Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0136

Datum uitspraak2000-09-13
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers184-R-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 13 september 2000 Rek. nr. : 184-R-00 Rek.nr. rb. : FA RK 98-5233 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam vrouw], wonende te [woonplaats vrouw], verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. E.H. van Staden ten Brink, tegen [naam man], wonende te [woonplaats man], verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. H.C. Grootveld. HET GEDING Bij beschikking van 21 april 1999 heeft de rechtbank te Rot-terdam tussen de par-tijen, met elkaar gehuwd op 26 juli 1957, de echt-scheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 9 sep-tember 1999. Bij opvolgende beschikking van 19 januari 2000 heeft de recht-bank de vrouw ƒ 2.350,- per maand alimenta-tie opgelegd voor het le-venson-derhoud van de man (vermeerderd met indexering) en is de door de man aan de vrouw te betalen vergoeding ter zake van voortgezet ge-bruik van de echtelijke woning bepaald op ƒ 450,- per maand. De vrouw is van de beschikking van 19 januari 2000 op 17 maart 2000 in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht deze te vernietigen en de man in zijn verzoek om een bijdrage in zijn levensonderhoud niet-ontvanke-lijk te verklaren, althans hem dat verzoek te ontzeggen en de door hem vanaf 9 september 1999 aan de vrouw te betalen vergoeding ter zake van voortgezet gebruik van de echte-lijke woning te bepalen op ƒ 550,- per maand. De man heeft een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel inge-diend waarin hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en rekening te houden met zijn grief, genoemd onder punt 33 van dit beroepschrift (het hof leest: het incidentele appel). De vrouw heeft in het incidentele appel een verweerschrift ingediend waarin zij verzoekt de man in zijn appel niet ontvankelijk te verklaren, althans hem het appel te ontzeggen. Op 8 juni 2000 is bij het hof ingekomen een faxbericht met bijlagen van mr. A. Boer, de advocate van de man, en een faxbericht met bijlagen van mr. R.G.J.M. Onderdonck, de advocaat van de vrouw. Op 9 juni 2000 is bij het hof ingekomen een faxbericht met bijlage van mr. R.G.J.M. Onderdonck. Op 9 juni 2000 is de zaak mondeling behandeld. Op verzoek van de partijen is de behandeling van de zaak vervolgens twee weken aangehouden teneinde te bezien of zij alsnog tot overeenstemming zouden kunnen komen. Bij faxbericht van 23 juni 2000 heeft de advocate van de man het hof verzocht arrest te wijzen (het hof leest: een beschikking te geven) omdat de partijen geen consensus hebben bereikt. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP 1. De vrouw stelt dat de rechtbank de door de man aan haar te betalen vergoeding voor voortgezet gebruik van de voormalig echtelijke woning van partijen ten onrechte heeft bepaald op ƒ 450,- per maand. Zij voert daartoe aan dat de partijen terzake in onderling overleg een vergoeding van ƒ 550,- per maand overeen waren gekomen doch dat de man, in afwijking van die overeenstemming, slechts bereid blijkt tot betaling van een vergoeding van ƒ 450,- per maand. Gelet op het feit dat de door de man ingeschakelde makelaar de huurwaarde van de bovengenoemde woning in de huidige gestoffeerde staat heeft getaxeerd op ƒ 1.100,- per maand en er geen hypotheek op het huis rust, meent de vrouw dat een vergoeding van ƒ 550,- per maand gerechtvaardigd is. 2. De man heeft het bovenstaande betwist. De door hem ingeschakelde makelaar heeft hem desgevraagd medegedeeld dat de kale huurwaarde circa ƒ 750,- per maand zal bedragen. De volgens de man versleten meubilering en stoffering, die uit de jaren zestig dateren, zullen de huurwaarde van de woning in gemeubileerde staat niet tot ƒ 1.100,- per maand kunnen verhogen. Bovendien heeft hij, ondanks dat het huis vrij is van hypotheek, allerlei andere extra kosten voor de woning, zoals onder meer het schilderwerk en ander onderhoud. Gelet hierop acht de man een gebruiksvergoeding van ƒ 450,- per maand alleszins redelijk. 