
Jurisprudentie
AB0150
Datum uitspraak2000-12-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001245/1.
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001245/1.
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
200001245/1.
Datum uitspraak: 22 december 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de maatschap "appellant" gevestigd te [woonplaats], en [appellant], wonend te [woonplaats], appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 27 januari 2000 in het geding tussen:
appellanten
en
burgemeester en wethouders van Naaldwijk.
1 . Procesverloop
Bij besluit van 8 december 1995 hebben burgemeester en wethouders van Naaldwijk (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om een einde te maken aan het met het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" strijdige gebruik van de agrarische bedrijfswoning [adres] te [woonplaats] als burgerwoning.
Bij besluit van 15 april 1996 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 1997, verzonden op 2 juli 1997, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 september 1998, nummer H01.97.1015, heeft de Afdeling, beslissende op het hoger beroep van appellanten, deze uitspraak vernietigd, het besluit van burgemeester en wethouders van 15 april 1996 vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit nemen.
Bij besluit van 11 februari 1999 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar van appellanten wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 januari 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 8 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 mei 2000. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G. Bakker, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.C.A.J. Straver, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het gebruik van de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning is in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" voor de betrokken grond geldende bestemming "agrarische doeleinden" en daarom, gelet op het gebruiksverbod, neergelegd in artikel 27 van de planvoorschriften, verboden. Burgemeester en wethouders konden derhalve handhavend tegen deze illegale situatie optreden. Indien - zoals hier het geval is - door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.
Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat concreet zicht bestaat op legalisering van de illegale situatie en dat dezen derhalve niet mochten afzien van handhavend optreden.
2.2. Dit betoog treft geen doel. Het standpunt van burgemeester en wethouders steunt op de inhoud van het voorontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied", dat ongeveer een jaar vóór het nemen van de beslissing op bezwaar ter inzage heeft gelegen, en waarover de provinciale planologische commissie (PPC) op 4 februari 1998 advies heeft uitgebracht. Dit voorontwerp voorziet onder meer - evenals het bestemmingsplan "Buitengebied", dat nadien, op 10 februari 2000, voorzover hier van belang, overeenkomstig het voorontwerp door de raad der gemeente Naaldwijk is vastgesteld - in een grootscheepse legalisering van burgerbewoning op percelen met voormalige agrarische bedrijfswoningen, door aan die percelen - ongeveer 500 stuks, waaronder het onderhavige - de bestemming "woondoeleinden" toe te kennen. In het advies van de PPC - waarvan de inhoud uitvoerig is weergegeven in de aangevallen uitspraak - is onder meer vermeld dat het bestemmen van voormalige agrarische bedrijfswoningen tot burgerwoningen geen bezwaren ontmoet. Met de rechtbank moet derhalve worden geoordeeld dat stelling van appellanten dat het advies van de PPC met betrekking tot de voorgenomen bestemming van het onderhavige perceel niet als positief kan worden aangemerkt, niet juist is.
Op grond van het vorenstaande moet met de rechtbank worden geoordeeld dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar concreet zicht op legalisering aanwezig was. Dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland inmiddels bij hun - door burgemeester en wethouders beroepen - besluit van 3 oktober 2000 goedkeuring hebben onthouden aan onder meer het met het onderhavige perceel corresponderende deel van de plankaart van het betrokken bestemmingsplan, doet daaraan niet af.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Groverman, ambtenaar van Staat.
w.g. De Gooijer w.g. Groverman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2000
110-304.
Verzonden: 22 december 2000
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,