
Jurisprudentie
AB0137
Datum uitspraak2000-06-28
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers623-D-99
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers623-D-99
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 28 juni 2000
Rek.nummer: 623-D-99
Rek.nr rb.: 16482/FA RK 97-7451
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats vader],
verzoeker,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. B.C.V.J. van Leur,
tegen
[naam moeder],
wonende te [woonplaats moeder],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. M.M. Menheere.
HET GEDING
Krachtens beschikking van 6 mei 1998 van de rechtbank te Dordrecht is de moeder na echtscheiding alleen belast met het gezag over de minderjarige kinderen van de ouders, te weten:
[naam kind 1], geboren op 3 juni 1991;
[naam kind 2], geboren op 29 april 1994.
Bij beschikking van 14 juli 1999 heeft de rechtbank te Dordrecht het verzoek van de vader tot het treffen van een omgangsregeling afgewezen en een informatieregeling vast-gelegd - uitvoerbaar bij voorraad - inhouden-de dat de moeder de vader aan het begin van ieder kwartaal per brief informeert omtrent de ontwikkeling van de beide kinderen. Tevens dienen bij die gelegenheid de laatste schoolrapporten, alsmede enkele recente foto’s te worden meegezonden.
De vader is van deze beschikking op 13 september 1999 in hoger beroep geko-men en heeft het hof ver-zocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en zijn minderjarige kinderen, inhoudende dat de man de kinderen gedurende één weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij zich mag hebben, althans een omgangsregeling vast te stellen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren.
De moeder heeft een verweerschrift ingediend waarin zij verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans zijn grieven ongegrond te verklaren.
Op 1 december 1999 is de zaak mondeling behandeld en aangehouden om vijf proefcontacten tussen de vader en de kinderen te laten plaatsvinden, waarna een evaluatiegesprek zou plaatsvinden. De Raad voor de Kinderbescherming Dordrecht, hierna: de raad is daarbij verzocht rapport uit te brengen aan het hof.
Op 24 mei 2000 is de zaak wederom mondeling behandeld. Als belang-hebbenden zijn verschenen namens de raad, de heer Hoek. Stichting Jeugdbescherming Dordrecht is, hoewel daartoe behoor-lijk opgeroepen, niet versche-nen.
BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
1. Door de vader is in eerste aanleg een omgangsregeling verzocht met de beide kinderen. Tijdens de procedure in eerste aanleg is geprobeerd om proefcontacten op te starten tussen de vader en de kinderen. De raad heeft op verzoek van de rechtbank diverse malen geprobeerd om proefcontacten te realiseren, hetgeen niet is gelukt. Ook het hof heeft nogmaals geprobeerd om proefcontacten tot stand te brengen en de zaak daartoe op 1 december 1999 aangehouden. De raad heeft op 21 maart 2000 rapport en advies uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat er uiteindelijk twee proefcontacten hebben plaatsgevonden, die uiterst moeizaam zijn verlopen. De vader is van mening dat de kinderen door de moeder een negatief vaderbeeld wordt voorgehouden. In het bijzonder [naam kind 1] is als gevolg daarvan in een ernstig loyaliteitsconflict terechtgekomen en wordt daardoor belemmerd in zijn ontwikkeling.
De vader heeft zich tot de rechtbank te Dordrecht gericht met een verzoek tot onder toezichtstelling van [naam kind 1] en [naam kind 2].
De rechtbank heeft bij beschikkingen van 29 maart 2000 positief op deze verzoeken beslist. Voor de termijn van een jaar zijn de kinderen onder toezicht gesteld, met benoeming van de Stichting Jeugdbescherming Dordrecht tot gezinsvoogd. Tegen deze beschikkingen is geen rechtsmiddel ingebracht.
De vader vindt het in het belang van de kinderen dat zij wel omgang met hem kunnen hebben en verzoekt dan ook om een omgangsregeling van een weekend per veertien dagen. Het feit dat de proefcontacten onder begeleiding van de raad - buiten zijn schuld, aldus de vader - als mislukt kunnen worden beschouwd, ligt ten grondslag aan voornoemde verzoeken van de vader tot ondertoezichtstelling van de kinderen.
2. De moeder meent dat de kinderen negatief reageren op de proefcontacten met de vader. Voorts is zij er van overtuigd dat de vader zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag. Zij meent dan ook dat zwaarwegende belangen zich tegen een omgangsregeling verzetten en verzoekt het hof de bestreden beschikking in stand te laten. Aan de ondertoezichtstelling zegt de moeder haar medewerking te willen verlenen.
3. Uit het rapport van het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg van 17 december 1997 blijkt dat er geen aanwijzingen zijn van seksueel misbruik. Ook overigens ziet het bureau geen contra-indicaties voor een omgangsregeling. Contact tussen vader en kinderen zou de kinderen gelegenheid geven zich een genuanceerder beeld van hun vader te verwerven. Geadviseerd wordt tot het onder begeleiding langzaam op gang brengen van een omgangsregeling.
4. Blijkens het rapport van de raad van 2 mei 1997/6 mei 1998 is niet van een contra-indicatie voor het vaststellen van een omgangsregeling gebleken. Ook in het rapport van 17 juli 1998 wordt geadviseerd een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank te Dordrecht heeft de kinderen onder toezicht gesteld, overwegende dat de kinderen door de krampachtige wijze waarop de moeder meent invulling te geven aan haar ouderlijk gezag zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen ernstig worden bedreigd. De rechtbank verwijst daarbij naar de houding van de moeder met betrekking tot de omgangsregeling. Bij monde van de heer Hoek is ter terechtzitting voorgesteld een omgangsregeling vast te stellen als volgt: een dagdeel per veertien dagen, onder begeleiding van de gezinsvoogd.
5. Het hof overweegt dat omgang met de vader geen ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, dat omgang ook niet anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen en zal het advies van de raad om een omgangsregeling onder begeleiding van de gezinsvoogd te laten plaatsvinden, volgen. Het vorenstaand brengt met zich mee dat de bestreden be-schik-king van de recht-bank in zoverre dient te worden ver-nie-tigd.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voorzo-ver daarbij het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen;
bepaalt dat er tussen de vader en de minderjarige kinderen een omgangsregeling zal bestaan inhoudende een dagdeel per veertien dagen onder begeleiding van de gezinsvoogd;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema-Andreae-Hartsuiker, de Bruijn-Lückers en Van Montfoort, bijge-staan door mr. Vink als grif-fier, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 28 juni 2000.
Wegens afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer.