
Jurisprudentie
AB0152
Datum uitspraak2001-02-16
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers99/30098
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers99/30098
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 99/30098 16 februari 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Harlingen (hierna: B en W) gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de uitspraak van B en W op het verzoek om vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in de bezwaarfase ter zake van de aan hem opgelegde aanslag in de baatbelasting van 30 september 1996.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Aan belanghebbende is op 30 september 1996 een aanslag in baatbelasting opgelegd tot een bedrag van ƒ 700.000,-- (hierna: de aanslag). Op het tijdig ingediende bezwaar door belanghebbende heeft de chef van de afdeling financiën van de gemeente Harlingen (hierna: de chef) bij uitspraak van 29 mei 1998 de aanslag verlaagd tot een bedrag van ƒ 419.000,--. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het hof, dat op 6 oktober 2000 de aanslag en de voormelde uitspraak heeft vernietigd.
Bij brief van 20 augustus 1998 heeft belanghebbende aan B en W verzocht om aan hem de gemaakte kosten ter zake van voormelde bezwaarprocedure te vergoeden. Op 1 februari 1999 hebben B en W dit verzoek afgewezen, tegen welk besluit belanghebbende op 19 februari 1999 in bezwaar is gekomen. Bij brief van 21 juli 1999, verzonden op 26 juli 1999, hebben B en W het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het hof middels een beroepschrift (met bijlagen), dat op 25 augustus 1999 is ingekomen. Het hof heeft dit beroepschrift ex artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de bestuurssector van de rechtbank te Leeuwarden. B en W hebben op 23 september 1999 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden aan de rechtbank. Bij uitspraak van 26 oktober 1999 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft het beroepschrift daarop gezonden aan het hof. Nadat B en W het vertoogschrift hadden ingezonden aan het hof heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 12 april 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde en belanghebbende, bijgestaan door de heer A. Tevens was aanwezig de gemachtigde van B en W, bijgestaan door de heren B en C.
Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
Van alle genoemde en hierna nog te melden stukken moet de inhoud als ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast:
2.1. Aan belanghebbende is op 30 september 1996 een aanslag in de baatbelasting opgelegd ter zake van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Z, sectie Y, nummers 000, 001 en 002. De aanslag bedroeg
ƒ 700.000,--. Tegen deze aanslag is belanghebbende in bezwaar gekomen, hetgeen resulteerde in een uitspraak, waarin de chef de aanslag verlaagde naar een bedrag van ƒ 419.000,--. Het hof heeft bij uitspraak van 6 oktober 2000 de aanslag en uitspraak vernietigd.
2.2. In het kader van de bezwaarschriftenprocedure tegen de aanslag heeft belanghebbende kosten van juridische bijstand gemaakt. Deze kosten bedragen ƒ 8.563,22. Belanghebbende heeft zijn verzoek tot vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure gestoeld op de stelling dat B en W tegen beter weten in de aanslag hebben opgelegd tot een bedrag van ƒ 700.000,--. De aanslag is volgens belanghebbende onzorgvuldig tot stand gekomen. Voorts is belanghebbende van mening dat de hoogte van de in de bezwaarfase gemaakte kosten niet zo aanzienlijk is dat die als onredelijk moet worden beschouwd.
2.3. Tegen de afwijzing van zijn verzoek heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In de uitspraak van B en W op dit bezwaar wordt belanghebbende voor het rechtsmiddel van beroep door B en W verwezen naar de bestuurssector van de rechtbank.
3. Het geschil.
In geschil is het antwoord op de vraag of tegen de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in de bezwaarfase bezwaar en beroep openstaat, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de B en W ontkennend wordt beantwoord.
4. De standpunten van partijen.
4.1. Belanghebbende stelt dat de aanslag op een onjuiste uitleg van de wet berust en dat de aanslag onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Belanghebbende is ook van mening dat de aanslag op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat deze ten onrechte eerst op een bedrag van ƒ 700.000,- is vastgesteld. Derhalve hebben B en W volgens de stelling van belanghebbende in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld.
4.2. Voorst is belanghebbende - kort samengevat- de mening toegedaan dat de belastingrechter als bijzondere bestuursrechter het besluit van de chef om het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen erkent als een appellabel besluit en dat derhalve tegen de afwijzing van dit verzoek bezwaar en beroep openstaat.
