realiseert zich dat de aanwezigheid van de dochters en hun wens aan het lijden van hun moeder een einde te maken, zwaar gewogen heeft. Voorop staan echter de verplichtingen van verdachte als huisarts tegenover zijn patiënte, mevrouw [slachtoffer]. Verplichtingen tegenover de dochters als nabestaanden zijn daaraan ondergeschikt. Van verdachte mag als huisarts worden gevergd dat hij zich aan de op hem uitgeoefende druk kan onttrekken. Er was hier geen conflict van plichten. Verdachte had de plicht om tegenover mevrouw [slachtoffer] niet anders te handelen dan zij zelf had aangegeven. Deze plicht had het zwaarst moeten wegen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van noodtoestand, zij verwerpt het verweer. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden. 6. De strafbaarheid van verdachte. De verdediging heeft als verweer opgeworpen dat verdachte moet worden vrijgesproken, althans ontslagen van rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 telastegelegde wegens afwezigheid van alle schuld en heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Verdachte heeft over zijn handelen verklaard dat hij meende dat de toediening van Alloferine nog viel onder palliatie en dat zijn handelen behoorde tot de schijngestalten van euthanasie. Het sterven van zijn patiënt was zover gevorderd dat letterlijk alles haar dood zou veroorzaken. Verdachte heeft aldus verschoonbaar gedwaald ten aanzien van de vraag of sprake was van een natuurlijke oorzaak van overlijden. In zijn overtuiging was sprake van een natuurlijke doodsoorzaak en daarom heeft hij dienovereenkomstig verklaard. Zodoende heeft verdachte niet gehandeld met het vereiste opzet. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Uit de deskundigenrapporten van zowel prof. dr. D.R.A. Uges, ziekenhuisapotheker, forensisch en klinisch toxicoloog als van dr. C.J. Kalkman, anesthesioloog, blijkt dat het toedienen van Alloferine niet past binnen het voeren van een palliatief beleid. Hiervoor is reeds overwogen dat mevrouw [slachtoffer] is overleden als direct gevolg van het toedienen van Alloferine. Verdachte kon daarom niet van oordeel zijn dat mevrouw [slachtoffer] ten gevolge van een natuurlijke oorzaak was overleden. Mitsdien heeft hij door de akte van natuurlijk overlijden te ondertekenen een onjuiste verklaring afgelegd. De rechtbank overweegt hierbij dat nu verdachte naar eigen zeggen in "een grijs gebied" handelde met betrekking tot de vraag of het middel dat hij toediende, mocht worden gebruikt, het op de weg van verdachte lag dit toetsbaar te laten zijn door er melding van te maken. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. Van afwezigheid van alle schuld is geen sprake. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7. Motivering van de straffen en maatregelen. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Geen straf of maatregel feit 1. Ten aanzien van de op te leggen straf voor het onder 1 bewezen verklaarde overweegt de rechtbank dat weliswaar het handelen van verdachte niet past binnen de zorgvuldigheidseisen die aan levensbeëindigend handelen door een arts worden gesteld en anderszins evenmin als handelen in een noodtoestand is aan te merken, maar dat verdachte zich zeer begaan heeft getoond met mevrouw [slachtoffer], daarbij naar eer en geweten heeft gehandeld en zich bij zijn handelwijze heeft laten leiden door wat hij meende dat haar belang was. Daarbij speelt een rol dat verdachte mevrouw [slachtoffer] goed heeft gekend en meende dat hij overeenkomstig haar - niet geuite - wil heeft gehandeld. Verdachte heeft aldus, als arts, echter een beoordelingsfout gemaakt. Gelet op de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de oprechte bedoeling die bij verdachte heeft bestaan om de belangen van zijn patiënt te dienen, is naar het oordeel van de rechtbank een strafrechtelijke sanctie daarvoor niet geïndiceerd. De rechtbank zal daarom voor het onder 1 primair bewezenverklaarde geen straf of maatregel aan verdachte opleggen. Ten aanzien van feit 2. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde in het bijzonder laten meewegen dat het opmaken van akten met betrekking tot het overlijden van personen door artsen op de juiste wijze dient te geschieden en op de waarheid dient te zijn gebaseerd, omdat alleen op grond daarvan het handelen van een arts getoetst kan worden. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte door de onderhavige zaak reeds aanzienlijke (ook financiële) schade heeft geleden. 8. Toepasselijke wettelijke voorschriften. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 9. Beslissing: Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1 primair: Moord. Ten aanzien van feit 2: Als arts opzettelijk een valse verklaring nopens een oorzaak van overlijden afgeven. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte daarvoor strafbaar. Bepaalt ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot een geldboete van Fl. 5000,00 (vijfduizend gulden) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 dagen. Beveelt dat deze geldboete niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Dit vonnis is gewezen door mr. , voorzitter, mrs. , rechters, in tegenwoordigheid van , griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2001.