
Jurisprudentie
AB0145
Datum uitspraak2001-02-08
Datum gepubliceerd2001-02-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC990789/BR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-02-21
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC990789/BR
Statusgepubliceerd
Uitspraak
typ. MC
rolnr. C990789/BR
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH,
vierde kamer, van 8 februari 2001,
gewezen in de zaak van:
1. [APPELLANT 1]
2. [APPELLANT 2],
beiden wonende te [woonplaats], [buitenland],
appellanten,
procureur: mr. W.M.C. van der Eerden;
t e g e n:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
procureur: mr. P.W.H.M. Dijkmans;
op het bij het exploot van dagvaarding d.d. 25 juni 1999 ingeleide hoger beroep van de door de arrondissementsrechtbank te Breda tussen appellanten, hierna: [appellanten] als eisers in conventie tevens verweerders in (voorwaardelijke) reconventie en geïntimeerde, hierna: [GEÏNTIMEERDE], als gedaagde in conventie tevens eiseres in (voorwaardelijke) reconventie gewezen vonnissen van 23 juni 1998 en 30 maart 1999 (nummer 51741/HA ZA 97-1596).
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich onder de stukken bevinden.
2. Het geding in hoger beroep
Van die vonnissen bij eerder genoemd exploot in hoger beroep gekomen, hebben [appellanten] 17 grieven voorgedragen en - kort gezegd - geconcludeerd:
dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende alsnog de in eerste aanleg ingestelde vordering van [appellanten] zal toewijzen en de door [GEÏNTIMEERDE] in eerste aanleg ingestelde vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie zal afwijzen, met veroordeling van [GEÏNTIMEERDE] in de proceskosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
Daarop antwoordend heeft [GEÏNTIMEERDE] die grieven bestreden en geconcludeerd:
dat het hof zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden de vonnissen waarvan beroep zal bevestigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het appel.
Partijen hebben de zaak doen bepleiten op 14 december 2000, [appellanten] door mr. E.W. Mehring en [GEÏNTIMEERDE] door haar procureur. De pleitnotities bevinden zich bij de stukken.
Bij deze gelegenheid hebben beide partijen een akte genomen waarbij [appellanten] 10 producties en [GEÏNTIMEERDE] 3 producties hebben overgelegd.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
De grieven van [appellanten] komen er op neer dat de rechtbank ten onrechte hun conventionele vordering heeft afgewezen en ten onrechte de reconventionele vordering van [GEÏNTIMEERDE] heeft toegewezen.
Daarmee is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Hierna zal voorzover van belang op de afzonderlijke grieven worden ingegaan.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1. In haar tussenvonnis d.d. 23 juni 1998 heeft de rechtbank vastgesteld welke feiten in dit geschil vaststaan. Deze vaststelling is niet bestreden. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt.
4.2. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. 4.2.1. [appellanten] hebben op 19 september
1996 van [GEÏNTIMEERDE] een motorjacht gekocht voor de koopsom van DM 1.850.000,--. In de in de Duitse taal opgestelde,
door partijen ondertekende schriftelijke koopovereenkomst staat als omschrijving van het jacht vermeld "Motoryacht "ESCAPE" 'VITESSE' 1800 aus Aluminium", zulks met een verwijzing naar een van dat contract deel uitmakende, door partijen geparafeerde, specificatie; het contract verwijst voorts naar toepasselijkheid van de zogenaamde HISWA-voorwaarden. In die in de Duitse taal gestelde specificatie valt onder meer te lezen "Tankkapazität: Treibstoff: 5.000 Ltr.".
4.2.2. In diverse publicaties en brochures zijn artikelen over de Vitesse 1800 verschenen, met daarbij een foto van de "Escape", met daarbij de vermelding dat de brandstoftank een capaciteit heeft van 5.000 liter. Op één van de aan [appellanten] ter hand gestelde specificaties van het jacht stond een brandstoftankcapaciteit van 2.500 liter vermeld (prod. 6 bij cve). Toen [appellanten] [GEÏNTIMEERDE] hierop wezen is door [werknemer geïntimeerde] van [GEÏNTIMEERDE] het getal 2.500 in die specificatie met pen doorgestreept en vervangen door 5.000.
4.2.3. Op de door [GEÏNTIMEERDE] aan [appellanten] gezonden factuur nr. 96.113 d.d. 30 oktober 1996 staat eveneens vermeld dat de brandstoftank een capaciteit heeft van 5.000 liter. Aanvankelijk stond met betrekking tot die capaciteit niets op de factuur vermeld, een en ander werd aangevuld op uitdrukkelijk verzoek van [appellanten] nadat zij de in 4.2.2. genoemde, door [werknemer geïntimeerde] gecorrigeerde vermelding van 2.500 liter hadden gezien.
4.2.4. Bij gelegenheid van de koop kwamen partijen tevens de koop van enige extra's overeen ad DM 20.674,13, waaronder 3000 liter diesel (factuur 96.114). Voorts dienden [appellanten] de kosten van een door een deskundige uit te voeren inspectie te betalen ad f 3.271,20.
4.2.5. In de specificatie, behorend bij de koopovereenkomst staat bij de leveringsvoorwaarden vermeld: "Lieferung: ab Werft [vestigingsplaats] und gemäss Hiswa-Bedingungen" en "Ablieferung: in [vestigingsplaats]". In de koopovereenkomst zelf staat vermeld "Geplante Lieferfrist: 14-11-'96 in Riviera Südfrankreich". Het jacht is door [GEÏNTIMEERDE], op kosten van [appellanten], naar Zuid Frankrijk vervoerd. Voor de transportkosten is door [appellanten] f 15.000,-- aan [GEÏNTIMEERDE] betaald.
4.2.6. In februari 1997 konden [appellanten] minder liter diesel tanken dan zij op grond van de stand van de brandstofmeter verwachtten. Een monteur van [GEÏNTIMEERDE] deelde toen aan [appellanten] mede dat hij dacht dat de brandstofmeter defect was. Op 15 mei 1997 hebben monteurs van [GEÏNTIMEERDE] bij gelegenheid van reparaties aan het jacht aan [appellanten] medegedeeld dat de capaciteit van de brandstoftank geen 5.000 liter bedroeg, maar aanzienlijk minder. Inmiddels staat vast dat die capaciteit 3.500 liter bedraagt.
4.2.7. Op 21 mei 1997 heeft de Duitse advocaat van [appellanten] de koopovereenkomst ontbonden, welke ontbinding niet door [GEÏNTIMEERDE] is aanvaard. Als reden voor de ontbinding heeft de advocaat aangevoerd dat de tankcapaciteit van het jacht te gering is en dat de uitgang van de verwarmingsinstallatie aan de zijkant is aangebracht. [appellanten] vorderden terugbetaling van de koopsom ad DM 1.850.000 en van het sub 4.2.4 genoemde bedrag van DM 20.674,13. Na betaling van die bedragen zou [GEÏNTIMEERDE] het jacht in Frankrijk kunnen ophalen.
4.3. [appellanten] vorderen in dit geding van [GEÏNTIMEERDE] betaling van de koopsom ad DM 1.850.000, vermeerderd met het sub 4.2.4. vermelde bedrag van DM 20.674,13, met f 18.271,20 terzake van transport- en inspectiekosten, met beslagkosten en met de incassokosten van de Duitse raadsman van [appellanten] ad DM 7.158,75.
4.3.1. [GEÏNTIMEERDE] vordert in onvoorwaardelijke reconventie van [appellanten] betaling van f 12.346,90 wegens haar factuur d.d. 27 juni 1997 en in voorwaardelijke reconventie een bedrag op te maken bij staat wegens ongerechtvaardigde verrijking vanwege het gebruik van het jacht.
4.3.2. In haar tussenvonnis van 23 juni 1998 heeft de rechtbank [appellanten] toegelaten te bewijzen dat zij voor de totstandkoming van de koopovereenkomst aan [GEÏNTIMEERDE] te kennen hebben gegeven dat een tankcapaciteit van 5.000 liter brandstof voor hen van essentieel belang was en dat monteurs van [GEÏNTIMEERDE] op 15 mei 1997 aan hen hebben medegedeeld dat uitbreiding van de brandstoftankcapaciteit niet mogelijk was.
