Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0133

Datum uitspraak2000-09-13
Datum gepubliceerd2001-02-20
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers171-M-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 13 september 2000 Rek.nr. : 171-M-00 Rek.nr. rb.: 227/99 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam man], wonende te [woonplaats man], verzoeker, tevens voorwaardelijk inciden-teel verweer-der in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. W. Taekema, tegen [naam vrouw], wonende te [woonplaats vrouw], verweerder, tevens voorwaardelijk inciden-teel verzoe-ker in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. H.J.A. Knijff. HET GEDING Bij beschikking van 3 augustus 1995 heeft de rechtbank te Arnhem tussen de par-tijen, met elkaar gehuwd op 16 augustus 1972, de echt-scheiding uitgespro-ken, die is ingeschreven op 30 oktober 1995. Bij die beschikking heeft de rechtbank, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbe-schikking, de man ¦ 3.900,- per maand alimentatie opgelegd voor het levens-on-derhoud van de vrouw, met uitslui-ting van de wettelijke in-dexering zolang de man bij [naam werkgever man] werkt, naast een kinderalimentatie van ¦ 500,- per maand ten behoeve van de op 1 juni 1978 uit het huwelijk van de partijen geboren minderjarige [naam kind] (thans meerderjarig). Op 23 februari 1999 heeft de man de rechtbank te Middelburg ver-zocht de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 januari 1999 en 1 april 1999 te bepalen op res-pectievelijk ¦ 811,25 per maand en ¦ 569,15 per maand. De rechtbank heeft bij be-schikking van 19 januari 2000 - met wijziging van de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 augustus 1995 - de door de man aan de vrouw te betalen ali-mentatie over de perioden van 23 februari 1999 tot 1 april 1999, 1 april 1999 tot 1 juni 1999, 1 juni 1999 tot 1 juli 1999 en met ingang van 1 juli 1999 bepaald op respectievelijk ¦ 2.420,- per maand, ¦ 2.057,- per maand, ¦ 3.040,- per maand en ¦ 3.034,- per maand. De man is van de beschikking van 19 januari 2000 op 15 maart 2000 in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht deze te vernietigen en alsnog zijn oorspron-kelijke verzoek toe te wijzen, althans de alimentatie te bepalen op (een) dusdanig(e) bedrag(en) als het hof vermeent te behoren, doch lager dan de door de rechtbank vastgestelde bedragen. De vrouw heeft een verweerschrift, tevens houdende voorwaarde-lijk incidenteel appel inge-diend waarin zij verzoekt de man in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het beroep te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Bij het hof is ingekomen een brief van 8 mei 2000 met bijlagen van mr. L.A.M. van Vlerken, de advocaat van de vrouw. Op 9 juni 2000 is de zaak mondeling behandeld. Op respectievelijk 15 en 16 juni 2000 zijn bij het hof, zoals afgesproken ter zitting, van de zijde van de man en de vrouw jaaropgaven 1999 ingekomen. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTE-LE HOGER BEROEP Het hof rondt bedragen af op hele guldens. 1. De behoefte aan een door de man aan de vrouw te betalen alimentatie staat als niet bestreden vast, zij het dat de man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan een hoger bedrag dan de door de man in eerste aanleg gestelde ƒ 569,-, te minder daar de vrouw door uitbreiding van haar werkzaamheden - zij werkt met ingang van 6 september 1999 20 uur per week in de Thuiszorg - een hoger inkomen kan verdienen. Bovendien heeft de vrouw niet langer de zorg voor de kinderen van de partijen. 2. De vrouw, 48 jaar, heeft het bovenstaande gemotiveerd betwist. Zij vormt met de thans meerderjarige dochter van de partijen, die bij haar woont en aan haar uitsluitend een vergoeding voor eten en drinken betaalt, een gezin. Blijkens de jaaropgave 1999 heeft de vrouw over de periode van 6 september 1999 tot en met 31 december 1999 een inkomen ontvangen van ƒ 5.285,-. Tot 1 januari 2000 was de vrouw ingedeeld in tariefgroep 4, vanaf die datum in tariefgroep 2. De vrouw betaalt met ingang van 1 juli 2000 een maandelijkse huur van ƒ 908,-. 3. Het hof meent dat van de vrouw, gelet op haar leeftijd, opleiding, werkervaring en de zwaarte van haar huidige baan (gezinsverzorgster) niet gevergd kan worden dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. Nu het inwonen van de dochter bij de vrouw, gelet op de leeftijd van de dochter, van tijdelijke aard zal zijn, gaat het hof er vanuit dat de vrouw nagenoeg alle maandelijkse lasten voor haar rekening neemt. Mede gelet op de welstand ten tijde van het huwelijk blijft er behoefte bestaan aan een bijdrage van de man welke het hof, op gelijke gronden als de rechtbank, zal bepalen op niet lager dan de hierna vast te stellen draagkracht van de man. 4. Vast staat dat zich in de inkomenspositie van de man, 49 jaar, met ingang van 1 januari 1999 een wijziging heeft voorgedaan, nadat zijn arbeidsovereenkomst met [naam werkgever man] met ingang van 1 juli 1998 in het kader van een reorganisatie is ontbonden, onder toekenning aan hem van een vergoeding van ƒ 80.000,- bruto. De man heeft geprobeerd ander passend werk te vinden, hetgeen hem niet is gelukt. Uiteindelijk is hij in augustus 1998 samen met zijn toenmalige partner, een thans 37 jarige Poolse, een (horeca)onderneming in Polen gestart, welke onderneming hij, het Pools niet machtig, heeft moeten overdragen nadat zijn partner zich plotseling had teruggetrokken, met als gevolg dat de man, mede wegens wanbetaling van de koper, met een aanzienlijke schuldenlast achter bleef en daardoor is, naar hij stelt, zijn draagkracht aanzienlijk verminderd. 5. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de oprichting van de onderneming in Polen dermate risicovol was dat de daaruit resulterende kosten niet kunnen worden meegewogen in zijn draagkracht. De man voert daartoe aan dat hij geen keuze had in het wel of niet nemen van bedoeld risico, nadat pogingen om passend werk te vinden zonder resultaat bleven. Bovendien, zo stelt de man, betekende het einde van de relatie met zijn Poolse vriendin, waardoor de feitelijke bedrijfsvoering van het ene op het andere moment volledig onmogelijk werd, tevens het einde van de onderneming. De man stelt dat hij zich, alvorens de onderneming in Polen te starten, zeer grondig heeft voorbereid, waardoor de financiële risico’s volledig in kaart waren gebracht. Het debacle is niet veroorzaakt door zwakte in de financiële opzet. 6. De vrouw stelt dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de oprichting van de Poolse onderneming door de man dermate risicovol was dat de (vermeende) daaruit resulterende kosten niet ten laste van de alimentatie mogen worden gebracht, omdat de man geen enkele opleiding en ervaring in de horecabranche had, zijn ondernemingsplan niet door een deskundige is getoetst en ook de winstvooruitzichten mager waren. 7. Blijkens twee jaaropgaven had de man in 1999 een jaarinkomen van ƒ 87.573,-. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van dit inkomen. Voorts merkt het hof de man als alleenstaande aan. 8. In hoger beroep voert de man, blijkens drie overgelegde draagkrachtberekeningen, alle gedateerd 23 november 1999, de volgende maandelijkse lasten op: kale huur ƒ 809,-, premie ziektekosten (werkgeversdeel) ƒ 120,-, rente en aflossing schulden ƒ 1.355,-, herinrichtingskosten ƒ 250,-, omgangskosten ƒ 150,- en aanvullende pensioenpremie ƒ 372,-. 9. Het hof acht het aannemelijk - mede gelet op de hoogte van de schulden van de man - dat de door de man ontvangen ontslagvergoeding geheel is opgegaan aan de mislukte onderneming. Dit neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat de man onzorgvuldig heeft gehandeld door zonder de vereiste voorzichtigheid de gehele ontbindingsvergoeding te investeren in de horecaonderneming in Polen, waarvan het welslagen geheel afhing van de medewerking van zijn Poolse vriendin. De keuze van de man om de onderneming in Polen te starten valt op zichzelf te respecteren, maar mag naar het oordeel van het hof bij deze onzorgvuldigheid niet geheel ten laste komen van zijn draagkracht. Het hof acht het dan ook redelijk terzake rente en aflossing schulden rekening te houden met niet meer dan ƒ 900,- per maand, waarvan de rente fiscaal aftrekbaar is. Het meerdere dient de man uit zijn draagkrachtvrije ruimte te voldoen. 10. Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde herinrichtingskosten, nu hij ter zitting heeft medegedeeld dat hij meubels van zijn moeder heeft gekregen. Op dezelfde gronden als de rechtbank houdt het hof evenmin rekening met de opgevoerde omgangskosten. Omdat de man de noodzaak tot het aangaan van een aanvullend pensioen niet heeft aangetoond, houdt het hof geen rekening met de aanvullende pensioenpremie. 11. Met de overige door de man opgevoerde lasten houdt het hof rekening, omdat deze aannemelijk zijn. Het hof merkt daarbij op dat met betrekking tot de huur, waarvan de man ter zitting onweersproken heeft gesteld dat deze tot 1 juli 2000 ƒ 854,- per maand bedraagt en vanaf die datum ƒ 875,-, gemakshalve is uitgegaan van een gemiddelde huur van ƒ 846,- per maand. Voorts is tot 1 juni 1999 rekening gehouden met de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie die de man aan zijn dochter heeft betaald en met de fiscale voordelen die de man geniet. Het hof merkt daarbij op dat ook rekening is gehouden met de in hoger beroep niet betwiste -door de rechtbank in aanmerking genomen- buitengewone lasten in verband met kinderen. 12. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man over de periode van 23 februari 1999 tot 1 juni 1999 en sedert 1 juni 1999 een alimentatie voor de vrouw toe-laat van respectievelijk ¦ 1.215,- per maand en ƒ 2.135,- per maand, wel-ke ali-men-tatie, gelet op haar behoefte en andere inkomsten, in over-een-stem-ming is met de wettelijke maatsta-ven, zodat de bestreden uitspraak moet worden vernie-tigd. Het hof merkt op dat hetgeen de partijen voorts nog naar voren hebben gebracht geen verdere bespreking behoeft, omdat bespreking ervan niet tot een ander oordeel kan leiden. BESLISSING Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschik-ken-de: bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 3 augustus 1995 de alimen-tatie voor de vrouw over de periode van 23 februari 1999 tot 1 juni 1999 en met ingang van 1 juni 1999 op respectievelijk 1.215,- per maand en ¦ 2.135,- per maand, wat de na heden te ver-schij-nen termij-nen be-treft bij vooruit-beta-ling te vol-doen; wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af. Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Koning en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 13 september 2000. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.