
Jurisprudentie
AB0151
Datum uitspraak2000-01-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001129/1.
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001129/1.
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
200001129/1.
Datum uitspraak: 15 januari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis,
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 21 januari 2000 in het geding tussen:
[verzoeker] , wonend te [woonplaats]
en
appellanten.
1 Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 1997 hebben appellanten een aanvraag van [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) om vergunning voor het innemen van een standplaats op de locatie Kimbeliplein te Hellevoetsluis afgewezen.
Bij besluit van 7 april 1998 hebben appellanten het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 januari 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellanten binnen zes weken na verzending van het afschrift van de uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
[redactie: url('AA5908',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=19501)]
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 29 februari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 mei 2000 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.M. van den Brand, ambtenaar bij de gemeente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. P. de Jonge, advocaat te Zierikzee, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 87, zesde lid, onder c en d, van de Algemene Politieverordening 1994 van de gemeente Hellevoetsluis (hierna: de APV) kunnen burgemeester en wethouders een standplaatsvergunning weigeren in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving (c) en in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid (d).
2.2. Bij brief van 13 maart 1997 heeft [verzoeker] verzocht standplaats in te mogen nemen gedurende de donderdag en vrijdag bij de ingang van winkelcentrum “De Struytse Hoeck" (Kimbellplein) bij de apotheek, voor de ambulante verkoop van [product] . Appellanten hebben de weigering van dit verzoek in bezwaar gehandhaafd. Bij de beoordeling van het verzoek hebben zij zich gebaseerd op de Deelnotitie Standplaatsenbeleid (hierna: de Deelnotitie), die is vastgesteld door de raad op 19 november 1992. Volgens dit beleid worden geen standplaatsen uitgegeven bij de toegangen van winkelcentrum "De Struytse Hoeck".
2.3. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de Deelnotitie geen beleidsregels bevat in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, ter motivering van een op die Deelnotitie gebaseerde beslissing niet met een enkele verwijzing ernaar als bedoeld in artikel 4:82 van de Awb kon worden volstaan. Zij heeft voorts vastgesteld dat appellanten zonder tot een concrete beoordeling van de individuele aanvraag te komen, dus zonder zelfs maar exact de door [verzoeker] gewenste locatie te bepalen, verlening van de vergunning als een aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente heeft aangemerkt. De beslissing op bezwaar mist volgens de rechtbank dan ook een voldoende concrete feitelijke onderbouwing.
2.4. De Afdeling kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. Zij is in de eerste plaats van oordeel dat appellanten in de beslissing op bezwaar niet hebben volstaan met een enkele verwijzing naar de Deelnotitie. Appellanten hebben immers de ten deze relevante onderdelen van dit beleid in de beslissing weergegeven. Zo hebben zij onder meer gewezen op de omstandigheid dat er een nieuw gedeelte van “De Struytse Hoeck" is gebouwd en dat het oude deel is opgeknapt. Bij de bestaande winkels zijn overkappingen en toegangspoorten gemaakt en is een aantal kunstprojecten gerealiseerd. Daarbij past niet het uitgeven van standplaatsen. Voorts hebben zij gewezen op het belang van de verkeersvrijheid en -veiligheid en gesteld dat het vrijhouden van de toegangen de toegankelijkheid van het winkelcentrum waarborgt voor de bezoekers. In het primaire besluit van 2 oktober 1997 hebben appellanten ten slotte reeds de bepalingen van de APV genoemd waarop het beleid en de beslissing zijn gebaseerd. Dit alles in aanmerking genomen, is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 4:82 van de Awb. Of de Deelnotitie beleidsregels bevat in de zin van dat artikel kan dan ook buiten beschouwing blijven.
2.5. De omstandigheid dat het standplaatsenbeleid in de Deelnotitie afkomstig is van de raad, brengt niet mee dat appellanten het niet kunnen hanteren bij het beoordelen van verzoeken om een standplaats. Ter zitting is onbetwist gebleven dat de Deelnotitie is bekendgemaakt en voor [verzoeker] kenbaar was. De Afdeling acht dit beleid voorts, gelet op de doelstellingen ervan zoals die hierboven zijn weergegeven, niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist.
2.6. Dit betekent dat appellanten dit beleid in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, hebben kunnen toepassen. De omstandigheid dat, zoals [verzoeker] stelt, zijn standplaats op het Evenemententerrein achter het winkelcentrum niet rendabel is, kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden gezien. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat appellanten [verzoeker] vóór diens aanvraag een nieuwe standplaats hebben aangeboden. Het besluit, waarbij aan appellant de standplaats op het Evenemententerrein is toegewezen, is voorts onherroepelijk en kan in deze procedure niet meer aan de orde komen. Overige omstandigheden zijn door [verzoeker] niet aangevoerd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat appellanten onder afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot hun beslissing hebben kunnen komen, de gevraagde vergunning te weigeren .
2.7. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.8. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 21 januari 2000, APV 981929-DLD;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Korthals Altes w.g. Zegveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2001
43-295.
Verzonden: 15 januari 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,