In het eindvonnis van 30 maart 1999 heeft de rechtbank [appellanten] niet geslaagd geacht in de bewijslevering, beslist dat de zijwaartse uitlaat van de verwarmingsinstallatie geen grond oplevert voor ontbinding van de koopovereenkomst, evenmin de door [appellanten] genoemde gebreken aan de telefooninstallatie en de waterzuiveringsinstallatie en de vordering in conventie afgewezen. De vordering in reconventie heeft de rechtbank toegewezen.
4.4. Partijen gaan er beiden van uit dat op het onderhavige geschil Nederlands recht van toepassing is, alsmede dat de HISWA-voorwaarden van toepassing zijn.
Ook voor het hof is dit het uitgangspunt.
4.5. De kern van het geschil in conventie vormt de vraag of [appellanten] terecht en op goede gronden de koopovereenkomst hebben ontbonden. Zij hebben daarbij in de brief van 21 mei 1997 zich beroepen op de te kleine tankinhoud en de plaats van de uitlaat van de verwarmingsinstallatie, terwijl zij zich in de loop van de procedure ook hebben beroepen op gebreken in de waterzuiveringsinstallatie en de telefooninstallatie, alsmede op een te geringe kruissnelheid van het schip.
4.5.1. [appellanten] hebben van [GEÏNTIMEERDE] een individueel bepaalde zaak gekocht, te weten het motorjacht genaamd Escape. Om te beoordelen aan welke eisen dit jacht moet voldoen is bepalend wat partijen ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst hebben afgesproken omtrent de eigenschappen van deze zaak, waarbij het aankomt op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Het gaat er niet om of [appellanten] de "kanaalversie" of een andere versie van de Vitesse 1800 hebben gekocht, maar om welke eigenschappen dit specifieke schip had ten tijde van de koopovereenkomst alsmede welke eigenschappen [appellanten] redelijkerwijs mochten verwachten, gegeven de informaties die zij voor en tijdens het sluiten van de koopovereenkomst van [GEÏNTIMEERDE] hebben ontvangen.
4.5.2. Bij de beoordeling hiervan ten aanzien van de tankcapaciteit zijn de navolgende feiten en omstandigheden van belang.
* In de koopovereenkomst staat vermeld dat het jacht een brandstoftank heeft met 5.000 liter inhoud;
* Op een specificatie omtrent de Escape, voor het sluiten van de koopovereenkomst aan [appellanten] verstrekt, is na een opmerking van [appellanten] daarover, de tankinhoud "2500 liter" handmatig zijdens [GEÏNTIMEERDE] doorgehaald en veranderd in "5000 liter";
* Op de door beide partijen geparafeerde specificatie, behorend bij de koopovereenkomst staat als tankinhoud "5000 liter" vermeld;
* Op de factuur staat eveneens "5000 liter" vermeld, welke vermelding door [GEÏNTIMEERDE] op speciaal verzoek van [appellanten] is aangebracht;
4.5.3. Uit deze feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd vloeit naar het oordeel van het hof voort dat partijen zijn overeengekomen dat het door [GEÏNTIMEERDE] aan [appellanten] verkochte schip een tankinhoud van 5.000 liter had.
4.5.4. Het standpunt van [GEÏNTIMEERDE] dat het getal 5.000 een vergissing is, per abuis in het koopcontract opgenomen, verwerpt het hof. Dit is niet aannemelijk gezien het feit dat het getal is vermeld in publicaties, de overeenkomst en de factuur en het feit dat [werknemer geïntimeerde] het getal op de specificatie op verzoek van [appellanten] heeft gewijzigd. Als er al van een vergissing sprake zou zijn, dan was deze voor [appellanten] niet kenbaar en komt zij voor risico van [GEÏNTIMEERDE].
