Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0138

Datum uitspraak2000-07-05
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers160-R-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 5 juli 2000 Rek.nummer: 160-R-00 Rek.nr rb.: 99-7858 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam vader], wonende te [woonplaats vader], Frankrijk, verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, tegen [naam moeder], wonende te [woonplaats moeder], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, procureur mr. W. Taekema. HET GEDING Uit de relatie van de partijen die geduurd heeft van september 1990 tot februari 1991 is op 28 augus-tus 1991 [naam kind] gebo-ren, die naar Frans recht door de vader is erkend. De vader heeft de rechtbank te Rotterdam verzocht een omgangs-regeling vast te stellen volgens zijn voorstel en/of de moeder te ver-plichten de vader vier keer per jaar te infor-me-ren over de ontwikkelin-gen van [naam kind] op min-stens een ge-schre-ven A-4 met toe-zending van een foto. Bij beschikking van 11 januari 2000 heeft de rechtbank de vader niet-ontvankelijk verklaard in deze verzoeken. De vader is van die beschikking op 9 maart 2000 in hoger beroep geko-men en heeft verzocht deze te vernietigen en alsnog te bepalen conform zijn verzoek in eerste aanleg. De moeder heeft een verweerschrift ingediend waarin wordt verzocht de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verkla-ren, althans zijn verzoek af te wijzen en de vader te veroor-delen in de kosten van het geding in beide instanties. Op 3 mei 2000 is de zaak mondeling behandeld. BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP 1. De vader stelt dat er tussen [naam kind] en hem "family-life" is ontstaan, zodat de rechtbank ten onrechte heeft geoor-deeld, dat hij niet-ontvankelijk is in zijn beide verzoeken. De moeder stelt primair dat er geen "family-life" is. 2. Nu vaststaat dat de vader [naam kind] niet naar Nederlands recht erkend heeft, dient bekeken te worden of de vader ingevolge artikel 1:377f BW in een nauwe persoon-lijke betrek-king tot het kind staat. Hiertoe is vereist dat hij, naast het biologische vaderschap, bijkomende omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit blijkt dat hij in een nauwe persoonlijke betrek-king tot het kind staat die kan worden aangemerkt als "family-life" in de zin van artikel 8 van het EVRM. 3. Vast staat dat de vader de biologische vader is van [naam kind] en dat de partijen gedurende de periode van september 1990 tot februari 1991 een relatie hebben gehad. Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat de partijen op 15 sep-tember 1997 samen een omgangsregeling hebben afgespro-ken, die is vast-ge-legd in een brief van mr. Willems d.d. 16 september 1997 aan de toenmalige advocaat van de moeder: De vader zal éénmaal per maand in het bijzijn van de moeder een weekeinde omgang hebben met [naam kind], en zal tweemaal per jaar één week gezamenlijk met de moeder en de minderjarige een vakantie doorbrengen. Nadat de partij-en deze over-eenstem-ming hadden be-reikt, heeft de vader zijn toen lopende verzoek tot erkenning van [naam kind] naar Nederlands recht ingetrokken. 4. In september 1997 heeft de vader [naam kind] voor het eerst be-zocht. Geduren-de de herfstvakantie en de kerstvakan-tie in 1997 hebben de moeder en [naam kind] een week verbleven in Frankrijk in een appar-tement in de buurt van de boerderij van de ouders van de vader. De omgang is in februari 1999 beëin-digd. Uit het be-sprokene ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de omgangsrege-ling, die tussen de partijen voor onbepaalde tijd was overeen-gekomen en feitelijk anderhalf jaar is nagekomen, bedoeld was om de band tussen [naam kind] en de vader te laten groeien. Door deze kontakten is ook een band ont-staan. Dat de kontakten in februari 1999 zijn afgebroken - de stand-punten van de partijen om-trent de reden van het stop-zet-ten verschil-len sterk - doet hieraan niet af. 5. Naar het oordeel van het hof is op grond van de genoemde feiten en omstandigheden - anders dan de moeder stelt - aanne-me-lijk geworden dat de vader in een nauwe persoonlijke betrek-king tot [naam kind] staat en dat er een band tussen hem en [naam kind] bestaat die kan worden aange-merkt als "family-life" in de zin van artikel 8 van het EVRM. De vader kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen. 6. De vader heeft in hoger beroep aangevoerd, dat het belang van [naam kind] ermee is gediend, dat de omgang in eni-ger-lei vorm wordt gecontinueerd. Volgens de vader is in het kader van de eerder afgesproken omgang nimmer geble-ken van onrust danwel negatieve gevoelens bij [naam kind]. Nadat de afge-sproken omgang een groot aantal maanden zonder enig probleem is verlopen, heeft de moeder volgens de vader beslo-ten om aan de om-gang een eind te maken zonder dat de vader aanwij-zing heeft gehad dat [naam kind] voor dit besluit enige aanleiding heeft gegeven. De moeder is er ten onrechte beducht voor, dat de vader tracht door middel van de omgang [naam kind] in zijn levenssfeer te trek-ken. De vader wenst evenwel niet meer of minder dan nakoming van de omgangs-regeling zoals deze tussen de partijen was afgesproken. Subsidiair verzoekt de vader een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad). 