3. Vast staat dat de partijen ieder voor zich een makelaar hebben verzocht opgave te doen omtrent een te realiseren huuropbrengst van de echtelijke woning. Gelet op het feit dat blijkens die opgaven de te realiseren huuropbrengst varieert tussen ƒ 600,- en ƒ 1.300,- per maand en rekening houdend met het feit dat de woning, zoals de vrouw onweersproken heeft gesteld, een waarde onbezwaard heeft van circa ƒ 338.000,-, acht het hof een door de man aan de vrouw te betalen vergoeding van ƒ 550,- per maand voor voortgezet gebruik van de voormalig echtelijke woning redelijk, zodat de bestreden beschikking in zoverre moet worden vernietigd. 4. Vast staat dat beide partijen een inkomen hebben van circa ƒ 1.900,- netto per maand, zij het dat de vrouw daarnaast nog inkomen uit vermogen heeft, waaruit zij, naar zij zelf stelt, op jaarbasis een inkomen vóór belastingen en kosten zou kunnen realiseren van circa ƒ 36.870,-. 5. De vrouw heeft ter zitting de behoefte van de man gesteld op ƒ 1.400,- netto per maand, exclusief de bovengenoemde gebruiksvergoeding van de echtelijke woning. Het hof acht een door de vrouw aan de man te betalen aanvullende alimentatie redelijk, temeer omdat de partijen, hoewel de vrouw stelt dat het huwelijk de facto hooguit 25 jaar heeft geduurd, ruim veertig jaar met elkaar gehuwd zijn geweest. Bovendien betrekt het hof op dezelfde gronden als de rechtbank het vermogen van de vrouw bij het vroegere gezinsinkomen, al heeft zij het daaruit te realiseren rendement betwist. Het hof stelt het rendement op ƒ 35.000,- belastbaar, aansluitend bij de opgave van de vrouw na aftrek van redelijke kosten. Niet aannemelijk is dat het inkomen uit vermogen de welstand van de partijen tijdens hun samenleving niet heeft beïnvloed. Gelet hierop acht het hof het redelijk de behoefte van de man aan een aanvullende bijdrage van de vrouw, uitgaande van zijn inkomen en maandelijkse lasten, waaronder enige extra kosten in verband met zijn lichamelijke gesteldheid, zoals ter zitting reeds is besproken, in redelijkheid te stellen op ƒ 1050,- per maand. 6. Indien het hof bij het vaststellen van de draagkracht van de vrouw, die alleenstaande is, uitgaat van het bovengenoemde inkomen (inclusief het inkomen uit vermogen en de gebruiksvergoeding) en rekening houdt met alle door haar in hoger beroep opgevoerde lasten (servicekosten ƒ 298,-, forfaitaire eigenaarslasten ƒ 175,-, premie ziektekostenverzekering ƒ 68,- en herinrichtingskosten ƒ 250,-), volgt daaruit dat zij in staat is om ten behoeve van de man de bovengenoemde bijdrage van ƒ 850,- per maand te voldoen van 1 september 1999 tot 1 januari 2000 en, overeenkomstig de wettelijke indexering, ƒ 871,25 sindsdien, wel-ke ali-men-tatie in over-een-stem-ming is met de wettelijke maatsta-ven, zodat de bestreden uitspraak in zoverre moet worden vernie-tigd. Het hof merkt daarbij op dat tevens rekening is gehouden met de fiscale voordelen die de vrouw geniet. Tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdata zijn geen grieven gericht. Hetgeen de partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, leidt het hof niet een ander oordeel. BESLISSING Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de: bepaalt de door de vrouw aan de man te betalen alimentatie van 9 september 1999 tot 1 januari 2000 op ¦ 850,- per maand en met ingang van 1 januari 2000 op ƒ 871,25 per maand, wat de na heden te ver-schij-nen termij-nen be-treft bij vooruit-beta-ling te vol-doen; bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde vergoeding ter zake van voortgezet gebruik door de man van de voormalig echtelijke woning van de partijen met ingang van 19 januari 2000 op ƒ 550,- per maand; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voor-raad; wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Koning, De Bruijn-Lückers en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 13 september 2000. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.