4.5.5. De mededelingen van verkoper [GEÏNTIMEERDE] waren op dit punt zodanig eenduidig en duidelijk dat [appellanten] daaraan niet behoefden te twijfelen en geen nader onderzoek hiernaar behoefden te doen. Dit zou mogelijk anders zijn indien op eenvoudige wijze zou zijn te constateren dat de inhoud van de brandstoftank kleiner dan 5.000 liter was. Dat is echter niet het geval. Dat blijkt reeds uit het feit dat ook een monteur van [GEÏNTIMEERDE] zich aanvankelijk vergiste (zie 4.2.6.). De brandstofmeter geeft, zo stellen [appellanten], hetgeen door [GEÏNTIMEERDE] niet is betwist, slechts de relatieve inhoud van de tank weer, zodat aan de brandstofmeter niet is te zien wat de capaciteit van de tank is. Het feit dat [appellanten] op het peilglas dat zich onder in het schip bij de brandstoftank bevindt, hadden kunnen aflezen dat aldaar "3000 liter" staat vermeld doet hier niet aan af, nu niet vaststaat dat [appellanten] op eenvoudige wijze dit peilglas konden aflezen.
4.6. Nu vaststaat dat de brandstoftank feitelijk geen 5.000 liter inhoud had, staat naar het oordeel van het hof hiermee reeds vast dat het motorjacht Escape niet de eigenschappen had die [appellanten] op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten. Of ook de andere tekortkomingen waarop [appellanten] zich beroepen zich voordoen, behoeft het hof daarom niet te onderzoeken. [GEÏNTIMEERDE] heeft derhalve niet conform de koopovereenkomst gepresteerd, hetgeen een tekortkoming door [GEÏNTIMEERDE] oplevert.
4.7. Deze tekortkoming geeft [appellanten] in beginsel het recht de koopovereenkomst te ontbinden. Dit zou alleen anders zijn indien deze tekortkoming gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis een ontbinding niet rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof is door [GEÏNTIMEERDE] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat deze in art. 6:265 lid 1 slot BW genoemde uitzondering zich hier voordoet, hetgeen op haar weg zou hebben gelegen. Het gaat immers om een aanzienlijke afwijking van de overeengekomen tankinhoud, die belangrijke gevolgen heeft voor de actieradius van het schip.
4.7.1. Niet juist is daarom naar het oordeel van het hof de overweging van de rechtbank dat deze tekortkoming de ontbinding slechts zou rechtvaardigen, indien [appellanten] bij de totstandkoming van de koop aan [GEÏNTIMEERDE] kenbaar hebben gemaakt dat een tankinhoud van 5000 liter voor hen essentieel was en ten onrechte heeft zij [appellanten] met het bewijs daarvan belast.
4.7.2. Het voorgaande brengt derhalve met zich dat de grieven I tot en met V, welke gericht zijn tegen het tussenvonnis, slagen.
4.8. [GEÏNTIMEERDE] stelt dat [appellanten] de koopovereenkomst rauwelijks hebben ontbonden, zonder haar tevoren ingebreke te stellen, en dat reeds hierom de vordering van [appellanten] dient te stranden.
4.8.1. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat uit artikel 12 lid 2 van de HISWA-voorwaarden voortvloeit dat voor ontbinding van de koopovereenkomst niet vereist is dat sprake is van verzuim. Dit standpunt verwerpt het hof, nu de algemene regel dat voor het aannemen van een tekortkoming verzuim nodig is, door dit artikel niet terzijde wordt gesteld.
4.8.2. Naar het oordeel van het hof doet zich hier echter de situatie voor dat ingebrekestelling niet nodig is, omdat nakoming blijvend onmogelijk is. Indien het al technisch uitvoerbaar zou zijn de brandstofcapaciteit van het schip uit te breiden, dan zou dit gepaard gaan met veel ongemak en ten koste gaan van andere van belang zijnde aspecten van het schip, zoals ruimte, indeling en snelheid.
4.8.3. Evenmin slaagt naar het oordeel van het hof het beroep van [GEÏNTIMEERDE] op rechtsverwerking c.q. verval van recht. [appellanten] hebben eerst op 15 mei 1997 definitief ontdekt dat de tankinhoud geringer was dan was overeengekomen. [appellanten] hebben op 21 mei 1997 de koopovereenkomst ontbonden. De termijn van 10 dagen, genoemd in art. 9 van de HISWA-voorwaarden is derhalve niet overschreden.
4.8.4. Voor zover grief VI ervan uitgaat dat voor ontbinding geen verzuim nodig is, faalt de grief.
4.9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [appellanten] met recht op 21 mei 1997 de koopovereenkomst met betrekking tot het motorjacht Escape hebben ontbonden op grond van het feit dat het schip niet de overeengekomen eigenschap bezat. Dat betekent dat beide vonnissen voor zover in conventie gewezen moeten worden vernietigd, zodat grief XV slaagt en de grieven VII tot en met XIV verder geen bespreking behoeven.
4.10. Op partijen rusten derhalve de verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen zij ter uitvoering van deze koopovereenkomst hebben verricht. Dit houdt in dat [appellanten] het schip met alle daarbijbehorende extra's, als omschreven in factuur nr 96.114, naar zijn aard met uitzondering van de diesel, moeten terugleveren aan [GEÏNTIMEERDE]. Ten aanzien van deze ongedaanmakingsverplichting door [appellanten] is door partijen geen plaats van nakoming bepaald. De aflevering van het schip, een individueel bepaalde zaak, dient derhalve in overeenstemming met art. 6:41 sub a BW te geschieden op de plaats waar het schip zich ten tijde van het ontstaan van de ongedaanmakingsverplichting op 21 mei 1997 bevond, zijnde de toenmalige ligplaats. Terecht hebben [appellanten] derhalve medegedeeld dat [GEÏNTIMEERDE] het schip in Frankrijk zou kunnen ophalen.
4.11. [GEÏNTIMEERDE] zal aan [appellanten] dienen terug te betalen hetgeen [appellanten] terzake van de koopovereenkomst aan haar hebben voldaan, vermeerderd met wettelijke rente. [GEÏNTIMEERDE] voert verweer tegen de posten wegens beslagkosten en incassokosten van de Duitse advocaat.
4.11.1. Omdat [GEÏNTIMEERDE] niet bereid was tot betaling in der minne hebben [appellanten] terecht beslag doen leggen. Uit de zich in het dossier van [appellanten] bevindende beslagstukken blijkt dat de wettelijke vereisten en termijnen zijn in acht genomen. Niet valt in te zien waarom deze kosten niet voor toewijzing in aanmerking zouden komen. De vordering is op dit punt derhalve toewijsbaar.
4.11.2. Degene die niet bedongen buitengerechtelijke incassokosten vordert, dient te stellen en te specificeren dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de artikelen 56 en 57 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Ter ondersteuning van dit onderdeel van hun vordering hebben [appellanten] slechts een kopie overgelegd van de wettelijke bepalingen omtrent de Duitse tarieven. [appellanten] hebben niet voldoende gemotiveerd betwist dat hun advocaat zich heeft beperkt tot het schrijven van enkele korte brieven, die geacht worden te zijn begrepen in een eventuele proceskostenveroordeling. Dit onderdeel van de vordering zal daarom als niet voldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.12. Nu de voorwaarde voor de instelling van de voorwaardelijke reconventionele vordering van [GEÏNTIMEERDE] is vervuld, zal het hof thans deze vordering bespreken.
4.12.1. [GEÏNTIMEERDE] heeft gevorderd dat, indien geoordeeld zal worden dat [GEÏNTIMEERDE] de koopprijs van het jacht aan [appellanten] zal moeten terugbetalen, [appellanten] veroordeeld dienen te worden tot betaling van een vergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, wegens ongerechtvaardigde verrijking vanwege het gebruik van het schip.
4.12.2. [GEÏNTIMEERDE] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie wettigen dat de geleden schade nog niet (voldoende) kan worden vastgesteld.
De schade dient derhalve in deze procedure te worden begroot.
4.12.3. Voor een actie uit ongerechtvaardigde verrijking is vereist dat ten koste van een ander een verrijking heeft plaatsgehad. Het enkele feit dat het schip in de loop der jaren in waarde is verminderd levert geen verrijking van [appellanten] op, zodat de vordering niet toewijsbaar is voor zover zij daarop is gegrond.