4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar van B en W.
4.4. B en W stellen dat tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding voor belanghebbende bezwaar en beroep openstaat langs de civielrechtelijk weg. De administratieve rechter in belastingzaken kan het onderhavige geschil omtrent de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase niet beoordelen. Het besluit op verzoek is volgens hen geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
4.5. B en W concluderen tot handhaving van de uitspraak op bezwaar.
Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.
5. De overwegingen omtrent het geschil
5.1. Uit de feiten blijkt dat het onderhavige geschil voortkomt uit de bezwaarschriftenprocedure ter zake van de aanslag in de baatbelasting van 30 september 1996. Het verzoek tot vergoeding van de in de bezwaarschriftenprocedure gemaakte kosten is door B en W afgewezen, tegen welk zuiver schadebesluit belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Uit de feiten blijkt tevens dat, ondanks de verwijzing door B en W voor het rechtsmiddel van beroep naar de bestuurssector van de rechtbank, belanghebbende in beroep gaat bij de belastingsector van het hof. Gelet hierop heeft belanghebbende de uitspraak van de chef kennelijk opgevat als een uitspraak op bezwaar in de zin van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Zoals de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 6 mei 1997, AB 1997/229, heeft overwogen past het in het stelsel van (voor de bestuurssector van de rechtbank geldende) afdeling 8.1.1. van de Awb de algemene danwel bijzondere bestuursrechter zich slechts bevoegd te achten tot kennisneming van beroep tegen een zuiver schadebesluit indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Nu het hof zich bevoegd heeft geacht om zich over het geschil ter zake van de aanslag te buigen, heeft belanghebbende, gelet op de vorm en inhoud van de uitspraak van B en W, het hof inzake het onderhavige geschil kunnen en mogen aanmerken als de bevoegde rechter. Het hof is derhalve bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.
5.2. Op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken is het hof bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het gerechtshof redelijkerwijs heeft moeten maken. In het Besluit proceskosten fiscale procedures zijn nadere regels gesteld omtrent de hoogte van de voormelde vergoeding. Uit voorgaande blijkt dat slechts kosten van de beroepsprocedure voor vergoeding in aanmerking komen. Zoals blijkt uit de feiten stoelt belanghebbende zijn vordering tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarschriftenprocedure op onrechtmatig handelen van de chef. De Hoge Raad heeft onder meer in zijn arrest van 4 oktober 1995, BNB 1996/32, beslist dat voor het toekennen van een dergelijke schadevergoeding in een procedure voor een administratieve rechter in belastingzaken geen plaats is. Belanghebbende kan derhalve niet ontvangen worden in zijn beroep voor wat betreft zijn vordering tot het toekennen van een schadevergoeding als vorenbedoeld. Bezwaar en beroep tegen het onderhavige zuivere schadebesluit staat niet open bij de administratieve rechter in belastingzaken. Belanghebbende is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar zodat het beroep ongegrond is.
5.3. Ten overvloede overweegt het hof het volgende:
Het beroepschrift van belanghebbende is op 25 augustus 1999 ingekomen bij het hof. De Wet van 29 oktober 1998, houdende aanpassing van het fiscale procesrecht van de Awb en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten is in werking getreden op 1 september 1999. In artikel V van deze wet is bepaald dat ten aanzien van de behandeling van een beroep dat voor de datum van inwerkingtreding is ingesteld het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing zal zijn. Voor beroepen ingekomen na 31 augustus 1999 kan de belastingrechter artikel 8:73 van de Awb toepassen, wat ertoe zou kunnen leiden dat een partij onder meer in de kosten van de voorprocedure wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die de andere partij lijdt. Gezien de datum van binnenkomst van het onderhavige beroepschrift bij het hof rest belanghebbende de civielrechtelijke weg te bewandelen voor vergoeding van de kosten van de voorprocedure.
6. Conclusie
Het beroep is ongegrond.
7. Proceskostenvergoeding
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
8. De beslissing.
Het hof bevestigt de uitspraak van B en W.
Gedaan op 16 februari 2001 door prof. mr. Aardema, vice-president, mrs. Drion en Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van griffier mr. De Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.
Op 21 februari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.