7. De moeder heeft geen bezwaar tegen een raadsonderzoek, doch voor [naam kind] acht zij dit te belastend. Zij erkent dat de omgang in februari 1999 is beëindigd. Volgens haar kwam dit omdat de omgang niet goed verliep en omdat de partijen in het kader van een bemiddeling hadden afgesproken de omgang stop te zet-ten. Zowel [naam kind] als de moeder wer-den - aldus de moeder - zeer gespannen van de omgang. Tussen [naam kind] en de vader klikte het niet, waarna de moeder na lang wikken en wegen besloot om de omgang stop te zetten. De moeder meent dat het niet in [naam kind] belang is om omgang met zijn biologische vader te hebben. Mocht [naam kind] in de toekomst weer belang-stel-ling tonen, dan zal de moeder [naam kind] stimuleren contact op te nemen met de vader. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader, hetgeen zij naar [naam kind] uitstraalt. De moeder heeft ter zitting erkend dat het in stand houden van een band tussen [naam kind] en zijn vader [naam kind] geen kwaad zou doen, doch heeft daar zelf, gezien het verleden, grote moeite mee. 8. In het algemeen is het in het belang van een kind dat het contact heeft met de niet verzorgende ouder. Deze heeft ook recht op omgang met het kind, tenzij zwaar-wegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. Het hof is van dergelijke omstandigheden niet geble-ken en is van oordeel dat het in het belang van [naam kind] is dat de band tussen de vader en hem blijft bestaan, welke band evenwel losser moet zijn dan in een ge-bruikelijke om-gangs-regeling, zoals drs. Plak namens de raad in eerste aanleg heeft gemotiveerd. [naam kind] was zes jaar, toen hij de vader voor het eerst zag. Voor zowel [naam kind] als de vader is het moeilijk om vanuit zo'n laat start-punt een rela-tie op te bouwen, waarbij ook de taal-bar-rière een rol speelt. In dit kader is het niet onlogisch dat de ouders een zeer verschil-lende perceptie hebben van het verloop van de omgang. Begrij-pelijkerwijs hebben gebeurtenissen in het verleden het ver-trouwen van de moeder in de vader verminderd, doch het hof is niet geble-ken dat om-gang in strijd is met [naam kind] belangen. 9. Gebleken is dat de vader zich in de afgelo-pen jaren veel moeite getroost heeft om vanuit Zuid-Frankrijk (retour 2700 kilome-ter) een relatie op te bouwen met [naam kind]. Deze band kan alleen groei-en, wan-neer de kontakten, zij het minder frequent dan door de vader verzocht, worden voortge-zet zodat het nega-tieve vader-beeld dat [naam kind] heeft kan worden doorbro-ken. De vader heeft ter zitting verklaard in te zien dat eventuele omgang voor-zich-tig dient te worden voortge-zet. 10. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en heeft geen behoefte aan nog een, voor [naam kind] belastend, raadsonderzoek. 11. In het licht van de omstandigheden acht het hof het vol-gende het meest in het belang van [naam kind]: - in 2000 eenmaal omgang in de zomervakantie van vier dagen en drie nachten aaneengesloten in Neder-land, - in de zomervakantie van 2001 eenmaal omgang van vier dagen en drie nachten aaneengesloten in Frankrijk en omstreeks december een-maal even lang omgang in Nederland, - in de zomervakantie van 2002 eenmaal omgang van vijf dagen en vier nachten aaneengesloten in Nederland en omstreeks december een-maal omgang van vier dagen en drie nachten aaneen-gesloten in Frank-rijk, - in de zomervakan-tie van 2003 eenmaal omgang van ten minste zes dagen en vijf nachten in Frankrijk. 12. Vervolgens komen bezoeken van langere duur binnen [naam kind] mogelijk-heden en wordt het tijd de afspra-ken over tijden en plaatsen in over-leg met hem te wijzigen. 13. Voorts dient de moeder de vader iedere drie maanden op de hoogte te houden van de ontwikkelingen van [naam kind] door middel van minstens een geschreven A-4 en van tijd tot tijd een recente, goedgelijkende foto naar hem op te sturen. 14. Het hof gaat er van uit dat de moeder zich ook overi-gens de nodige inspanningen zal getroosten om het (negatieve) beeld dat [naam kind] van zijn vader heeft, in positieve zin om te buigen en zijn kennis van het Frans extra te stimuleren. Anderzijds gaat het hof ervan uit dat de vader zich het hele jaar door ertoe blijft inspan-nen [naam kind] door middel van schriftelijk en af en toe telefonisch contact - zij spreken samen Nederlands - op de hoogte te houden van zijn doen en laten, mede ter voor-be-reiding van [naam kind] jaarlijkse bezoek. BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking; bepaalt dat tussen de vader en [naam kind] een omgangsregeling zal bestaan zoals onder rechtsoverweging 11 is weergege-ven; stelt een informatieregeling vast zoals onder 13 weergege-ven; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. Koning, Van den Wilden-berg en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door Lekahena als grif-fier, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 5 juli 2000.