4.12.4. Wel zullen [appellanten] naar het oordeel van het hof aan [GEÏNTIMEERDE] een redelijke gebruiksvergoeding dienen te betalen voor het genot dat zij van het schip hebben gehad. [appellanten] hebben gesteld dat zij kosten hebben gemaakt, die van genoemde vergoeding moeten worden afgetrokken. Het hof behoeft van beide partijen nadere inlichtingen op deze punten. [GEÏNTIMEERDE] zal zich gedocumenteerd dienen uit te laten omtrent de hoogte van een redelijke gebruiksvergoeding, terwijl [appellanten] dienen mede te delen gedurende welke perioden zij het schip hebben gebruikt en gedocumenteerd dienen aan te geven welke kosten zij aan het schip hebben besteed en in welke periode dat gebeurde. Het hof zal daartoe de zaak naar de rolzitting verwijzen voor een akte aan de zijde van [GEÏNTIMEERDE].
Teneinde de procedure zoveel mogelijk te bespoedigen wordt [appellanten] in overweging gegeven hun opgave op voorhand aan de procureur van [GEÏNTIMEERDE] te doen toekomen, zodat deze daarop desgewenst reeds in de akte kan reageren. Partijen wordt in overweging gegeven daarover in onderling overleg te treden en er melding van te maken of aan dit voorstel gevolg is gegeven.
4.13. In reconventie heeft [GEÏNTIMEERDE] voorts gevorderd betaling van een bedrag van f 12.346,90 ter zake van werkzaamheden, uitgevoerd in opdracht van [appellanten] (factuur d.d. 27 juni 1997). Deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden vóór 21 mei 1997. Tegen toewijzing van deze vordering zijn de grieven XVI en XVII gericht.
4.13.1. Deze vordering betreft ten eerste de kosten voor de reparatie van de waterzuiveringsinstallatie en de levering van filterelementen. [appellanten] hebben aangevoerd dat de waterzuiveringsinstallatie vanaf het begin niet goed functioneerde, daar de filters steeds verstopt raakten.
Uit het feit dat deze installatie moest worden gerepareerd kan worden afgeleid dat de installatie niet goed functioneerde. [GEÏNTIMEERDE] had een schip met een goed werkende waterzuiveringsinstallatie moeten leveren. Niet is gesteld of gebleken dat de reparaties veroorzaakt zijn door onjuist gebruik door [appellanten] dan wel andere omstandigheden die in de risicosfeer van [appellanten] liggen. Deze kosten komen derhalve niet voor vergoeding door [appellanten] in aanmerking.
4.13.2. Ten tweede vordert [GEÏNTIMEERDE] de kosten voor het plaatsen van een kap op de verwarmings-uitlaat. Naar het oordeel van het hof is dit onderdeel van de vordering toewijsbaar. [appellanten] hebben een schip gekocht waarvan de uitlaat van de verwarmingsinstallatie zich aan de zijkant bevond. Als dit al zou moeten worden gezien als een gebrek van het schip, dan komt het risico daarvan voor rekening van [appellanten], nu zij deze zij-uitlaat vóór de koop hebben kunnen constateren. [appellanten] hebben opdracht gegeven de uitlaat te veranderen en zullen zelf de kosten, gemoeid met deze opdracht, dienen te dragen.
4.13.3. De reis-en verblijfskosten voor werknemers van [GEÏNTIMEERDE], eveneens opgenomen in de factuur van 27 juni 1997, verlaagt het hof gelet op het bovenstaande naar rato tot een bedrag van f 2940,--.
4.13.4. Toewijsbaar is derhalve f 5.293,-- te vermeerderen met 17,5 % BTW en de wettelijke rente vanaf 11 juli 1997 tot aan de dag der voldoening.
4.13.5. Grief XVI slaagt derhalve en grief XVII gedeeltelijk.
4.14. Nu het hof nadere inlichtingen nodig heeft voor beoordeling van de vordering in reconventie, zal het de beslissing in conventie aanhouden totdat ook in reconventie kan worden beslist.
5. De beslissing
In conventie en reconventie:
Het hof verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 maart 2001 voor akte aan de zijde van [GEÏNTIMEERDE] met het onder 4.12.4. vermelde doel;
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, Huijbers-Koopman en Fikkers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 februari 2001.